Nee tegen doorstroomtoets is ja voor kansenongelijkheid

Moeten we stoppen met de doorstroomtoets en het advies van de leerkracht weer leidend maken, zoals sommige basisscholen bepleiten? Nee, zeggen onderzoekers Suzan de Winter-Koçak en Donya Yassine van het Verwey-Jonker Instituut. Dat leidt tot grotere kansenongelijkheid.

Alle leerlingen in groep 8 van het basisonderwijs krijgen een eindtoets om te bepalen op welk onderwijsniveau zij kunnen instromen in het voortgezet onderwijs. De eindtoets test de taal- en rekenvaardigheid van een leerling en koppelt deze resultaten aan een onderwijsniveau.

Doorstroomtoets

Voor het afnemen van de eindtoets krijgen leerlingen een voorlopig advies van de leerkracht, die op verschillende manieren en op basis van verschillende bronnen tot stand kan komen. Daarover later meer.

Sinds het schooljaar 2023 – 2024 is er een nieuwe eindtoets, de doorstroomtoets. Nieuw aan deze toets is dat er zes verschillende toetsen zijn van verschillende aanbieders. De toetsen zijn in het leven geroepen om de concurrentie tussen aanbieders te versterken en daarmee de kwaliteit van toetsen te waarborgen.

Nieuw is dat de resultaten van de toets bepalend zijn voor het uiteindelijke schooladvies. Indien een leerling hoger scoort op de doorstroomtoets dan het advies dat de leerkracht heeft gegeven, krijgt de leerling het advies dat uit de doorstroomtoets is gerold. Wanneer een leerling lager scoort, blijft het advies van de leerkracht staan.

Subjectief

Net voordat de doorstroomtoetsen voor de tweede keer afgenomen zouden gaan worden, geven meerdere basisscholen aan te willen stoppen met de verplichte, en daardoor ook wettelijk bepaalde doorstroomtoets.

Zij vinden dat het advies van de leerkracht (weer) leidend moet worden

Nog eens dertig scholen zeggen dit voorbeeld mogelijk te gaan volgen. Zij vinden dat het advies van de leerkracht (weer) leidend moeten worden.

Dit betekent dat er geen objectief meetinstrument meer gebruikt gaat worden om de competenties van leerlingen te bepalen, en dat de inschatting van het cognitief vermogen van leerlingen volledig in de handen ligt van de leerkracht.

Een alarmerende ontwikkeling in het kader van kansengelijkheid. Juist het (subjectieve) advies van de leerkracht vormt een groot risico voor bias, vooroordelen en discriminatie. Leerlingen van kleur en/of met een migratieachtergrond krijgen structureel een te laag advies. De discrepantie tussen de toetsresultaten en de adviezen van leerkrachten wijst erop dat vooroordelen een rol kunnen spelen.

Bijstelling

Sommige scholen die met de doorstroomtoets willen stoppen, hebben vooral bezwaar tegen het principe van een eindtoets. Een momentopname kan volgens hen onmogelijk een goed beeld geven van het niveau van een leerling. Een eindtoets zoals de doorstroomtoets om het verdere onderwijsniveau van leerlingen te bepalen, is echter niet nieuw. In de jaren hiervoor werd er gebruik gemaakt van onder andere de Cito-toets. Wat wél nieuw is, is de verplichte bijstelling naar boven.

Juist de verplichte bijstelling roept weerstand op bij leerkrachten

Onderwijsprofessionals lijken vooral te ageren tegen het feit dat de resultaten van de toets hun professionele inschatting overruled. Na het eerste schooljaar met doorstroomtoets scoorden veel leerlingen een hoger onderwijsniveau op de doorstroomtoets dan hun docenten hadden ingeschat.

Juist de verplichte bijstelling roept weerstand op bij leerkrachten. Nu net als toen twijfelen ze aan de validiteit van de toets, en vinden ze dat de resultaten ervan niet altijd recht doen aan hun professionele oordeel. Dat er vanuit het onderwijsveld in zo’n hoge mate weerstand is, dat scholen bereid zijn om de wet te overtreden, is op zijn zachts gezegd opmerkelijk te noemen.

Onderadvisering

Het huidige systeem kent echter nog meer problemen. Zo mag het voorlopig advies bij 16 procent van de scholen door slechts één docent worden vastgesteld, zonder overleg met collega’s of de schoolleiding. Dit maakt de ruimte voor subjectiviteit in het proces aanzienlijk.

Daarnaast hanteren scholen en onderwijsprofessionals verschillende criteria bij het opstellen van het advies. Factoren zoals de veronderstelde motivatie van een leerling, de betrokkenheid van ouders en de waargenomen werkhouding spelen vaak een rol en zijn sterk afhankelijk van persoonlijke interpretatie.

Ondanks dat de doorstroomtoets ervoor zorgt dat leerlingen over het algemeen een hoger schooladvies krijgen, constateert de PO-Raad dat de zes verschillende doorstroomtoetsen sterk verschillen in inhoud en moeilijkheidsgraad. Dit leidt tot ongelijke adviezen en vergroot de verschillen tussen scholen. De PO-Raad pleit daarom voor een betere standaardisering van de toetsen, of een terugkeer naar één landelijke toets die voor alle leerlingen vergelijkbare resultaten oplevert.

Leerlingen die lager worden ingeschat dan hun capaciteiten, zien hun zelfvertrouwen dalen

Het Tweede Kamerlid Ilana Rooderkerk (D66) vindt dat het aanbod van zes verschillende doorstroomtoetsen onvoldoende betrouwbaar is om het onderwijsniveau van leerlingen adequaat te kunnen meten. Eind november dient zij een motie in, aangenomen door de Tweede Kamer, om te verkennen wat er nodig is om te komen tot één uniforme doorstroomtoets.

Impact

Het effect van onderadvisering reikt verder dan een advies dat in een later stadium eventueel weer gecorrigeerd kan worden. Leerlingen die lager worden ingeschat dan hun capaciteiten, zien hun zelfvertrouwen dalen. Dit kan hen dwingen tot een stapelroute, waarbij zij pas later het juiste onderwijsniveau bereiken. Bovendien blijven veel leerlingen achter in een onderwijssysteem dat niet volledig recht doet aan hun potentieel.

Verandering

Om deze vicieuze cirkel te doorbreken, is een objectievere aanpak noodzakelijk. Het verminderen van subjectiviteit en het invoeren van uniforme gestandaardiseerde beoordelingscriteria kunnen bijdragen aan eerlijkere kansen voor alle leerlingen.

Een onderwijsadvies moet kansen vergroten, niet beperken

Verdere onderzoeksinspanningen zijn nodig om beter inzicht te krijgen in de risico’s van bias en vooroordelen en om oplossingen te ontwikkelen die de kansenongelijkheid in het onderwijs structureel aanpakken.

Alle kinderen verdienen een eerlijk schooladvies dat gebaseerd is op hun capaciteiten, niet op aannames of vooroordelen. Een onderwijsadvies moet kansen vergroten, niet beperken.

Suzan de Winter-Koçak is senior onderzoeker bij het Verwey-Jonker Instituut en richt zich met name op onderzoek naar sociale ongelijkheid binnen de domeinen onderwijs en arbeidsmarkt. Donya Yassine is medior onderzoeker bij het Verwey-Jonker Instituut en houdt zich veelal bezig met jeugd- en onderwijsvraagstukken op het snijvlak van gelijke kansen.

 

Foto: RDNE Stock Project via Pexels.com

Dit artikel is 1621 keer bekeken.

Reacties 4

  1. De auteurs schrijven niets over de absurditeit waarmee we kinderen op 11/12 jarige leeftijd al gaan sorteren. Ook niets over andere competenties dan rekenen en taal. Hun aanname: deze objectieve toets voorkomt onderadvisering. En niets over het risico van overadvisering terwijl er uit het voortgezet onderwijs geluiden komen van uitval door te hoge adviezen. Met alle teleurstelling en frustratie van dien bij kinderen. Voor beter gesitueerde leerlingen helpt de bijlesindustrie aan zo hoog mogelijk advies en steun in het verdere traject.
    Dit sorteerspel lijkt op sjoelen waarin alle schijven worden gemikt op het vak met het hoogste puntental. Andere vakken raken leeg. De bonus van dubbele punten bij evenwichtige spreiding over de vakken gaat dan verloren.
    Door corona weten we dat er essentiele beroepen zijn -waarvoor je natuurlijk ook moet kunnen lezen en rekenen- maar die blijven we lager waarderen dan menige bulshittbaan achter een beeldscherm. En het VMBO behoudt zo onterecht zijn stigma van afvoerputje, terwijl ambachtelijk vakmanschap moet worden geherwaardeerd. Het MKB zit om vaklieden, makers, te springen.

    Instrumentaria als de doorstroomtoets lijken functioneel maar zijn dat in breder verband bezien allerminst. Juist dat brede verband zou binnen het Verwey-Jonker Instituut leidend moeten zijn -zo lees ik op de site in de missie (onder thema’s).

  2. Beste Suzan en Donya,
    Ik ben heel verbaasd over dit artikel omdat er zo ontzettend veel fouten en halve waarheden in staan.

    1.’Dit betekent dat er geen objectief meetinstrument gebruikt gaat worden’. Niet waar, scholen zijn nog steeds verplicht een leerling volgsysteem te gebruiken. Hieronder vallen toetsen van de methode en ook (meerdere) jaarlijkse gestandaardiseerde toetsen zoals CITO of IEP. Deze blijven afgenomen worden.

    2. ‘Wat wél nieuw is, is de verplichte bijstelling naar boven’. Dit is niet de enige verandering. Ook het moment van de toets is veranderd naar halverwege het schooljaar waardoor het selectie moment nóg eerder is. En er zijn veel meer verschillende aanbieders. Er zitten grote verschillen tussen welke toets afgenomen wordt.

    3. Er wordt gesproken over het effect van onderadvisering maar niet over het effect van bovenadvisering. Veelal moeten kinderen die het niet redden naar een andere middelbare school. Als je het hebt over zelfvertrouwen dat daalt…

    4. ‘Het invoeren van gestandaardiseerde beoordelingscriteria kunnen bijdragen aan eerlijke kansen.’
    Die beoordelingscriteria zijn er, namelijk de kerndoelen en de referentieniveau’s. Vastgesteld door de overheid. Hierin staan juist vaardigheden benoemd die niet in een multiple-choice toets getest kunnen worden.

    5. ‘Een onderwijsadvies moet kansen vergroten’.
    Hierin klinkt het vooroordeel dat een ‘hoger’ advies meer kansen bied. Nee, een advies is er niet om zo hoog mogelijk uit te vallen. Het advies is er zodat elk kind op een school terecht komt die het beste bij hem/haar past. Als dat een praktijkschool is dan is dat top.

    Onze kinderen doen zo hun best, leerkracht word je vanuit liefde. Natuurlijk geven wij niet alleen op gevoel een advies. Maar 1 enkele toets die belangrijker zou zijn dan 8 jaar basisschool observaties, leerlingvolgsystemen en methodetoetsen. Nee daar ben ik het echt niet mee eens.

    Iris

  3. Beste mevrouw Jansen,

    Hartelijk dank voor uw reactie, al betreuren wij uw claim met betrekking tot fouten en halve waarheden. Graag verwijzen wij ook door naar het volledige rapport waarop dit artikel is gebaseerd: https://www.kis.nl/publicatie/.... In het rapport staan ook alle bronnen die wij hebben gebruikt.

    Overall is het wellicht goed om te vermelden dat wij louter alleen naar het proces van het schooladvies hebben gekeken in het kader van kansenongelijkheid en discriminatie (concreet: waar kan subjectiviteit een rol spelen binnen dit geheel).
    Hieronder zal ik kort ingaan op de door u aangeven punten.

    1. Een leerlingvolgsysteem wordt gebruikt, maar uit onderzoek blijkt dat dit niet standaard wordt meegenomen als factor bij het bepalen van het (voorlopig) schooladvies.

    2. Nergens in de tekst stellen wij dat de bijstelling naar boven de enige verandering is. Sterker, we gaan ook nog in op enkele andere veranderingen zoals bijvoorbeeld de zes verschillende aanbieders.

    3. Zie de toelichting hierboven over de scope van het onderzoek en ons artikel.

    4. Deze opmerking kan ik niet goed plaatsen. Van wat wij uit onderzoek hebben gezien worden de kerndoelen en de referentieniveaus niet concreet meegenomen in de totstandkoming van het schooladvies.

    5. Helemaal mee eens. Wij pleiten niet voor een hoger schooladvies, maar voor een eerlijker, rechtvaardiger en passender schooladvies.

    Tot slot zouden wij graag mee willen geven dat wij er volledig van overtuigd zijn dat de overgrote meerderheid van de onderwijsprofessionals met alle goede bedoeling een (voorlopig) schooladvies opstelt. Tegelijkertijd worden bijvoorbeeld leerlingen met een migratieachtergrond al jaren structureel ondergeadviseerd. Dus daar gaat overduidelijk iets mis.

    Wij vragen dan ook aan alle betrokkenen bij het schooladvies om kritisch naar de procedure te kijken en de mogelijke invloed van subjectiviteit hierbij, zodat alle kinderen een schooladvies krijgen dat past bij hun competenties.

    Met vriendelijke groet,
    Ook namens Donya Yassine

    Suzan de Winter-Koçak

  4. Mevrouw de Winter reageert slechts op de reactie van Iris Jansen.
    Inmiddels heb ik begrepen dat ze zich stoorde aan mijn reactie.
    Kennelijk durft ze het niet aan de doorstroomtoets te bezien tegen een bredere meritocratische maatschappelijke achtergrond. Wellicht kan ze nog eens Karl Mannheim nalezen over diens onderscheid tussen functionele en substantiele rationaliteit. De meet en regeltechniek kan nog zo worden geperfectioneerd, deze blijft ten dienste staan van een onderwijssysteem dat kinderen veel te jong sorteert en dan ook nog eens met zwaar accent op theoretische scholing. Essentiele beroepen lopen daardoor ook nog eens leeg.
    Die maatschappelijke functie houdt de onderzoekers kennelijk niet bezig. En dat had ik niet verwacht van het Verwey Jonker instituut, gezien de missie van dit instituut.
    Sommigen zijn nog duidelijker dan ik: zie de column in dit blad van Klaas Mulder: de school als plaats delict.
    Ik voorspel een stevige discussie over de uit de hand gelopen toetsindustrie in ons land, of onderzoekers dat nu leuk vinden of niet.

Reageer

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *