Van Rijn negeert diagnose en aanbeveling van Gezondheidsraad: investeer in kennis voor sociaal werk

Vandaag debatteert de Kamer over het advies van de Gezondheidsraad over het investeren in kennis voor het sociaal werk. De hoogleraren Evelien Tonkens en Jan Willem Duyvendak betogen dat uitvoering van de Wmo veel meer nodig heeft dat dan Van Rijn nu voor ogen heeft.

Staatssecretaris Van Rijn van het ministerie van VWS vroeg de Gezondheidsraad om advies over de vraag ‘Hoe kunnen onderzoek, praktijk en onderwijs worden samengebracht in een samenhangend, zichzelf instandhoudend systeem van kennisontwikkeling, kenniscirculatie en kennisimplementatie, dat een hoogwaardige beroepsuitoefening in het kader van de Wmo bevordert?’ Belangrijkste aanbeveling van de Gezondheidsraad aan de staatssecretaris was het uitvoeren van een substantieel meerjarig stimuleringsprogramma ’Maatschappelijke ondersteuning’. Dat zou hard nodig zijn in een sector die een cruciale rol speelt in de transformatie, maar die worstelt met een onderontwikkeld kennisdomein. Helaas negeert de staatssecretaris de diagnose van de Gezondheidsraad en slaat hij haar belangrijkste aanbeveling in de wind.

Sociaal werk heeft cruciale rol in transformatie

De transformatie van het sociale domein is overal in het land in volle gang. Doel is dat vragen en problemen vroegtijdig worden gesignaleerd en opgelost om gespecialiseerde zorg zoveel mogelijk te voorkomen. Burgers moeten beter voor zichzelf en voor elkaar zorgen. Individuele zorg moet waar mogelijk plaats maken voor collectieve voorzieningen en slimme arrangementen. En de focus moet verlegd van problemen naar mogelijkheden en talenten van de burger. In deze transformatie speelt het sociaal werk een cruciale rol als aanjager van de Kanteling. De MOgroep heeft in haar campagne ‘Sociaal Werk doe je met Sociaal Werkers’ kort en krachtig uitgelegd wat sociaal werkers doen.

Maar alle veranderingen impliceren dat sociaal werkers anders moeten werken van voorheen. Ze moeten bijvoorbeeld meer aan vraagverheldering doen en de omslag maken van zorgen voor naar zorgen dat. Natuurlijk zijn er uitzonderingen, maar over het algemeen heeft het sociaal werk grote behoefte aan meer professionalisering. Er zijn weinig vervolgopleidingen ontwikkeld en de budgetten van welzijnsorganisaties voor deskundigheidsbevordering zijn beperkt. Oorzaken zijn het ontbreken van solide wetenschappelijke kennis, gebrek aan steun van de overheid en sterk wisselende verwachtingen van de overheid van het sociaal werk. Bovendien heeft de beroepsgroep zich zelf weinig georganiseerd en te weinig gewerkt aan kennisontwikkeling en een krachtige beroepsorganisatie.

Investeringen in innovatie zijn in de medische sector aanzienlijk

In tegenstelling tot andere sectoren, ontbeert de sociale sector een samenhangend, onafhankelijk kennissysteem. In Nederland hebben alle acht medische faculteiten en academische ziekenhuizen zich verenigd in universitair medische centra (umc’s). De umc´s kunnen rekenen op een aanzienlijke structurele overheidsbijdrage voor onderwijs en onderzoek: in 2010 zo’n anderhalf miljard euro. Inmiddels hebben de umc’s zich ontwikkeld tot, ook internationaal gezien, succesvolle motoren van medische innovatie. Mede door de investeringen in de umc’s is de intensiteit van research and development in de Nederlandse gezondheidszorg hoog in vergelijking met die in de rest van de publieke sector. In de gezondheidszorg wordt jaarlijks zeker drie procent aan innovatie uitgegeven, nog afgezien van de investeringen van private partijen zoals farmaceutische bedrijven. In het onderwijs bijvoorbeeld gaat het om een schamele 3,5 promille.[1] Hoeveel er in de gedecentraliseerde sociale sector in innovatie wordt geïnvesteerd, is helaas niet bekend.

Sociaal werk behoeft meerjarig stimuleringsprogramma

Om haar ambities waar te maken en optimaal bij te dragen aan de transformatie van het sociale domein, heeft het sociaal werk een krachtige beroepsorganisatie en landelijke kennisaccumulatie met universitaire betrokkenheid nodig. Die landelijke kennisaccumulatie dient zich te onderscheiden door samenhang en synergie en zich te richten op verspreiding en toepassing van bewezen werkzame kennis en moet gestoeld zijn op en lange-termijnvisie en op stabiele financiering.

De belangrijkste aanbeveling in het advies ‘Sociaal werk op solide basis’ van de Gezondheidsraad aan de staatssecretaris luidt: maak een substantieel meerjarig stimuleringsprogramma ‘Maatschappelijke ondersteuning’, onder deskundige regie, uitgevoerd door een onafhankelijke, intermediaire organisatie op landelijk niveau, te bekostigen door de rijksoverheid en gemeenten. Op deze wijze wordt gezorgd voor de broodnodige professionalisering in een sector met een onderontwikkeld kennisdomein ten gevolge van onderinvestering door de overheid.

Het belang van onafhankelijke kennisproductie

In zijn reactie op het advies van de Gezondheidsraad zegt de staatssecretaris dat hij de subsidie voor de WMO-werkplaatsen wil voortzetten en dat gemeenten meer invloed krijgen op de programmering van kennisinstituten, omdat zij verbindingen in het sociale domein leggen ‘teneinde te komen tot een integrale aanpak van problemen van mensen’. Daarom moeten zij volgens hem ondersteuning krijgen van kennisinstituten, die zich tot nu toe vooral richten op professionals en aanbieders. Samen met de VNG wil de staatssecretaris afspraken maken over vernieuwing van de kennisinfrastructuur voor het veld.

De staatssecretaris negeert de diagnose van de Gezondheidsraad en legt alle verantwoordelijkheid bij sociaal werkers en gemeenten en kennisinstituten. Geen nieuwe investeringen, geen investeringsplan. De staatssecretaris beperkt zich tot handhaving van bestaand beleid, zoals voortzetting van de op hogescholen en kennisinstituten gerichte WMO-werkplaatsen, terwijl in het advies van de Gezondheidsraad duidelijk beargumenteerd wordt waarom dit beleid niet volstaat: universitaire betrokkenheid ontbreekt, waardoor het wetenschappelijk gehalte van de WMO-werkplaatsen beperkt is.

Het advies van de Gezondheidsraad benadrukt het belang van de onafhankelijkheid van kennisproductie. De staatssecretaris daarentegen koerst af op een grotere afhankelijkheid door gemeenten, en wil cliënten en organisaties een grotere rol geven in het bepalen van de kennisagenda. Daar komt nog bij dat projectsubsidies van VWS teruglopen. Al met al lijkt het ministerie van VWS zijn handen van welzijn en van preventie in het sociale domein af te trekken onder het mom van: ‘Daar gaan wij niet meer over na de decentralisaties. Succes gemeenten!’

Zorgelijk: investeringen in preventie vinden te weinig gehoor

Vanuit het veld komen tal van signalen dat gemeenten hun uiterste best doen om alles goed geregeld te krijgen. Maar ook dat pleidooien voor investeringen in preventie te weinig gehoor krijgen, omdat de kosten voor de baat uitgaan. Dit baart ons grote zorgen. Veel gemeenten investeren vooral in individuele zorg en hebben veel te hoge verwachtingen van preventie door eigen kracht en buurtkracht zonder – of met beperkte – professionele ondersteuning.

Het advies Sociaal werk op solide basis beargumenteert waarom de overheid initiator en supporter van vernieuwing moet zijn. Al is het maar om financiële redenen: als straks de kosten de pan uitrijzen omdat preventie is wegbezuinigd, schieten de problemen als een boemerang naar VWS terug.

Evelien Tonkens is hoogleraar burgerschap en humanisering van de publieke sector aan de Universiteit voor Humanistiek in Utrecht. Saskia Keuzenkamp is bijzonder hoogleraar Emancipatie in internationaal vergelijkend perspectief aan de Vrije Universiteit. Jan Willem Duyvendak is faculteitshoogleraar aan de Universiteit van Amsterdam.
Evelien Tonkens maakte deel uit van de commissie die het advies ‘Sociaal werk op solide basis’ van de Gezondheidsraad opstelde.

Referentie:
  1. `Naar een lerende economie. Investeren in het verdienmodel van Nederland´ van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid. Amsterdam University Press; 2013.

 Foto: VVBAD (Flickr Creative Commons)

Dit artikel is 898 keer bekeken.

Reacties op dit artikel (1)

  1. Misschien is het wat gemakkelijk om het Rijksinfuus te willen opendraaien. Als preventie financieel gunstiger is dan het schrappen ervan (of het ‘ondeskundig’ toepassen van preventiemaatregelen), dan zou er een verdienmodel te verzinnen moeten zijn waarmee preventie en het onderzoek daarnaar betaald kan worden. Een oliemaatschappij geeft eerst veel geld uit omdat er straks opbrengsten zijn. De aandeelhouder schiet dat geld voor.
    Wie zijn de aandeelhouders van het sociale domein? Hoeveel zekerheid kunnen Tonkens en Duyvendak bieden op ‘value for money’? Hoe bewijs je dat preventie loont? Daar moet je eens een paar mensen voor bij elkaar zetten.
    Dan zal ook wel duidelijk worden wat voor onderzoek we nodig hebben. Nu is er een markt van ‘lullen over de markt van welzijn en geluk’ ontstaan die mij als ingewijde al niet erg enthousiasmeert. Dus zullen de aandeelhouders ook niet staan te trappelen.

Reageer

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *