Veranderende arbeidsmarkt vraagt om aanpassing mbo

Als gevolg van technologische ontwikkelingen zullen er naar verwachting veel banen in het middensegment verdwijnen en van aard veranderen. Wat betekent dit voor mbo’ers, en hoe schatten zij zelf hun kansen in? Het SCP vroeg het betrokkenen. De meerderheid is onzeker. Weet het mbo flexibel in te spelen op veranderende eisen?

Het SCP interviewde docenten, leidinggevenden, studenten, en oud-studenten van het mbo. Daarnaast werd gesproken met vertegenwoordigers van de sectorkamers, die een intermediaire rol vervullen tussen het mbo en de arbeidsmarkt. We vroegen deze betrokkenen naar hun mening over het vermogen van het mbo om snel in te spelen op veranderingen; wat studenten nodig hebben om nu en in de toekomst aan het werk te komen en te blijven; en welke zorgen ze hebben als het om het mbo gaat en de toekomst van mbo-gediplomeerden.

Veel mbo-studenten maken zich zorgen

Onzekerheid over de werkgelegenheid in het middensegment heeft een uitwerking op de mbo-studenten. Meer dan de helft maakt zich zorgen over hun eigen toekomst; 43% doet dat soms, 13% vaak. Ze zijn er niet gerust op dat er straks werk voor hen is (ruim 60%), of dat ze hun baan kunnen behouden (30%). Verder heeft bijna 40% zorgen over hun verdiencapaciteit en bijna 30% twijfelt alsnog over hun gemaakte opleidingskeuze.

Toch vertrouwt een meerderheid (60%) van de studenten er op dat er voor echte vakmensen altijd werk zal zijn. De docenten en leidinggevenden in het mbo zijn daarover nog positiever dan de studenten (80%). Vrijwel allemaal vinden zij bovendien dat vakmanschap de kern van het mbo is en blijft (90%).

Veel mbo’ers willen verder studeren

Mbo-studenten lijken goed te beseffen dat één diploma niet meer volstaat om ook in de toekomst aan het werk te blijven. Meer dan 80% wil dan ook na de huidige opleiding of later in de loopbaan verder leren. De voornaamste reden om direct na de huidige opleiding verder te leren, is dat men een diploma op hoger niveau wil halen (60%). Als studenten zeggen later nog een opleiding te gaan volgen, is dat vooral om zich verder te ontwikkelen (60%), of om ander werk te gaan doen (35%).

Vooral zorgen over mbo2

Docenten en leidinggevenden in het mbo bleken zich vooral zorgen te maken over de toekomst van mbo’ers op niveau 2. Men denkt dat er juist op dat niveau veel werk zal verdwijnen, en dat de eisen van de arbeidsmarkt voor hen te hoog komen te liggen. Voor de hogere mbo-niveaus vreest men voor verdringing door hbo-opgeleiden.

Het mbo is nog te aanbodgericht

Hoe speelt volgens de geïnterviewde betrokkenen het mbo in op de veranderingen? Dat is nog onvoldoende het geval menen de meesten. Men vindt dat het mbo veel flexibeler zou moeten zijn dan nu het geval is. Er wordt wel samengewerkt met het (regionale) bedrijfsleven en kennisinstellingen als hbo en universiteit, maar men is nog zoekende naar meer samenwerking en naar een betere invulling van bestaande relaties.

Twee vijfde van alle mbo-professionals vindt het mbo nog te veel aanbodgericht. Het opleidingsaanbod wordt weliswaar geactualiseerd en is soms ook innovatief, maar dit kan beter. Kennisuitwisseling en professionalisering van docenten, die van belang zijn voor de kwaliteit en borging van actualiteit en vernieuwing in het mbo, is nog veel te vrijblijvend.

Breed scala aan vaardigheden is nodig

Gedurende hun mbo-opleiding doen studenten een mix van kennis en vaardigheden op waarmee ze een goede start op de arbeidsmarkt moeten kunnen maken. Alle betrokkenen zijn het erover eens dat mbo’ers een breed palet aan vaardigheden nodig hebben, zowel voor een goede start op die veranderende arbeidsmarkt als voor hun toekomstige inzetbaarheid. Vakkennis en vakvaardigheden zijn en blijven heel belangrijk, maar doorzettingsvermogen, samenwerken, communiceren, probleemoplossend vermogen en kritisch denken, worden even belangrijk gevonden.

Geleerde vaardigheden blijven relevant

Mbo-professionals kunnen nauwelijks verschil aanbrengen tussen het palet nodig voor de start op de arbeidsmarkt en het palet voor blijvende inzetbaarheid. Men heeft vanwege alle verwachte veranderingen op de arbeidsmarkt nog geen goed zicht op vereiste vaardigheden op de lange termijn.

Oud-studenten laten daarentegen zien dat de vaardigheden die zij in hun (eerste) baan nodig hebben door de jaren heen vrij robuust zijn, ondanks dat de arbeidsmarkt en het werken in de verschillende branches soms sterk veranderde. Kennelijk leidt het mbo de jongeren goed op tot beginnende vakmensen; ongeveer 80% van de oud-studenten zegt dat de aansluiting opleiding en werk goed is.

De professionals maken wel enig onderscheid naar sector, beroepsgroep en mbo-niveau in het soort vaardigheden die ze nodig achten voor de mbo’ers. Maar naast vakkennis en vakvaardigheden vindt men vooral de zogenoemde transferable skills (vaardigheden die niet alleen van belang zijn voor één beroep of sector) belangrijk.

Breed of smal opleiden?

In het mbo wordt verschillend gedacht over hoe breed of smal studenten moeten worden opgeleid. Leidinggevenden en vertegenwoordigers van de sectorkamers neigen naar breed opleiden, docenten juist naar smaller en meer vakspecialistisch opleiden. Mogelijk biedt dat laatste mbo’ers een betere startpositie op de arbeidsmarkt. Op den duur zou dat echter een fuik kunnen blijken, als het werk in die richting te veel opdroogt of te zeer van karakter verandert. De bredere opleidingen zouden dan meer garantie bieden.

Voor het afnemend veld zijn de bredere opleidingen evenwel minder herkenbaar, en dat geldt ook voor studenten met een heel gerichte beroepswens. Voor die wensen zou in deze tendens tot verbreding van opleidingen voldoende aandacht moeten blijven; wellicht door de beroepsbegeleidende leerweg-route bij deze ‘vakgemotiveerde’ jongeren nadrukkelijker onder de aandacht te brengen.

Brede basis nodig voor kansarme beroepsgroepen

Mbo-opleidingen hebben de plicht om opleidingen aan te bieden waar vraag naar is (macrodoelmatigheid) en om aankomende studenten over baankansen in de verschillende sectoren te informeren. Ze krijgen uit het bedrijfsleven soms tegenstrijdige informatie over de vraag naar, en daarmee de kansen voor studenten van bepaalde opleidingen.

Toch vinden mbo-instellingen het lastig om studenten die gemotiveerd zijn voor een opleiding waar weinig vraag naar is, de toegang tot die opleiding te ontzeggen. Motivatie is immers een belangrijke factor voor studiesucces; verlies van motivatie verhoogt de kans op uitval. Het breder toerusten van studenten kan in dat geval uitkomst bieden, waardoor zij ook buiten een kansarm, specialistisch of straks verdwijnend beroep toch goed inzetbaar zijn.

Ria Vogels en Monique Turkenburg zijn als onderzoekers verbonden aan het SCP. Dit artikel is gebaseerd op het rapport: Beroep op het mbo. Betrokkenen over de responsiviteit van het middelbaar beroepsonderwijs.

Foto: Service photo du Département du Val-de-Marne (Flickr Creative Commons)