Solidariteit kun je het best aan mensen zelf overlaten

Waar burgers elkaar in alle vrijheid opzoeken en verenigen, ontstaat solidariteit. Ook de overheid kan een vorm van saamhorigheid organiseren. Ze dient daarin echter veel terughoudender te zijn dan nu, anders ontneemt ze burgers elk initiatief om elkaar te ondersteunen.  

Een van de vele negatieve gevolgen van de huidige crisis is dat de solidariteit onder druk staat. Zo luidt althans de veelvuldig verkondigde mening in de media. Opmerkelijk is dat in de berichtgeving allerlei vormen van solidariteit lukraak door elkaar worden gebruikt; solidariteit tussen generaties, tussen burgers, tussen verschillende EU-lidstaten en saamhorigheid wereldwijd. Ook opvallend is dat vaak voorbijgegaan wordt aan de vraag door wie en hoe de solidariteit in de samenleving eigenlijk vormgegeven dient te worden.

Bedilzucht overheid is funest voor directe solidariteit

Waar staat solidariteit feitelijk voor? Grofweg kunnen twee vormen van solidariteit worden onderscheiden, een directe en indirecte. De directe variant krijgt gestalte in het private domein, tussen burgers onderling, wanneer ze op vrijwillige basis overeenkomsten sluiten en elkaar helpen. De indirecte vorm is meer het domein van de overheid. Via collectieve, verplichte arrangementen organiseert ze de sociale rechtvaardigheid binnen de samenleving en via internationale verdragen en ontwikkelingssamenwerking biedt ze steun aan de economische zwakkere landen in het eurogebied en daarbuiten.

Met de komst en de vervolgens forse uitbreiding van de verzorgingsstaat is in Nederland de nadruk verschoven van directe naar indirecte solidariteit. In de 19de eeuw waren mensen voor hulp nog vooral op elkaar en op private (kerkelijke) organisaties aangewezen. Geleidelijk echter zagen politici van verschillend politiek pluimage op het gebied van sociale wetgeving hier ook een taak voor de overheid weggelegd. Op de drempel van de 20ste eeuw werd het garanderen van een bestaansminimum voor mensen die buiten hun eigen schuld niet meer in hun dagelijkse behoeften konden voorzien daardoor een overheidstaak. Met een appel op sociale rechtvaardigheid werden in de loop de tijd steeds meer collectieve sociale voorzieningen in het leven geroepen. Het uiteindelijke gevolg was dat mensen voor vrijwel alles bij de overheid aanklopten en nauwelijks nog een beroep deden op hun omgeving. De overheid had immers overal een regeling of potje voor, betaald uit steeds hogere belastingen.

Liberalen onderschrijven ‘tot op zekere hoogte’ het belang van indirecte solidariteit. Vanuit die overtuiging gaven zij aan het einde van de 19de eeuw vol overtuiging de aanzet tot de eerste sociale wetgeving. Tegelijkertijd hebben liberalen zich steeds beducht getoond voor een overheid die van alles wil regelen en daarmee de individuele vrijheid, het eigen initiatief en de individuele verantwoordelijk geweld aandoet. De waakzaamheid voor een te grote overheid en een teveel aan indirecte solidariteit, komt voort uit het liberale mensbeeld dat ervan uitgaat dat mensen van nature sociale wezens zijn, die elkaar in alle vrijheid opzoeken, zich met elkaar verenigen en daar waar nodig elkaar ondersteunen.

Voor liberalen is het adagium dat de verbanden die mensen op vrijwillige basis met elkaar aangaan vele malen sterker zijn dan verbanden die hen van bovenaf aan worden opgelegd. Dat geldt ook voor solidariteit. Mensen die zich uit vrije keuze betrokken tonen met anderen uit hun veelal directe omgeving-zoals veelvuldig gebeurt- doen dit veel bewuster dan wanneer solidariteit via de overheid wordt opgelegd. Daar komt nog bij dat naarmate de afstand tussen mensen groter wordt, de directe solidariteit afneemt. Ze willen ter bestrijding van acute nood best wat geld overmaken naar een hulporganisatie, maar de handen uit de mouwen steken voor een ander, doen ze voornamelijk voor hun naasten.

Bij indirecte solidariteit is kans op misbruik relatief groot

De balans tussen directe en indirecte solidariteit is de laatste decennia als gevolg van de wildgroei aan verzorgingsstaatarrangementen te ver doorgeslagen richting indirecte solidariteit. Deze tendens is, ondanks de goede bedoelingen die achter deze collectieve arrangementen schuil gaan, desastreus voor de directe solidariteit tussen mensen in een samenleving. Waarom immers voor (tijdelijke) hulp bij de omgeving aankloppen als er ook een anoniem loket is waar hulp gratis verkrijgbaar is.

Sterker nog, waarom een gratis beroep op de directe omgeving doen, als de overheid een regeling heeft waarmee diezelfde hulp gesubsidieerd wordt. Neem bijvoorbeeld de bereidheid van grootouders om op hun kleinkinderen op te passen. Aanvankelijk gebeurde dit op vrijwillige basis in overleg tussen ouders en kinderen. Totdat de overheid een wettelijke regeling voor de tegemoetkoming in de kosten van de kinderopvang vaststelde. Toen gingen ook mensen die de opvang in hun eigen omgeving hadden geregeld, gebruik maken van de regeling en werd de onderlinge solidariteit effectief teniet gedaan.

Eenzelfde effect is opgetreden bij het Persoonsgebonden Budget (PGB). In beginsel een mooie regeling die mensen met een (tijdelijke) beperking in staat stelt zelfstandig in hun hulpvraag te voorzien. Echter, door zaken als huishoudelijke hulp en kleine hand- en spandiensten ook in aanmerking te laten komen voor financiering uit een PGB werd in toenemende mate het vanzelfsprekend klaarstaan voor elkaar volledig ondergraven. Waarom immers iets voor niets doen als de hulpvrager er budget voor kan claimen bij de overheid? Goed bedoelde overheidsmaatregelen gebaseerd op indirecte solidariteit kunnen met andere woorden een vernietigende uitwerking hebben op de directe solidariteit.

Mensen die solidariteit betrachten, verwachten niet meteen een tegenprestatie. Wel is er vaak de aanname dat wanneer de rollen zijn opgedraaid anderen ook voor hen klaarstaan. Deze wederkerigheid is op kleine schaal, individueel, veel beter invoelbaar en realiseerbaar dan op de grote schaal, collectief. Vanwege de schaal en de anonimiteit is het gevaar van misbruik bij indirecte solidariteit relatief groot. In het onderlinge contact tussen mensen is dat risico veel kleiner, omdat mensen elkaar kennen en elkaar op gedrag kunnen aanspreken.

Concluderend: liberalen voelen in beginsel meer voor de solidariteit die op vrijwillige basis tussen mensen onderling ontstaat. Ze erkennen nochtans dat er situaties zijn waar omwille van de sociale rechtvaardigheid de solidariteit beter via collectieve arrangementen kan worden georganiseerd. Daarbij moet overigens steeds zorgvuldig worden afgewogen of een collectieve regeling de directe solidariteit al dan niet schaadt en of mensen onderling het beoogde effect ook zelf en wellicht beter zouden kunnen bewerkstelligen.

Fleur de Beaufort is wetenschappelijk medewerker bij de prof.mr. B.M. Teldersstichting, het wetenschappelijk bureau ten behoeve van het liberalisme en de VVD.