ANALYSE XL Moeten overheden zich wel bemoeien met het thuisgevoel van stadsbewoners?

De afgelopen decennia zette de overheid vol in op het creëren van lokale gemeenschappen in achterstandswijken. Ook tijdens de coronacrisis roept de overheid burgers op naar elkaar uit te reiken. Maar is gemeenschapsvorming wel altijd de oplossing en is het eigenlijk aan de overheid om zich daar zo indringend mee te bemoeien?

Aan de drang tot gemeenschapsvorming lagen door de jaren heen verschillende uitgangspunten en beleidsprogramma’s ten grondslag. In mijn proefschrift Building belonging. Affecting feelings of home through community building interventions laat ik zien dat pogingen tot gemeenschapsvorming niet altijd het beoogde resultaat hebben. Ze kunnen het thuisgevoel onder buurtbewoners versterken, maar kunnen ook uitsluiting en eenzaamheid in de hand werken.

Drie keer thuisgevoel in wijken

Op een regenachtige novemberdag stapt Willy in de bus, met een koffer vol dvd’s stevig tegen zich aan gedrukt. Vandaag gaat hij bij de Burengroep in Amsterdam zijn favoriete film E.T. vertonen. Als hij aankomt in het huis van de kwartiermaker zijn de anderen er allemaal al. Willy is blij dat iedereen die bij de Burengroep hoort ‘iets’ heeft, net zoals hij. Hij vertrouwt me toe dat hij nooit zou zijn gegaan als er alleen maar ‘normale’ mensen waren geweest. ‘Die hebben allerlei (voor)oordelen over je’, zegt hij. De aanwezigen, vandaag overwegend mannen tussen de veertig en vijftig jaar oud en allen met een verstandelijke beperking zoals Willy, kijken samen naar hoe E.T. thuis probeert te komen. Ik besef ineens dat er niet heel veel nodig is om een thuisgevoel te creëren onder mensen die soms behoorlijk geïsoleerd leven in de grote stad.

Op een andere plek in Amsterdam probeert de manager van een buurtrestaurant zijn gasten zover te krijgen dat ze vandaag van tafel wisselen, zodat ze ook eens kennismaken met andere mensen uit de buurt. De vaste bezoekers, die drie avonden per week voor drie euro een driegangenmenu nuttigen in het buurtrestaurant, verzetten zich hevig tegen de dwingende pogingen van de manager om hen te laten mengen met anderen. ‘We willen bij elkaar blijven zitten, Robert, maar jij probeert ons uit elkaar te drijven’, zegt Winny emotioneel voordat ze demonstratief het buurtrestaurant verlaat. Robert zucht en zegt tegen de rest: ‘Als je niet mee wilt doen, kom dan niet.’

In Hoofddorp is Liliane al vroeg bezig het speeltuintje op haar woonerf schoon te maken. Jongeren hebben die nacht weer zitten zuipen op het glijbaantje. Overal liggen lege flessen en glasscherven, terwijl dit speelplaatsje toch duidelijk bedoeld is voor kinderen. De zak vol scherven heeft ze mee naar binnen genomen en weggegooid. Vervolgens heeft ze de gordijnen voor haar keukenraam dichtgedaan om niet naar de moeders en kinderen te hoeven kijken die ’s middags in het speeltuintje zitten. Die zien haar toch niet staan, om van een bedankje maar te zwijgen. ‘Nee, ik voel me alleen thuis in mijn eigen huis’, zegt Liliane, ‘het woonerf is voor vrouwen met kinderen. En daar hoor ik nu eenmaal niet bij.’

Van buurtrestaurant tot bloemkoolwijk

Drie ogenschijnlijk verschillende situaties, maar allemaal voorbeelden van hoe het eraan toegaat in wijken waar, op initiatief of met ondersteuning van de overheid, gepoogd wordt specifieke groepen buurtbewoners aan elkaar te verbinden en hun thuisgevoel in de wijk te vergroten.

Tussen 2010 en 2018 heb ik drie van dit soort interventies van heel dichtbij gevolgd. Zo liep ik mee met het pilotproject Burengroepen, speciaal gericht op het ondersteunen van mensen met een verstandelijke beperking of psychiatrische problemen, met het doel hen samen een zelfredzame buurtgemeenschap te laten vormen.

Maandenlang heb ik drie keer per week gegeten bij een buurtrestaurant dat bruggen probeert te slaan tussen ‘oude’ en ‘nieuwe’ buurtbewoners in een Amsterdamse arbeiderswijk waar de laatste jaren steeds meer mensen met een Marokkaanse, Turkse, Antilliaanse of Surinaamse achtergrond zijn komen wonen.

Ook heb ik een jaar postgevat in twee zogenoemde bloemkool- of woonerfwijken, in de jaren zeventig en tachtig gebouwd om jonge families in een veilige, dorps aandoende gemeenschap in de stad te beschermen tegen de negatieve invloeden van het stadse leven.

Hoe bewoners deze pogingen ervaren

Met mijn etnografische onderzoek wilde ik meer leren over de motieven en manieren waarop beleidsmakers en maatschappelijke organisaties de sociale cohesie in (achterstands)wijken proberen te versterken. Maar vooral was ik benieuwd naar hoe bewoners die tot de doelgroep van deze interventies behoren deze pogingen ervaren. Versterkt een community building-interventie het thuisgevoel van betrokken stadsbewoners en beïnvloedt het inderdaad de sociale dynamiek tussen buurtgenoten?

Sociale wetenschappers, zoals Jan Willem Duyvendak, Nira Yuval-Davis en Ghassan Hage, hebben laten zien dat zowel thuisgevoel als gemeenschappen per definitie exclusieve, afgebakende fenomenen zijn. Mensen kunnen zich niet overal en bij iedereen thuis voelen. Thuisgevoel is te omschrijven als een gevoel van veiligheid en geborgenheid, het gevoel bij mensen te horen bij wie je jezelf kunt zijn en die je accepteren. Thuisgevoel en gemeenschapsgevoel gaan altijd gepaard met weten bij wie en waar je hoort, of juist waar je niet bij wilt horen.

In mijn onderzoek heb ik ook gekeken naar de mechanismen van insluiting en uitsluiting die een rol spelen bij het tot stand brengen van een lokale gemeenschap.

Liever in eigen haven dan geholpen worden

Bij de Burengroepen viel op dat bij het zelfredzaam maken van mensen met verstandelijke beperkingen en psychiatrische problemen met name die buurtbewoners opbloeiden en zich thuis begonnen te voelen die al over een vrij hoge mate van zelfredzaamheid beschikten. Mensen die met grote sociale angsten of zwaardere problematiek kampten, durfden letterlijk hun huizen niet uit, ook al deden de betrokken professionals hun uiterste best om hen erbij te betrekken.

In de praktijk bleek dat de meeste mensen die door de betrokken maatschappelijke organisaties benaderd werden om deel te nemen aan de Burengroepen, helemaal niet wilden meedoen. Zij kozen voor blijvende afzondering in hun eigen, veilige haven. Persoonlijke veiligheid en het gevoel van controle over hun eigen leven was voor hen vele malen belangrijker dan – ze zagen het zelfs als onverzoenbaar met – hun inbedding in een nieuwe gemeenschap en sociale contacten met onbekende anderen.

Terwijl de deelnemers van de Burengroepen al beschikten over een groot aantal sociale contacten en reeds meededen met andere buurtactiviteiten, waren de echt kwetsbare mensen met deze interventie nauwelijks geholpen. En zij wilden ook niet op deze manier geholpen worden.

Menging zorgde juist voor meer onderscheid

Het buurtrestaurant deed geforceerde pogingen om witte, Nederlandse bewoners uit de wijk in contact te brengen met bewoners met een niet-Nederlandse en niet-westerse achtergrond. Alhoewel het doel was culturele verschillen te overbruggen, werd het voor buurtbewoners met een niet-Nederlandse achtergrond bijna onmogelijk om zomaar het restaurant binnen te stappen, zonder als ‘anders’ of als bedreigend te worden gezien.

De grote nadruk op menging en het belang van het ‘omarmen van de vreemdeling’, zoals de betrokken professionals het noemden, zorgde eerder voor een groter onderscheid tussen de verschillende bevolkingsgroepen dan dat er culturele verschillen werden overbrugd en er een thuisgevoel tussen hen werd gecreëerd.

Sterker nog, hoe harder de maatschappelijk werkers probeerden de vaste groep witte, oudere Nederlanders contact te laten maken met etnische en culturele ‘anderen’, hoe meer zij hun gelederen sloten en zich verzetten tegen de pogingen van de restaurantmedewerkers om hun houding te veranderen.

Terwijl de saamhorigheid en het onderlinge thuisgevoel van witte, etnisch Nederlandse bezoekers bij ieder bezoek toenam, werd het voor bezoekers met een niet-Nederlandse achtergrond zo goed als onmogelijk om op gelijke voet deel te nemen aan de buurtdiners en zich een organisch onderdeel van de lokale gemeenschap te voelen. Er ontstond dus wel een sterke verbondenheid onder een bepaalde groep buurtbewoners, zij het op andere gronden dan de opbouwwerkers hadden gehoopt.

Minderheid stelt de norm in bloemkoolwijk

In de jaren zeventig en tachtig werden de woonerf- of bloemkoolwijken – verwijzing naar de kropvormige lay-out van de wijk, en de typische Nederlandse burgerlijkheid – speciaal gebouwd voor gezinnen in de stad. De dorpsachtige woonerven moesten ervoor zorgen dat families als een beschermde gemeenschap konden leven, afgeschermd van de gevaren en het ongezonde leven van de grote stad.

Veertig jaar na dato blijken de wijken nog steeds een mekka voor jonge gezinnen, ongeacht de onderlinge verschillen in culturele achtergrond, ras en klasse. Ondanks dat dit huishoudtype door de decennia heen in de minderheid is geraakt – de meeste bewoners in de bloemkoolwijken zijn tegenwoordig alleenstaande ouderen, echtparen zonder kinderen, of ouders met oudere kinderen – zijn jonge families nog steeds zichtbaar dominant in de wijk.

Gevoelens van uitgesloten, genegeerd of zelfs gepest worden in de buurt, zoals aangegeven door bewoners die niet tot de dominante groep behoren, zijn onloochenbaar en vaak schrijnend. Wat zij ook proberen, het lukt hun niet aansluiting te vinden bij de jonge families op de kleine besloten woonerven.

Je zou verwachten dat de meerderheid van niet-nucleaire huishoudens inmiddels meer zeggenschap heeft over hoe de publieke ruimte in deze wijken ingericht en gebruikt wordt, maar het tegendeel is waar. Ze passen zich nog steeds als vanzelf aan de informele omgangsvormen en leefstijl aan van de numerieke minderheid: de jonge gezinnen.

Het besef niet ‘organisch’ thuis te horen in deze wijk, levert bij veel bewoners zonder een familiehuishouden een gevoel van ongemak en ongenoegen op. Wat zij ook proberen om bij de lokale gemeenschap te horen, het is nooit goed genoeg. Gesteund en gefaciliteerd door de gebouwde omgeving van de woonerfwijk, heeft de minderheid van jonge gezinnen nog steeds het voorrecht van het thuisgevoel. Zij maken zich de publieke ruimte geheel eigen, ten koste van het thuisgevoel van de meerderheid van de bewoners.

Een wijk zo dwingend gebouwd voor een bepaalde groep bewoners, blijft ondanks de sterk veranderende demografische samenstelling ervan nog altijd voor een groot deel de sociale dynamiek bepalen.

Misschien exclusieve en veilige ruimtes te faciliteren?

De belangrijkste conclusie van mijn onderzoek naar interventies van professionele gemeenschapsvorming is dat de institutionele kaders van de interventie een doorslaggevende rol spelen in de manier waarop buurtbewoners elkaar beginnen te herkennen en op basis van welke eigenschappen zij zich veilig gaan voelen bij elkaar.

Als het doel is bewoners gezamenlijk zelfredzaam te maken, zullen de zelfredzamen elkaar vinden en elkaar gaan steunen. Als de interventie witte Nederlanders aanspoort ‘anderen’ te omarmen, dan gaan zij bewoners van kleur en met een niet-Nederlandse achtergrond daadwerkelijk zien en behandelen als ‘anderen’.

Als het doel is jonge gezinnen te beschermen en te verenigen, dan worden zij, ook als ze in de minderheid zijn, de norm in een wijk. Oftewel, degenen die het beste passen binnen het raamwerk van de interventie gaan ervaren dat zij ‘als van nature’ in de buurt thuishoren.

Ik wil niet beweren dat community building-interventies niet succesvol of belangrijk kunnen zijn. Maar zonder reflectie op de onderliggende aannames en de normatieve uitgangspunten van de interventies – over welke buurtbewoners extra ondersteuning nodig hebben bij het vormen van een gemeenschap en waarom – kunnen zij ongewild en onbedoeld bijdragen aan een sterk thuisgevoel van bepaalde bevolkingsgroepen in de samenleving ten koste van dat van andere.

Als gemeenschappen per definitie uitsluitend zijn, is het van belang om na te denken over de vraag of overheden zich überhaupt moeten bemoeien met het thuisgevoel en gemeenschapsleven van stadsbewoners. Misschien is het méér in het algemene belang als overheden zich ertoe beperken exclusieve en veilige ruimtes te faciliteren voor gemarginaliseerde en kwetsbare groepen binnen de samenleving, zodat deze op meer gelijke basis en op hun eigen manier kunnen deelnemen aan het dagelijks leven.

Fenneke Wekker is hoofd academische zaken bij het Netherlands Institute for Advanced Study (NIAS-KNAW). Ze is gepromoveerd in de politieke sociologie. Haar volledige proefschrift Building belonging (2020) is te downloaden.

Dit artikel verscheen in het winternummer van het Tijdschrift voor Sociale Vraagstukken.

 

Foto: Wijkvereniging Tuinwijk (Flickr Creative Commons)

Dit artikel is 1837 keer bekeken.

Reacties op dit artikel (1)

  1. Ik denk dat niet een of-of maar en-en conclusie meer recht doet aan de meerwaarde van community building.
    Wat wij leren in de publicaties van “wij in de wijk” is :
    – Een inclusieve wijk heeft verschillende activiteiten en ruimtes voor verschillende groepen. Niet een activiteit of buurthuis waar iedereen zich (in) thuis voelt.
    – Community building interventies hebben ook een onderbouwing nodig (reflectie en toepassen van kennis) over hoe het gewenste doel te bereiken, zoals andere typen interventies ook nodig hebben.
    – We zien dat bridging vaak een welkome bijvangst is ipv doel op zichzelf. Het directe doel van succesvolle community buildings interventies is soms zelfs kneuterig klein te noemen. En de bijvangsten van die kneuterigheid, de versterking van het gemeenschapsgevoel, is soms verrassend groot. De publicatie “wij in de wijk” beschrijft deze parels van interventies.
    Een buurtrestaurant waar mensen gedwongen worden te mengen is net zo weinig effectief als iemand dwingen spontaan te reageren.
    -De overheid kan de context wel degelijk versterken om te komen tot effectieve en doelmatige community building maar vraagt lange adem en toepassen van reeds bekende kennis. Beleidmakers en sociale profs die denken dat het gemeenschapsgevoel met opgelegde mengacties in de buurtresto zin heeft slaan de plank behoorlijk mis. Participeren met en ondersteunen van initiatieven van inwoners zelf en daar jaren ruimte aan geven heeft voor gemeenschapsvorming veel meer zin. In de recente publicatie “inclusieve burgermacht” wordt beschreven hoe dat eruit kan zien.

    Lou Repetur, programmaleider sociale basis bij Movisie.

Reageer

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *