RMO: het mee- en tegendenken van een adviesraad

Achttien jaar na haar oprichting werd op 31 maart 2015 afscheid genomen van de Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling, een adviescollege ‘nieuwe stijl dat maatschappelijke trends in de volle breedte zou bezien’. Een korte terugblik van twee voorzitters op de adviesraad.

Erica Terpstra, staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Wetenschap in het kabinet Kok 2, stond aan de wieg van de Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling (RMO). Zij was verantwoordelijk voor de geboorte van een adviesorgaan dat als wettelijke taak kreeg om regering en parlement ‘intersectoraal en ontkokerd’ te adviseren over de sociale verhoudingen in Nederland. De sociale infrastructuur stond (daarbij) centraal. De RMO wilde zich niet in een ivoren toren opsluiten, maar het land ingaan, expert meetings beleggen, met sleutelfiguren praten en onderzoek (laten) doen om feiten boven tafel te krijgen’.

Zoeken naar nieuw evenwicht tussen individu en samenleving

Na 56 adviezen, 11 briefadviezen en diverse andere publicaties is de RMO, per 1 januari 2015 met de Raad voor Volksgezondheid en Zorg (RVZ) gefuseerd tot de Raad voor Volksgezondheid & Samenleving. Net zoals aan het begin staat ook aan het einde van de RMO een VVD- bewindsvrouw; Terpstra’s partijgenoot Edith Schippers heeft als minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport niet alleen de fusie tussen RMO en RVZ goedgekeurd maar daarmee tevens de wettelijke opdracht van de RMO - en de RVZ- beëindigd.

Op het afscheidssymposium, volgens bestuurskundige Paul Frissen een per definitie ‘weemoedige’ bijeenkomst, stonden de twee voorzitters die de RMO in haar bestaan heeft gekend stil bij de aparte manier waarop het adviesorgaan sociale vraagstukken heeft benaderd. Hans Adriaansens was voorzitter van de RMO van 2000 tot 2007. Tegenwoordig is hij deken en hoogleraar sociologie van de Roosevelt Academy in Middelburg. Voor Adriaansens is individualisering het fundamenteelste sociale vraagstuk dat tijdens zijn voorzitterschap aan de RMO is voorgelegd.

‘Wij werden gevraagd om een advies over hoe politiek en samenleving op het voortgaande proces van individualisering zouden moeten reageren. Wat typisch zou worden voor de manier waarop de RMO zich over de kwesties boog, is dat we die vraag niet opvatten als het zoeken naar manieren om individualisering tegen te houden, zoals dat in de politiek indertijd wel gebeurde met een pleidooi voor de terugkeer naar een traditioneel systeem van waarden en normen. We keken vooral naar wat er voor kon zorgen dat er een nieuw evenwicht zou ontstaan tussen individu en samenleving. Dus hoe kon de samenleving passend gemaakt worden aan de behoefte van het individu aan mondigheid en herkenbaarheid en vice versa. De individualisering moest naar onze bescheiden mening zowel het individu als de samenleving ten goede komen. Ofwel, de onvermijdelijke ontwikkeling naar verdere individualisering moest maatschappelijk productief worden gemaakt. Om te beginnen, dienden daarvoor alle maatschappelijke structuren die door de individualisering sleets waren geraakt –politieke partijen, vakbonden- in balans worden gebracht met de behoefte aan herkenbaarheid van de individuele mens.’

‘Kleine dingen groot maken’

‘We hebben ook geadviseerd om individualisering en mondigheid te verbinden met verantwoordelijkheid. Om dat te kunnen realiseren moeten politiek en samenleving “kleine dingen groot maken”. Ze moeten er met andere woorden voor zorgen dat mensen elkaar in de ogen kunnen kijken en zich verantwoordelijkheid voor elkaar voelen. In het rapport Bevrijdende Kaders hebben we de politiek geadviseerd om heldere doelstellingen te formuleren en professionals de ruimte te bieden om het goede te doen. En om te zorgen voor een algemene acceptatie – cultuur- dat we in een wereld van verschil leven.’

‘University colleges zijn een prima voorbeeld van hoe je kleine dingen groot kunt maken. Hoe je door bevrijdende kaders een cultuur van verschil creëren. Die colleges zijn feitelijk scholen van 600 studenten die elkaar allemaal kennen, in kleine groepen werken en met elkaar in debat gaan. Dat schept verantwoordelijkheid. Ook andere organisaties zouden zo vorm moeten krijgen dat mensen elkaar kennen en dat recht wordt gedaan aan hun professionaliteit. Wat we nu helaas nog te vaak zien, is dat organisaties niet sterk zijn in het omlijnen van hun doelstellingen maar wel alle acties binnen onduidelijke objectieven proberen te reguleren. Precies andersom dus. De overgang van de verzorgingsstaat naar de verantwoordelijke samenleving vereist evenwel heldere doeleinden en een kapitalisering van de kwaliteiten die de samenleving in huis heeft.’

Van verschil naar geschil

Onder het voorzitterschap Sadik Harchaoui heeft de RMO het accent in de periode 2007-2014 verlegd. ‘In de eerste periode lag de nadruk op individualisering en participatie van burgers. Daar rolden adviezen uit voort als Aansprekend burgerschap en Handicap van de samenleving. De afgelopen jaren hebben we ons meer geconcentreerd op de tweede pijler van onze wettelijke opdracht: adviseren over de stabiliteit van de samenleving. Van verschil naar geschil. Centraal daarbij stond de democratische rechtstaat, als datgene wat verschil beschermt maar ook begrenst. Vooral de laatste jaren vonden wij dat de noties van sociale stabiliteit, veerkracht en solidariteit tegen de achtergrond van de decentralisaties in het sociale domein nieuwe invulling moesten en moeten krijgen.’

‘Adriaansens wees terecht op de eigenzinnige manier waarop de RMO zich al die jaren heeft gemanifesteerd. Sterker nog, de RMO heeft in haar 18-jarige bestaan een geheel eigen identiteit ontwikkeld. Om haar missie - adviseren over de participatie van burgers en de stabiliteit van de samenleving - te verwezenlijken, verkoos de raad “conceptuele vernieuwingen boven instrumentele beleidsaanbevelingen” en inhoud boven vorm. Ons uitgangspunt was altijd het perspectief van de veelzijdige burger. Naar ons idee kon de overheid het best belemmeringen opheffen en op gepaste afstand blijven en dus adviseerden we een beleid om de oerkrachten van de overheid te beteugelen, in het belang van de veerkracht en variëteit van de samenleving’.

Melancholisch en blijmoedig tegelijk

‘Het motto van RMO was “meedenken en tegendenken”. Dat deden we eigenwijs en eigenzinnig, maar altijd vooruitstrevend, inhoudelijk gedreven en constructief. Was het mantra in Den Haag “de verkokering voorbij”, dan kwamen wij met de nuance in “de ontkokering voorbij” en tegenover de vanzelfsprekendheid van sociale stijging waarschuwden we voor sociale daling. Als RMO durfden we heikele thema’s te behandelen: migratiepolitiek, polarisatie, onmacht en onbehagen. Dat konden we doen omdat we doelbewust de “luwte van de advisering” zochten en een gepaste afstand hielden tot politiek en bestuur’.

Harchaoui is licht melancholisch – ‘dat hoort ook zo volgens Paul Frissen’- over het einde van de Raad Maatschappelijk als zelfstandig adviesorgaan, maar tegelijkertijd blikt hij blijmoedig de toekomst in. ‘Ik heb er alle vertrouwen in dat de nieuwe Raad voor Volksgezondheid & Samenleving en haar voorzitter, Pauline Meurs, politiek en samenleving van goede en hopelijk eigenzinnige adviezen zal voorzien’.

Dit artikel is geschreven door de redactie van Socialevraagstukken.nl