Sterke arbeidsbescherming leidt tot hogere werkloosheid

De werkloosheid in Nederland is relatief laag, maar dat is geen enkele reden om achterover te leunen. Het starre arbeidsbestel vormt een ernstige bedreiging voor de toekomst. Invoering van het Deense ‘flexicuritymodel’ kan die bedreiging verminderen en de arbeidsparticipatie ten goede komen.

Met een percentage van 4,2 heeft Nederland de laagste werkloosheid in de Europese Unie. Op het eerste gezicht lijkt dat alle reden om tevreden te zijn. Maar: de jeugdwerkloosheid is in Nederland met meer dan 7 procent hoog en de werkloosheidsverschillen tussen de Randstad en andere landsdelen, vooral Noord-Nederland, zijn zeer aanzienlijk. Daarnaast ligt vanwege de eurocrisis een wereldwijde recessie op de loer die de werkloosheid gemakkelijk kan doen oplopen tot in dubbele cijfers.

Werkgelegenheidsbescherming in Nederland te hoog
Sommige zaken lijken zo vanzelfsprekend dat ze geen uitleg meer krijgen. Vaak leidt dat tot onbegrip en misverstanden. Dus voordat ik vertel waarom Nederland zijn voordeel zou kunnen doen met het Deense flexicuritymodel, eerst even de basics. Een werknemer levert voor het verhuren van zijn arbeidskracht vrije tijd in. In ruil daarvoor ontvangt hij een salaris. Met dat loon kan hij voorzien in de kosten van zijn levensonderhoud én andere goederen en diensten kopen en consumeren. Het salaris dat een werknemer ontvangt, vormt maar  een deel van de totale kosten die een werkgever bereid is te maken zolang deze door verkopen uit productie worden goed gemaakt. Bij tegenvallende verkopen, bijvoorbeeld door een terugval van de economie, kan het voorkomen dat de verdiensten niet langer opwegen tegen de kosten en dat de werkgever zijn werknemers wil ontslaan. Dat laatste kan in Nederland niet zomaar, want werknemers genieten arbeidsbescherming. Als ontslag vanwege de arbeidsbescherming niet mogelijk blijkt, wordt een werkgever dus gedwongen in te teren op zijn financiële reserves.

Met dat in het achterhoofd kan een werkgever bij zijn personeelsbeleid grofweg kiezen voor twee opties. Hij kan voor zekerheid kiezen door genoegen te nemen met lagere verdiensten door bij een opbloeiende economie minder werknemers in dienst te nemen dan wat potentiële productieverkopen rechtvaardigen. Of hij huurt in het geval van een gunstige conjunctuur wel extra mensen in en neemt  willens en wetens het risico dat hij bij een recessie moet interen op zijn financiële reserves omdat hij mogelijkerwijs meerwerknemers heeft dan de productieverkopen legitimeren.

Deens model biedt minder bescherming maar wel meer werk
In vergelijking met Nederland is de werkgelegenheidsbescherming in een land als Denemarken veel zwakker. Dat wil zeggen dat werkgevers in dit Scandinavische land mensen bij economische tegenspoed gemakkelijker kunnen ontslaan. Ook zijn de  werkloosheidsuitkeringen er lager, zodat de prikkel voor een werkzoekende met uitkering om een baan te accepteren er sterker is dan in Nederland. Daar staat tegenover dat, vanwege de lagere brutoloonkosten, Deense- werkzoekenden bij economisch herstel ook weer  sneller in dienst worden genomen. Tenslotte wordt in het Deense flexicuritymodel vergeleken met het Nederlandse arbeidsbestel aanzienlijk meer geld geïnvesteerd in actief arbeidsmarktbeleid.- En dit voorkomt dat de sociaal onwenselijk situatie ontstaat dat werkloze werknemers langdurig moeten rondkomen van een uitkering. Door werkloos geworden werknemers te activeren, bijvoorbeeld met omscholing, wordt geprobeerd ze zo snel mogelijk in het arbeidsproces te laten terugkeren, bij voorkeur in een normaal betaalde baan.

Uit de nationale en regionalearbeidsmarktgegevens van tien Europese landen, verkregen via Eurostat (de organisatie die Europese Unie voorziet van goede statistische informatie) en de OECD (Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling) is een model opgesteld om de diverse Europese arbeidsbestellen met elkaar te kunnen vergelijken. Ze bestaat uit drie elementen: werkloosheid, arbeidsparticipatie en werkgelegenheidsgroei. Het model is zodanig opgezet dat, in tegenstelling tot eerdere onderzoekingen, zowel vraag- als aanbodschokken op de arbeidsmarkt gesimuleerd kunnen worden. Vervolgens is aan de hand van dit model bepaald naar welke nieuwe evenwichtswaarden Nederlandse regionale economieën convergeren als de Nederlandse arbeidsmarktinstituties gelijk worden gesteld aan die in Denemarken. Op lange termijn blijkt na invoering van het Deense flexicuritymodel een werkloosheidsvoet te kunnen worden gerealiseerd die bijna 1,5 procent-punt lager ligt dan in de huidige situatie. De participatiegraad stijgt met iets meer dan 2 procent-punten, en de werkgelegenheidsgroei met iets meer dan 1 procent-punt.

Het flexicuritymodel in Denemarken kent een lange historie en kan niet van de ene op de andere dag naar Nederland worden gekopieerd. Bovendien zal de uitvoering hier te lande vanwege het actieve arbeidsmarktbeleid in het begin met hogere kosten gepaard gaan en tot  hogere belasting- en premiedruk leiden. De wellicht grootste uitdaging zit verankerd in het Nederlandse arbeidsbestel zelf. Er bestaat een gerede kans dat de vakbeweging zich zal verzetten tegen vermindering van de ontslagbescherming en de verlaging van de  werkloosheidsuitkeringen. Daarnaast is verzet te verwachten van werkgevers en overheid tegen hogere uitgaven aan actief arbeidsmarktbeleid, omdat ze het begrotingstekort verder kunnen doen oplopen.

Ondanks al de mogelijke mitsen en maren, kan het Deense model een nuttige leidraad zijn bij het vormgeven van toekomstig arbeidsmarktbeleid zodat de eerder genoemde onevenwichtigheden tussen jong en oud en regio’s kunnen verdwijnen.

J.Paul Elhorst is bijzonder hoogleraar Regionale Economie aan de Universiteit van Groningen. Het onderzoek naar het Deense flexicurity systeem is uitgevoerd samen met Ayolt de Groot. Het volledige, Engelstalige artikel is te downloaden op de website www.regroningen.nl/elhorst.

 

 

 

Dit artikel is 1305 keer bekeken.

Reacties op dit artikel (5)

  1. Dit is een puur economisch verhaal dat de problemen niet wegneemt als het gaat om langdurig werklozen. Ik doel dan op het feit dat, met name oudere werklozen, door werkgevers met de nek worden aangekeken. Stimuleringsmaatregelen van de overheid hebben weinig of geen effect. Werkgevers in Nederland (en Denemarken?) kiezen nog steeds massaal voor jongeren. Aan de andere kant behoren werknemers meer dan ooit zich te realiseren dat voortdurende scholing en vorming essentieel is voor hun positie op de arbeidsmarkt, zeker nu we langer moeten gaan werken. It’s take two to tango heer Elhorst.

  2. Wat ik me afvraag: hoe werkt deze vorm van flexibilisering van de arbeidsrelaties door in de mate van beroepsspecialisatie van de Nederlandse werknemer? Meer flexibele arbeidsverhoudingen resulteren over het algemeen in een beroepsbevolking die een mindere mate van beroepsspecialisatie heeft, meer generalistisch wordt, teneinde snel te kunnen schakelen. Zijn dergelijke consequenties meegenomen in het onderzoek, en zo ja, wat zijn die consequenties? Moet Nederland het juist niet hebben van die hoge mate van beroepsspecialisatie die het resultaat is van ontslagbescherming?

  3. Dit is wel een heel erg eenzijdige weergave van de feiten. Flexicurity heeft namelijk twee duidelijke gevolgen daar waar het is ingevoerd (zoals in het Hartz-model in Duitsland). Een: de ongelijkheid neemt fors toe. Flexicurity is immers een gunstig element voor ‘elite’ werknemers – zeer hoog opgeleid personeel met unieke competenties, mobiel en overal inzetbaar met hoge meerwaarde – omdat de flexibiliteit van de (flexibele) loonafspraken in het voordeel spelen van de zeldzame en daardoor dure ‘producten’ op de arbeidsmarkt. Diezelfde flexibiliteit (afschaffing vaste barema’s en minimumwedden, flexibiliteit van het tewerkstellingsvolume FTE enz) in het nadeel spelen voor zwakkere werkkrachten op de arbeidsmarkt. Concreet: managers verdienen meer in een flexicurity systeem, truckchauffeurs minder.

    Twee, daardoor zien we een spectaculaire toename van de ‘working poor’ in bijvoorbeeld Duitsland en de VS. Er zijn in Duitsland ruim een miljoen nieuwe banen geschapen (in die zin ‘schept felxicurity werk’, ja). Maar nagenoeg AL die banen zijn deeltijds en/of tijdelijk, en de verloning is dramatisch laag. Daardoor heb je mensen – véle mensen – die twee of meer banen combineren en toch nog onder de armoedegrens leven.

    Al deze dingen zijn al geruime tijd uitvoerig gedocumenteerd in diverse studies van de Europese Vakbeweging en andere kritische studiediensten. Ook de grote media maken er herhaaldelijk gewag van. Heel veel informatie hierover is te vinden op de sociale nieuws-site http://www.dewereldmorgen.be.

    Het punt is dit: in een flexicurity wordt ‘werk’ losgekoppeld van ‘welvaart’. Daar waar ‘werk hebben’ tot nu toe synoniem stond voor min of meer volwaardige deelname aan de welvaart, is dit in een flexicurity systeem veel minder het geval. men heeft wel ‘werk’, maar men is niettemin arm.

    De dualiserende effecten van flexicurity, en dan zeker de duidelijke (en causaal volstrekt éénduidige) band tussen flexicurity en de toename van armoede – dat zijn dingen die men in iedere discussie over dit thema in aanmerking moet nemen. ‘het scheppen van werk’ staat niet langer gelijk met ‘het scheppen van welvaart’. Elk verhaal dat enkel de ‘werk’-aspecten belicht zonder het ‘welvaarts’-aspect erbij te betrekken vervalst in feite het debat. Precies dat is een groot probleem in de discussies over flexicurity.

Reageer

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *