Nederland ontkent zijn racisme

Ondanks een lange geschiedenis van rassenrellen, wordt het racisme in Nederland gebagatelliseerd door politiek en media. Eerwraak wordt daarentegen voortdurend geproblematiseerd. Een oproep aan de wetenschap om deze gekleurde willekeur een halt toe te roepen.

In het politieke en publieke debat worden sommige kwesties, die te maken hebben met migratie en integratie, gebagatelliseerd en andere sterk geproblematiseerd. Bij bagatellisering wordt ontkend, door journalisten of politici, dat iets een probleem is: het is niet ‘ons’ probleem, dus ‘wij’ hoeven ook geen oplossing te bieden. Bij problematisering wordt benadrukt dat iets een probleem is van migranten: het is ‘hun’ probleem en de oplossing moet dus van hen komen. Opvallend is dat in het
wetenschappelijke debat de problematisering of bagatellisering uit het publieke en politieke debat wordt nagevolgd, zonder dat het doel daarvan duidelijk is. Er is alle reden om in het wetenschappelijke debat die eenzijdigheid te doorbreken.

Steevast ontkenning racistisch motief
Een voorbeeld van bagatellisering zijn rassenrellen. Die bestaan in Nederland niet, zo wordt veelvuldig betoogd, ofschoon een eindeloze reeks incidenten genoemd kan worden: Poolse en Hongaarse mijnwerkers botsten met Limburgers in 1948 en 1957, Indische jongens botsten met Haagse in 1958, Spaanse en Italiaanse gastarbeiders met Twentse Nozems in 1961, ‘Negerstudenten’ met Amsterdamse discogangers in 1964, Molukse met Nederlandse jongeren in Geleen in 1966, Turken met Molukkers in 1969 in Arnhem, en Marokkanen met Schilderswijkers in 1969. Molukse en Nederlandse jongeren stonden tegenover elkaar in 1970 in Groningen en Eelde, Hagenaars stonden tegenover Turken in 1971 en er was een veldslag met Molukkers in Roermond. In 1972 botsten Italianen en Haarlemmers en waren er rellen tussen Turken en Nederlanders in de Afrikaanderwijk. In 1976 werden Turken belaagd in Schiedam, Surinamers in Purmerend en Tilburg in 1981, Molukkers in 1983 in Nijverdal en ‘kleurlingen’ in Landsmeer. Marokkaanse en Nederlandse jongeren vochten in Gouda in 1991, en in 1993 bij een disco in Heerhugowaard. In 2004  waren er rellen in Goes, in 2005 tussen Turken en Londsdalers in Venray, en in 2006 tussen Marokkanen en Antillianen inde Indische Buurt in Amsterdam. Er vielen doden en sommige rellen duurden
dagenlang. Er werden racistische leuzen geroepen en racistische tekens op muren gekalkt. Glimmerveens Nederlandse Volksunie en Janmaats Centrumpartij verspreidden racistische pamfletten.

Natuurlijk zijn vechtpartijen tussen jongeren in het uitgaanscircuit gangbaar. Nozems oefenden zich in de jaren 1960 in het agentje pesten en in Den Haag waren er jarenlang zomerrellen omdat de jeugd zich verveelde. Er kan eindeloos gediscussieerd worden of iets een rassenrel is of niet. Belangrijker is dat iedere keer dat zich mogelijk racistische incidenten voordeden, de gezagsdragers over elkaar heen buitelden om te verklaren dat dit geen racisme of een rassenrel was. Incidenten werden afgedaan
als ordinaire verkeersruzies, discoruzies of kroegruzies door ‘baldadige jongelui met een fascistisch trekje’ en als gevechten tussen groepen jongens om de meisjes. Op incidenten volgende geen breed debat en geen verbreding naar andere onderwerpen.

Alles is eerwraak
Terwijl niets een rassenrel was, werd alles eerwraak, om een voorbeeld van problematisering te noemen. Krantenkoppen als ‘Turk steekt man dood’ leidden tot vragen van journalisten en politici, en in 1976 tot de introductie van de term eerwraak. Die werd meteen op grote schaal overgenomen. Door de introductie van het woord eerwraak werd een scherpe grens getrokken tussen moorden waarbij dader of slachtoffer Nederlands waren, en moorden waarbij zij Turks waren. Indien een Nederlandse man zijn vrouw uit jaloezie vermoordt, is er sprake van een crime passionel, vermoordt hij zijn dochter dan is het een familiedrama. Vindt een drama plaats binnen de Turks-Nederlandse gemeenschap dan schrijven kranten over eerwraak. Na de introductie van de term was de moord van een man op zijn vrouw of dochter niet alleen gruwelijk en laakbaar, maar werd het onderdeel van een groter en bovendien cultureel probleem. De introductie viel in een periode waarin het anders-zijn van migranten in het kader van de multiculturele politiek decennialang werd gesubsidieerd met als gevolg een verstarring van ideeën omtrent cultuur. Daardoor werd het vermeende culturele probleem ook een onoplosbaar probleem.

De term eerwraak werd oneindig opgerekt. Er wordt geschreven over eergerelateerd geweld en daaronder valt, volgens sommigen, niet alleen moord, maar ook beperking van mobiliteit, gedwongen of gearrangeerde huwelijken of dwingende kledingvoorschriften. Elke moord of dood die maar iets met Turken te maken heeft – ook in de drugswereld – wordt een eerwraakzaak genoemd. De aandacht voor huiselijk geweld onder Turken in Nederland leidde tot een groot aantal onderzoeken naar huiselijk geweld. Huiselijk geweld is inmiddels omgedoopt tot intimate terrorism, om de ernst ervan te benadrukken en een associatie te wekken met andere vormen van terrorisme.

In het publieke en politieke debat is duidelijk waarom een kwestie wordt geproblematiseerd of gebagatelliseerd. Als er geen probleem is, hoeft er ook niet nagedacht te worden over een oplossing. In het wetenschappelijke debat zien we een eenzijdigheid die de eenzijdigheid uit het publieke/politieke debat reproduceert en versterkt.

Marlou Schrover is hoogleraar migratie en sociale verschillen bij de Universiteit Leiden. Dit  artikel is een bewerkte versie van haar oratie die zij op maandag 23 mei 2011 heeft uitgesproken.

Foto: Bas Bogers