Stigma’s bijstandsgerechtigden blijven onderbelicht bij beleidsmakers en professionals

Stigma’s over bijstandsgerechtigden blijven vaak onderbelicht bij beleidsmakers en professionals in het sociaal domein, schrijft onderzoeker Amber Vellinga-Dings. Met de wetswijziging Participatiewet in balans wordt een poging gedaan de bijstand eenvoudiger, menselijker en eerlijker te maken.

‘Nu word ik zo’n luie uitkeringstrekker, dat kan toch niet?’ Die gedachte schoot door het hoofd van een alleenstaande moeder van drie jonge kinderen toen ze bijstand moest aanvragen. Ze had altijd hard gewerkt en was opgevoed met het idee dat je je eigen geld verdient; over mensen in de bijstand had ze altijd een negatief beeld gehad.

Het beleid dat heeft ingezet op ‘eigen verantwoordelijkheid’ en ‘zelfredzaamheid’ versterkt het negatieve beeld over bijstandsgerechtigden

Een opeenstapeling van gebeurtenissen bracht haar in een kwetsbare positie. Haar relatie liep stuk, haar jongste zoon werd geboren met een genetische hersenafwijking en door een brand verloor zij onverwacht haar baan. In diezelfde periode kreeg zij, als slachtoffer van het toeslagenschandaal, te horen dat zij kinderopvangtoeslag moest terugbetalen. Zonder werk en met oplopende schulden moest ze zelf een beroep doen op de bijstand. Die stap ervoer zij als diep pijnlijk, beladen met schaamte en stigma – gevoelens die voor veel mensen herkenbaar zijn en vaak nog lang na de aanvraag blijven doorwerken. Het gevoel tekort te schieten, te falen, of zelfs een mislukkeling te zijn.

Stigma’s

De afgelopen jaren heb ik onderzoek gedaan naar stigma’s die bijstandsgerechtigden ervaren, en hoe zij met deze stigma’s omgaan. In een samenleving waarin meritocratische denkbeelden sterk doorklinken – het geloof dat succes vooral een kwestie is van hard werken en eigen inzet – kleeft er al snel een negatief beeld aan mensen die in de bijstand zitten. Het beleid dat afgelopen jaren hoofdzakelijk heeft ingezet op ‘eigen verantwoordelijkheid’ en ‘zelfredzaamheid’ versterkt dat beeld.

Populaire tv-programma’s laten slechts een klein en vaak eenzijdig deel van de werkelijkheid zien

Mensen die ondersteuning nodig hebben, worden gezien als zij die persoonlijk tekort schieten, geen verantwoordelijkheid nemen of simpelweg lui zijn. Populaire tv-programma’s, zoals Rutger en de uitkeringstrekkers, laten slechts een klein en vaak eenzijdig deel van de werkelijkheid zien, maar hebben wel een groot effect op de meningsvorming over bijstandsgerechtigden. De complexiteit van het leven in de bijstand en de diversiteit van de mensen die ervan afhankelijk zijn, raken daarbij uit beeld.

Die simplistische stereotyperingen blijven niet zonder gevolgen. Voor mensen in de langdurige bijstand kunnen ze leiden tot een slechtere ervaren gezondheid, gevoelens van schaamte en stress en verlies van eigenwaarde (onder andere Collins, 2005; Underlid, 2007; Tyler, 2020). Op den duur nemen mensen het beeld dat anderen van hen lijken te hebben (‘perceived stigma’) over en betrekken het als waarheid op zichzelf (‘internalized stigma’). Zodra dat maatschappelijke oordeel van buitenaf een innerlijke overtuiging wordt, vervaagt het zelfbeeld (Wong & Tsai, 2007; Kampen et al., 2013).

Veerkracht

In de gesprekken die ik voerde met 29 langdurig bijstandsgerechtigden blijkt stigma dan ook een terugkerend en bepalend thema. Mensen ervaren het op verschillende fronten: in de publieke sfeer – via politieke discussies, mediabeelden of de manier waarop instanties hen benaderen – maar ook in hun persoonlijke omgeving. Zo vertelde een alleenstaande man van middelbare leeftijd dat zelfs zijn broer hem was gaan zien als ‘iemand die zijn handje ophoudt’. Een ander gaf aan dat een vriend de vriendschap beëindigde toen duidelijk werd dat hij een bijstandsuitkering ontving.

Het inzicht dat zij geen ‘luie uitkeringstrekkers’ zijn, had een voelbaar positief effect op hun zelfbeeld

Toch kwam tijdens de gesprekken ook veel veerkracht naar voren. Na jaren van worstelen met hun zelfbeeld – en bovenal met allerlei andere moeilijkheden die het leven bracht – ontstond bij velen het besef dat hun beroep op de bijstand niet voortkwam uit persoonlijk falen. Ze zagen in dat hun gezondheid hen niet in staat stelde om (betaald) te werken, dat het systeem of het beleid grenzen kent, en dat zij op dat moment vaak andere betekenisvolle rollen vervulden, zoals intensieve mantelzorg of zorg voor kinderen. Het inzicht dat zij geen ‘luie uitkeringstrekkers’ of ‘nietsnutten’ zijn, maar mensen die ziek zijn, zorgen, of op andere manieren bijdragen, had een voelbaar positief effect op hun zelfbeeld en op hun dagelijks leven.

Waardevolle bijdragen

Het is essentieel dat bijstandsontvangers ondersteuning krijgen bij het erkennen en waarderen van de rollen die zij wél vervullen. Dat kan helpen om het vaak eenzame proces van jarenlang worstelen met het stigma van ‘uitkeringstrekker’ te verzachten of zelfs te voorkomen. Dat kan al op een heel laagdrempelige manier. Werkcoaches kunnen bijvoorbeeld tijdens de intake na een bijstandsaanvraag bewust stilstaan bij de betekenisvolle rollen die iemand vervult – als ouder, kind, vrijwilliger, mantelzorger of buurtgenoot – en deze expliciet als zodanig te benoemen en erkennen. Ook sociaal werkers kunnen tijdens huisbezoeken of in hun reguliere begeleiding meer aandacht besteden aan deze waardevolle bijdragen. Een uitspraak als: ‘Je ziekte vraagt nu zoveel van je dat betaald werk simpelweg niet haalbaar is – en dat is oké’, kan voor iemand enorm veel betekenen. Het woord ‘ziekte’ kan in zo’n gesprek worden vervangen door ‘studie’, ‘herstel’, ‘mantelzorg’ of iedere andere vorm van inzet die past bij iemands situatie.

De situatie van bijstandsgerechtigden is zelden het resultaat van individuele keuzes

De beste remedie zou natuurlijk zijn om de stigma’s rond het ontvangen van een bijstandsuitkering volledig uit onze samenleving te bannen. Dat is niet realistisch, al groeit het besef dat individuele problemen niet altijd bij het individu zelf vandaan komen.

Nieuwe wetgeving

In zijn boek Armoede uitgelegd aan mensen met geld laat Tim S’ Jongers zien dat een belangrijk deel van de verantwoordelijkheid voor armoede ligt bij de ‘knoppendraaiers’ – beleidsmakers en bestuurders die met hun besluiten ingrijpende invloed hebben op het leven van mensen met weinig middelen. Diezelfde dynamiek speelt ook bij bijstandsgerechtigden: hun situatie is zelden het resultaat van individuele keuzes, maar wordt in belangrijke mate gevormd door de systemen en structuren waarvan zij afhankelijk zijn. Zulke inzichten zijn essentieel om stigma’s te verminderen. En dat is cruciaal voor het versterken van het zelfbeeld en het vergroten van het welbevinden van mensen die een beroep doen op de bijstand.

Nieuwe wetgeving, zoals de Participatiewet in balans die sinds dit jaar gefaseerd wordt ingevoerd, biedt daarbij een eerste stap in de goede richting. Het doel ervan is om de bestaanszekerheid te versterken en de uitvoerbaarheid voor gemeenten te verbeteren. Uitvoeringsprofessionals krijgen meer ruimte om maatwerk te bieden, en de ‘tegenprestatie’ wordt vervangen door ‘maatschappelijke participatie’. Daarmee wordt een bredere vorm van deelname aan de samenleving erkend. Hopelijk leidt dat tot meer waardering voor mensen in de bijstand – door beleidsmakers, uitvoerders, de samenleving én door de bijstandsgerechtigden zelf.

Amber Vellinga-Dings is promovendus sociologie aan de Rijksuniversiteit Groningen. Sinds 2020 verdiept zij zich in de leefwereld van mensen die (langdurig) bijstand ontvangen. In haar onderzoek kijkt zij specifiek of de GRIP&GLANS-groepscursus aansluit bij hun behoeften en in hoeverre deze cursus kan bijdragen aan meer regie en welbevinden. Medio januari publiceerde zij over dit thema het onderzoek 'Responses to Welfare Stigma in the Netherlands: The Importance of Developing a Non-stigmatised Identity'

 

Foto: Joe Shlabotnik (Flickr Creative Commons)

Dit artikel is 948 keer bekeken.

Reacties 1

  1. In 1965 kreeg ik binnen de opleiding sociologie colleges over de toen ingevoerde bijstandswet van minister Marga Klompé (KVP!). De les werd gegeven door kamerlid van Dijk (VVD!), die enthousiast vertelde dat de gunst van de armenwet werd omgezet in recht op bestaanszekerheid.
    Van 1978 tot 1990 was ik wethouder sociale zaken. Ik bezocht vaak het Ministerie en heb gemerkt dat rond 1985 de nieuwe generatie academisch geschoolde ambtenaren niet langer empathie vertoonden met de groepering uitkeringsgerechtigden. Op lokaal niveau waren gedecentraliseerde ambtenaren van het Ministerie (‘rijksconsulenten’) actief met het aanscherpen van het sanctiebeleid (client heeft niet genoeg gesolliciteerd: op de plank zetten met 30% korting op diens uitkering). Sociale rechercheurs werden gratis aangeboden aan gemeenten.
    Ik heb me op lokaal niveau lang kunnen verzetten tegen deze werkwijze- met hulp van staatsecretaris Ien Dales(PvdA) , maar de algehele verharding was definitief toegeslagen.
    Ik wil maar zeggen: wat Amber signaleert in haar sympathieke studie is ingezet rond 1985 en sindsdien niet minder geworden.
    Wetswijzigingen zijn relevant maar waarden en normen blijven dominant. Die zijn moeilijk te “wijzigen”.

Reageer

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *