Hoe we samenleven, heeft invloed op allerlei gebieden. Als mensen leefruimte delen, verlicht dat de druk op de woningmarkt. Als mensen meer dingen samendoen, verbetert dat de kwaliteit van leven en vermindert dit uiteindelijk de druk op voorzieningen van welzijn en zorg. Dat was het vertrekpunt voor de paper die we schreven op verzoek van de vaste Kamercommissie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS).
We moeten een eind maken aan de talloze prikkels tégen samenwonen, tégen woningdelen
Leefruimte delen kan heel direct door woonruimte te delen. Er zijn tal van initiatieven waarin ouderen proberen dat laatste te doen. Variërend van mantelzorgwoning tot woongroep, van hofje tot groepswoning. Maar de aantallen zijn zeer klein in verhouding tot de behoefte en zeker in verhouding tot de gehele populatie. Maar samenleven kan ook door netwerken in buurten te bouwen, dus zonder dat er direct stenen bij komen kijken.
Barrières slechten
Om echt meters te maken, zullen we twee barrières moeten zien te slechten. We moeten een eind maken aan de talloze prikkels tégen samenwonen, tégen woningdelen. En ten tweede: als mensen niet samen wonen, dan kunnen ze nog steeds wel samen dingen doen. Dat gaat niet altijd vanzelf. We hebben daarom ‘arrangeurs’ nodig die erbij kunnen helpen dat iedereen zich op een of andere manier deel weet van enige gemeenschap.
Het wegnemen van de barrières voor samenwonen en het aanstellen van arrangeurs kan eraan bijdragen dat mensen ‘iets voor elkaar doen’ of ‘naar elkaar omzien’. Dat zijn bewust gekozen ruimere formuleringen dan ‘voor elkaar zorgen’. Waar het om gaat: als het startpunt of het doel is dat mensen elkaar professioneel gaan verzorgen, dan werkt het niet. Op de vraag of je de buurman ‘elke dag even onder de douche wilt zetten’, zeggen de meeste mensen hartstochtelijk ‘nee’. Andersom werkt het wel: als mensen meer van betekenis zijn voor elkaar, dan leidt dat als een soort onbedoeld bijproduct – door verbeterd welbevinden – tot een daling van de zorgvraag.
Er zijn allerlei regels, bijvoorbeeld in de sociale zekerheid, die gezamenlijk wonen actief ontmoedigen
Maar om iets voor elkaar te doen, is het noodzakelijk dat mensen elkaar tegenkomen, elkaar enigszins kennen, in elkaars nabijheid verkeren. Dat vergt een omgeving die een lichte mate van contact – alledaagse attentheid – stimuleert.* En daar komt het probleem van onze woningmarkt in beeld: de woonvormen waarin ouderen verkeren, zijn meestal niet bevorderlijk voor onderling contact en de woningmarkt biedt hun weinig mogelijkheden om daar andere keuzes in te maken. Bovendien zijn er allerlei regels, bijvoorbeeld in de sociale zekerheid, die gezamenlijk wonen actief ontmoedigen. Zo ontstaat er – veelal onbedoeld – een krachtige motor voor eenzaamheid. En groeit de zorgvraag. Hoe kunnen we deze motor stilzetten?
Woon- en leefvormen gericht op ‘samen’ZorgSaamWonen, het landelijke kennisplatform over wonen, welzijn en zorg, onderscheidt in de Catalogus woonvormen voor senioren zes woon- en leefvormen die zijn gericht op ‘samen’. Precieze aantallen zijn niet bekend, maar bij elkaar gaat het om een fractie van de behoefte.
|
Zorgzame buurten
Wie samenleven en omzien naar elkaar wil vergemakkelijken, zet in wezen in op gemeenschapsontwikkeling. Dan kom je al snel op zorgzame buurten, al gaat dat vaak om veel meer dan zorg. Over zorgzame of leefbare buurten als bijvoorbeeld Austerlitz, Elsendorp, Ruwaard, en Buurtcoöperatie Apeldoorn-Zuid is de afgelopen tijd veel geschreven. Op 10 mei 2023 verscheen de bundel Zorgzame buurten trotseren het systeem, met voorbeelden en met obstakels waar zij tegenaan lopen.
De moeizame totstandkoming van zorgzame buurten ligt niet altijd aan ‘het systeem’
De moeizame totstandkoming van zorgzame buurten ligt niet altijd aan ‘het systeem’, want ook burgers vinden het niet altijd makkelijk om zichzelf goed te organiseren. Waar dat wel lukt, ligt toch dikwijls het systeem dwars. Dat varieert van het beruchte schottenprobleem tot cultuuraspecten of gebrek aan kennis of capaciteit. De obstakels leiden niet zelden tot uitstel en frustratie en soms ook gewoon tot het niet (verder) van de grond komen van een zorgzame buurt.
We constateren dat mensen, als ze heel graag willen, wel degelijk in staat zijn om samenleefvormen te realiseren. Maar we zien een aantal uitdagingen waarvoor het Rijk aan zet is.
Uitdaging 1: samenwonen minder ontmoedigen
Meestal onbedoeld is op talloze terreinen een krachtig ontmoedigingsbeleid ontstaan voor samenwonen. Dit geldt voor de hele bevolking, maar treft in het bijzonder ouderen. Hun actieradius wordt immers geleidelijk aan kleiner en daarmee hun mogelijkheden om buitenshuis gelijkgestemden te zoeken om samen de dingen te doen die het leven boeiend maken.
Negatieve inkomenseffecten van woningdelen
Mensen die (gaan) samenwonen, worden gekort op hun AOW. Een aanzienlijke groep denkt om deze reden maar beter twee adressen te kunnen aanhouden (fraude). Het Rijk zou de AOW kunnen ‘door-individualiseren’: de hoogte koppelen aan het individu, dus ongeacht de woonvorm.
Het is logisch om te kijken hoe de huurtoeslag kan worden aangepast
Individualiseren is ook een goed idee bij de bijstand. Mensen raken nu hun bijstandsuitkering kwijt als ze gaan samenwonen. Een kamer (onder)verhuren, levert direct een korting op de uitkering en veel administratieve ellende op – niet aantrekkelijk. Dit geldt voor alle leeftijdsgroepen. Bij ouderen kunnen we in het bijzonder denken aan een bijstandsgerechtigde die zou willen gaan samenwonen met een AOW-gerechtigde. Zolang individualisering nog geen realiteit is, kan ook gekeken worden naar degene met wie iemand met een bijstandsuitkering samenwoont (wil gaan samenwonen) voordat er gekort wordt. Is het iemand op leeftijd, met een beperking? Dan niet korten.
Ook huurdelen en dus samenwonen heeft gevolgen voor de huurtoeslag. Het is logisch om te kijken hoe de huurtoeslag kan worden aangepast, zodat die meer mensen in een huis faciliteert in plaats van afremt.
Lokale verordeningen
Veel gemeenten denken overlast en illegale verhuur te moeten bestrijden met regelingen die alle kamerverhuur inperken. Ongelukkig. Hiermee vergroten zij de woningnood en leggen ze het probleem op het bordje van de nationale overheid. Het Rijk kan gemeenten verbieden dit type generieke beperkingen op te leggen.
Een knop voor het openen van de voordeur wordt niet vergoed als het een gezamenlijke voordeur is
De uitvoering van de Wmo kan lokaal ook vaak beter, want die kan gezamenlijke woonambities danig in de weg zitten. De blik is gericht op de eigen woning. Een klein maar illustratief voorbeeld is dat een knop voor het openen van de voordeur niet vergoed wordt als het een gezamenlijke voordeur is. Gemeenten kan gevraagd worden om bij de uitvoering van de Wmo nadrukkelijk rekening te houden met gemeenschappelijke woonvormen.
Er zijn meer regels die het samenwonen frustreren. Per saldo zien we dat veel regels onbedoeld tot gevolg hebben dat samenleven onaantrekkelijk is. De context is vijandig. Juist in een tijd waarin we dit eerder zouden willen aan- dan ontmoedigen.
Uitdaging 2: arrangeurs aanstellen
Zorgzame netwerken ontstaan niet altijd vanzelf en blijven niet altijd bestaan. Hierdoor kan het gebeuren dat in buurten en straten mensen er alleen voor komen te staan zonder dat iemand dat doorheeft. Daarom bepleiten we het aanstellen van professionele arrangeurs.
Als de netwerken alle generaties verbinden, zijn ze krachtiger, interessanter en duurzamer
De arrangeur kan in de praktijk vele namen hebben: dorpsondersteuner, buurtverbinder, sociaal makelaar, community builder/developer/organizer, trekker, kwartiermaker, mienskip, naoberschap, participatie-adviseur, samenlevingsopbouw, opbouwwerker, et cetera. We gebruiken de aanduiding ‘arrangeur’ hier als verzamelterm, in de hoop de stammenstrijd tussen al die verschillende titels te kunnen overstijgen.
Binnen dit werk kunnen we een aantal onderscheiden maken:
- Individuen met elkaar verbinden. Een koppelaar die een vereenzamende plantenliefhebber introduceert bij de hulpbehoevend wordende oudere die niet meer goed voor de eigen planten kan zorgen.
- Mensen introduceren in netwerken. Bijvoorbeeld iemand meenemen naar de biljartclub, naar een werkgever of naar vrijwilligerswerk en zorgen dat die daar goed landt.
- Nieuwe netwerken opzetten. Denk bijvoorbeeld aan de filosofische cafés in Maastricht, waar mensen met elkaar spreken over hun levensvragen. Een plek beschikbaar stellen, is vaak een succesfactor.
- Bestaande netwerken ondersteunen en versterken. De dorpsondersteuner die een buurtinitiatief helpt om te floreren zonder het over te nemen.
- Bestaande netwerken ontvankelijker maken voor nieuwe toetreders. Bijvoorbeeld de voetbalclub die misschien wel een fijne plek kan zijn voor het gewaardeerde lid dat de diagnose dementie heeft gekregen.
- Netwerken met elkaar verbinden. Denk bijvoorbeeld aan het zangkoor dat een oefenruimte zoekt en of dat niet zou kunnen bij de lokale ondernemer, waar ze dan elk kwartaal een aubade kunnen verzorgen.
Belangrijk is dat er bij al deze netwerken geen enkele reden is om ze te beperken tot of om te focussen op ouderen. Als de netwerken alle generaties verbinden, zijn ze krachtiger, interessanter en duurzamer. En ook belangrijk: de arrangeur is een professional, maar wat diegene niet doet, is andere professionals aan elkaar koppelen (casemanagers), of de zogeheten multidisciplinaire overleggen organiseren. Ook die zijn belangrijk, maar het gaat ons hier om arrangeurs uit netwerken van inwoners voor inwoners.
Het lijkt van groot belang om dit arrangeren van netwerken een impuls te geven. Bijvoorbeeld door er een serieuze professie van te maken, door er zowel inkoop als aanbod op te organiseren.
Marcel Ham is staflid bij Movisie en hoofdredacteur van Tijdschrift voor Sociale Vraagstukken. Krijn van Beek is voorzitter van de Associatie Werkplaatsen Sociaal Domein en oprichter/directeur van de Policy Design Studio.
Dit artikel is gebaseerd op de paper Samen leven in een ouder wordende samenleving die zij schreven in opdracht van de vaste Kamercommissie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS). Met bijdragen van Henk Nies, Yvonne Witter, Marcel Canoy en Jan Smelik.
Noot
* Zie bijvoorbeeld: Kremer, M., A. Parys & L. Verplanke (2019). Alledaagse attentheid in een superdiverse wijk. Ben Sajet Centrum, Stichting Actief Burgerschap, UvA
Foto: Hackney Circle 10 Year Anniversary Summer Social (Flickr Creative Commons)