Rotterdamse sociologen versimpelen PVV-stemmers

In hun artikel Progressieve waarden nauwelijks van belang voor PVV-stemmers stelden vijf Rotterdamse sociologen dat  het bij het ‘nieuw-rechtse electoraat’ voor alles zou draaien om ‘afkeer van culturele en etnische diversiteit.’ Maar op het onderzoek valt nogal wat af te dingen. Wat is wel van belang voor de PVV-stemmers?

Een eerste kanttekening op het onderzoek richt zich op de soliditeit van de gebruikte steekproef (N=1,302). Bij nalezing van het artikel in West European Politics[1], waar de bijdrage op Sociale Vraagstukken een verslaggeving van is, blijkt bijvoorbeeld dat van de 77,8 procent van ondervraagden die wel hun partijvoorkeur aangaf[2], slechts 6 procent PVV (dan wel DPK of TON) zou stemmen in het geval er morgen verkiezingen zouden zijn (ter vergelijking: bij de laatste Tweede Kamerverkiezingen trok Wilders’s partij 15,4 procent van de stemmen). Zodoende blijven er slechts 61 ‘nieuw-rechtse’ respondenten over: een weinig solide basis om te bepalen wat precies wel en niet ‘van belang’ is voor de vele honderduizenden individuen die ooit hun stem aan de PVV gaven of van plan zijn dit in de toekomst te doen.

Het ‘nieuw-rechtse electoraat’ is heterogeen

Ten tweede wordt met de term ‘electoraat’ gesuggereerd dat het bij ‘nieuw-rechtse’ kiezers om een vastomlijnde en stabiele kiezersgroep met vergelijkbare motivaties gaat, een monolitisch geheel, losstaand van de ‘electoraten’ van andere partijen. Aldus wordt ontkend dat partijpolitieke clientèles altijd van samengestelde aard zijn; dat iedere partij (en stroming) immer kiezers aantrekt met sterk verschillende en zelfs tegenstrijdige voorkeuren. In plaats van een ‘nieuw-rechts electoraat’ moeten we dus veeleer denken in termen van een ‘conglomeraat’[3]: een heterogene, constant wisselende verzameling individuen die slechts op verkiezingsdagen symbolisch bij elkaar wordt gehouden door een voor even gedeelde stem, een keuze die op haar beurt op velerlei manieren tot stand komt.

De problematiek van opgelegde stellingen

Precies het analyseren van de totstandkoming van electorale voorkeuren brengt ons bij een derde bedenking. Gebaseerd op nogal abstracte hypotheses (‘vrijheid van meningsuiting’, ‘etnocentrisme’, etc.), slagen ook de Rotterdamse onderzoekers erin om zich vrijwel geheel te ontdoen van direct en gestructureerd contact met concrete individuen. In plaats van het vragen naar hun percepties en preferenties worden deze voorgelegd, en in zekere zin opgelegd, in de vorm van binaire stellingen.[4] Daarbij wordt genegeerd dat een groot deel van de (PVV-)kiezers dergelijke zienswijzen wellicht nooit in overweging had genomen indien ze er niet door enquêteurs mee zou zijn geconfronteerd.[5] Stellingen als ‘religious primary schools are entitled to demand that non-religious pupils also participate in prayer’, ‘the law prohibiting blasphemy should be abolished’ of ‘censorship of journalists is always wrong’ (om ‘the support for freedom of speech’ en ‘aversion to public interference of religious orthodoxy’ mee te meten) veronderstellen een beheersing van politieke evaluatieschema’s die zeer ongelijk verdeeld is onder verschillende sociale groepen (vooral variërend naar onderwijsniveau en beroepsgroep). Sterker nog, de meeste van dit soort vragen hebben in feite geen betekenis voor de minst bedeelden; zij kunnen zich dan ook maar alleen onthouden van keuze, of kiezen voor antwoorden van willekeurige aard.

Discutabele conclusies

Ondanks deze bedenkingen concluderen de Rotterdamse sociologen (onder meer) dat waar ‘nieuw-rechts’ laagopgeleiden aantrekt met een autoritaire agenda, ‘nieuw-links’ hoger opgeleide kiezers aantrekt met een libertaire agenda. Sterker nog, ‘etnocentrisme’ zou ‘the key characteristic’ vormen van ‘the new-rightist electorate’. Zo worden we hier (opnieuw) geconfronteerd met zeer homogeniserende bevindingen. Een gevaarlijke trek, al was het maar omdat dit soort constateringen gemakkelijk afglijdt naar de conclusie dat alle PVV-stemmers ‘etnocentristisch’, ‘autoritair’ en laagopgeleid zijn – of, omgekeerd, dat potentieel in alle laagopgeleiden een ‘etnocentristische’ PVV-kiezer schuilt. Echter, een ‘hoog niveau’ van ‘ethnocentrisme’ vertaalt zich niet mechanisch in een stem voor Wilders. Net zoals er substantiële groepen PVV-kiezers bestaan die niet laag- maar hoogopgeleid zijn.

Daarenboven gaan deze conclusies voorbij aan de vraag om welke redenen en op welke wijze individuen wel stemmen op een partij als de PVV indien ‘progressieve waarden’ niet van belang zijn voor hen. Het is best mogelijk dat sommige PVV-stemmers vinden dat ‘foreigners carry all kinds of dirty smells around’ of dat ‘the Netherlands should have never let foreign guest workers in’, dit wil nog niet zeggen dat het door deze overtuigingen komt dat zij voor een ‘nieuw-rechtse’ partij kiezen: er wordt zo een groot scala aan andere mogelijke motivaties genegeerd. Om de sympathie van de verschillende PVV-kiezers steekhoudend te analyseren moet men zich dus wenden tot andere wijzen van enquêteren die zowel subtieler als solider zijn.

Lessen van een kwalitatief onderzoek

Tijdens het afgelopen semester heb ik onderzoek gedaan naar de vraag waarom men Front National stemt. Ondanks het korte tijdsbestek en – in het voetspoor daarvan – een beperkt aantal geïnterviewden (N=33)[6], kwamen er niettemin een aantal interessante conclusies uit naar voren, waarvan, in de eerste plaats, de extreme diversiteit van de verschillende FN-kiezers en hun electorale beweegredenen in het oog springt (variërend van persoonlijk tot professionneel en van fiscaal tot confessioneel).

Een ander fenomeen dat opmerkelijk vaak naar boven kwam tijdens de gesprekken was een zekere aversie tegen ‘geïnstitutionaliseerd cultureel kapitaal’[7]. Door niet over (de juiste) diploma’s te beschikken en wel een relatief professioneel succes te hebben geboekt – veelal door hard te werken, vroeg op te staan en niet te klagen – lijkt een persoonlijke trots en een ethische zelfverzekerdheid in de hand te worden gewerkt, die geprojecteerd wordt op groepen die vloeken met datzelfde ethos (bepaalde immigranten, ‘uitkeringstrekkers’, etc.). In hetzelfde licht valt een gevoeligheid van vele Front National-sympathisanten te begrijpen ten aanzien van inkomensbelasting: in hun belevingswereld ‘eet’ de overheid de vruchten van hun inzet en verdiensten. Erger nog, ze geeft dat geld vervolgens uit aan allerlei subsidies en sociale voorzienigen waar zij geen beroep op (willen) doen.

In plaats van te kijken naar variabelen als opleidingniveau en soi lijkt het dan ook verstandiger om zich rekenschap te geven van de verschillende wijzen waarop deze beleefd worden (pour soi). Geen van de door mij geïnterviewde FN-sympathisanten zag zich bijvoorbeeld als ‘verliezer’ (van de modernisering of mondialisering bijvoorbeeld, zoals dikwijls beweerd wordt). Vaak voelen ze zich eerder tekortgedaan, verongelijkt zelfs, in een maatschappij die hun verdiensten en harde werken niet beloont.

Het toont het belang om meer aandacht te schenken aan de subjectieve representaties van ‘nieuw-rechtse’ kiezers, bijvoorbeeld door meer open vragen te implementeren bij toekomstige steekproeven. Hen collectief betichten van ‘etnocentrisme’ en ‘autoritarisme’ simplificeert niet alleen de complexiteit van politieke voorkeuren, maar lijkt tevens verbonden met een vorm van intellectueel etnocentrisme die ogenschijnlijk ook de vijf Rotterdamse sociologen niet onberoerd gelaten heeft.

Koen Damhuis (1987) rondde onlangs cum laude zijn onderzoeksmaster politieke wetenschap af aan de Sorbonne (Université Paris I). Momenteel bereidt hij een proefschrift voor om zijn onderzoek voort te zetten in internationaal perspectief.

 


[1] Willem De Koster , Peter Achterberg , Jeroen Van der Waal , Samira Van Bohemen & Roy Kemmers, West European Politics: Progressiveness and the New Right: The Electoral Relevance of Culturally Progressive Values in the Netherlands, West European Politics, augustus 2013.

[2] Over de kenmerken van de overige 22,2 procent wordt opmerkelijkerwijs niet gerept.

[3] Zie hiervoor tevens Daniel Gaxie, Des penchants vers les ultra-droites, in: Annie Collovald et Brigitte Gaïti, (dir.), La Démocratie aux extrêmes. Sur la radicalisation politique, Parijs, La Dispute, 2006, p. 223-245.

[4] Stellingen bovendien die vaak heimelijk gepaard gaan met de bevestiging van nogal karikaturale beweringen. Om de mate van ‘etnocentrisme’ te meten moesten respondenten bijvoorbeeld aangeven of ze het eens waren met stellingen als ‘foreigners carry all kinds of dirty smells around’ en ‘most Turks are rather self-indulgent at work’ (met excuses voor het gebruik van het Engels, ook in de rest van deze tekst: uit angst de beschuldiging op te wekken geciteerde passages op enigerlei wijze te hebben vervormd zijn deze in de oorspronkelijke taal overgenomen uit het reeds geciteerde artikel, gepubliceerd in West European Politics).

[5] In weerwil van de democratische theorie – die postuleert dat alle burgers even aandachtige als geïnformeerde observatoren zijn van courante sociale en politieke gebeurtenissen – laat politicologisch onderzoek al sinds vele decennia zien dat politiek voor de meeste mensen een complexe aangelegenheid betreft die ver afstaat van hun dagelijkse preoccupaties. Zie bijvoorbeeld: Paul Lazarsfeld, Bernard R. Berelson, Hazel Gaudet, The people’s choice: How the voter makes up his mind in a presidential campaign, New York, Duell, Sloan and Pearce, 1944; Angus Campbell, Philip Converse, Warren Miller & Donald Stokes, The American voter, New York, John Wiley, 1960.

[6] En de beperkte diversiteit daarbinnen: bijvoorbeeld een relatieve afwezigheid van arbeiders, een overtegenwoordiging van Parijzenaars, leeftijdsgenoten, mannen en – in mindere mate – hoogopgeleiden (ze bestaan echt!).

[7] Naast de geïncorporeerde (culturele habitus) en geobjectiveerde vorm (goederen als schilderijen, boeken, instrumenten, etc.) is geïnstitutionaliseerd cultureel kapitaal (titels, diploma’s, etc.) de derde verschijningsvorm van cultureel kapitaal die Pierre Bourdieu onderscheidt. Zie: Les trois états du capital culturel, Actes de la recherche en sciences sociales, Vol. 30, November 1979, p. 3-6.

Reacties op dit artikel (4)

  1. Goed dat Koen Damhuis terugkomt op het onderzoek van de 5 Rotterdamse sociologen over de PVV.

    Onderzoeks methodologisch blijkt er dus veel niet in de haak te zijn. Gezien de stellingen van het onderzoek die het karakter van ‘framen’ vertoonden deed dat ook wel vermoeden.

    Ik denk dat de politieke nederlandse situatie van de PVV anders is dan van het FN in Frankrijk.
    In Nederland is er met de PVV duidelijk sprake van de omkering van ‘progressieve’ waarden zoals ik in mijn reactie destijds op dit artikel heb laten merken:

    “Op sociaal economisch terrein maar ook op het gebied van ‘progessieve’ waarden heeft zich een politieke wending voorgedaan: de PVV is de partij geworden die opkomt voor de zwaksten in de samenleving en de oude progressieve partijen behoren thans tot het establishment.”

    De PVV is dus duidelijk geen one isue partij meer en heeft een duidelijk sociaal economisch begramma dat zelfs in de richting van de SP gaat zij het om een andere maatschappijvisie.
    Wilders heeft al vrij snel in de gaten gekregen dat zijn electoraat -Henk en Ingrid- toch vooral sociaal-economisch in het verdomhoekje zit: lagere inkomens, mensen die in slechte buurten wonen met veel allochtonen.
    Mensen die weinig arbeidsrechten hebben en vaak aangewezen zijn op de sociale voorzieningen.
    Ook voor de PVV is dit een omwenteling geweest aangezien Wilders uit de neoliberale VVD voortkomt.
    Thans is de PVV de grootste bestrijder van de opheffing van de ontslagbescherming en de verlaging van de AOW leeftijd.
    Ook het uitkleden van de AWBZ kan op veel verzet bij de PVV rekenen.

    Ik zou eigenlijk het omgekeerde durfen beweren: ‘progressieve’ en emancipatoire waarden van de arbeidersklasse worden juist door de PVV gediend. Het zijn n.b. ‘linkse’ partijen als de PvdA, D’66, GL en de CU die het thans op dit gebied volledig laten afweten.

    Het is uitermate kwalijk dat vermeende wetenschappers zich als dienstmaagd laten gebruiken voor de gevestigde ‘linkse’ politiek.
    Hulde daarom ook voor Koen Damhuis dat hij wetenschappelijke misleiding hier aan de kaak durft te stellen.

  2. Correctie:

    Moet natuurlijk zijn: verhoging van de AOW leeftijd

    “Thans is de PVV de grootste bestrijder van de opheffing van de ontslagbescherming en de verhoging van de AOW leeftijd.”

    Samengevat: progressieve waarden zijn juist wel belang voor PVV stemmers aangezien de ‘oude’ progressieve partijen zich op dit gebied niet meer sterk maken.
    De SP en de PvdD blijken dan nog de enige linkse progressieve partijen te zijn.

Reageer

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *