Bestuurders, programmaleiders, beleidsambtenaren en andere professionals stellen vaak dat er ‘ongelijk geïnvesteerd moet worden om gelijke kansen te creëren’. Daarmee bedoelen ze dat er méér middelen moeten gaan naar kinderen, jongeren en gezinnen in omgevingen waar kansen minder voor het oprapen liggen. Er wordt bijvoorbeeld extra taalonderwijs georganiseerd voor volwassenen en extra huiswerkbegeleiding en buitenschoolse activiteiten voor kinderen en jongeren. Dat is waardevol.
Maar als achter deze investering vooral de overtuiging schuilgaat dat kinderen en gezinnen hun achterstand moeten inhalen door hard te werken, ongewenst gedrag moeten afleren en zich moeten aanpassen aan de normen van hogere sociale posities, dan gaat er iets mis. De nadruk ligt dan op het repareren van mensen.
Onderzoekers laten zien dat jongeren uit omgevingen met laaggeletterdheid en financiële krapte talentvolle overlevers zijn
Maar wat als we het omdraaien? Wat als niet zíj in de eerste plaats iets te leren hebben, maar als wij — de beoordelaars, beleidsmakers, professionals — moeten leren zien welke talenten, vaardigheden en vormen van kapitaal tot nu toe onzichtbaar waren?
Onderzoekers zoals de Amerikaanse hoogleraar Tara Yosso (2005) en recente Nederlandse initiatieven laten zien dat kinderen en jongeren uit omgevingen met laaggeletterdheid en financiële krapte geen hulpeloze slachtoffers zijn, maar vaardige en talentvolle overlevers. Ze ontwikkelen vormen van alternatief kapitaal: waardevolle, maar vaak structureel ondergewaardeerde bronnen en vaardigheden, die aanwezig zijn binnen sociale groepen met een minder gunstige positie.
Blinde vlek
Veel onderzoek en beleid om kansenongelijkheid te verkleinen, is gebaseerd op de kapitaaltheorie van de Franse socioloog Pierre Bourdieu (1986). Hij laat zien hoe economisch, cultureel en sociaal kapitaal bepalen wie toegang krijgt tot kansen, macht en status. Maar in de beleidsvertaling van die theorie en de praktische toepassing ervan staat vooral het soort kapitaal centraal dat sociaal-cultureel bevoordeelde groepen waarderen: geld, diploma’s en het ‘juiste’ netwerk. Bourdieu’s bril wordt dan een meetlat: we tellen vooral wat we herkennen vanuit een gunstige sociale positie en wat makkelijk vergelijkbaar is (zoals cijfers, toetsen). Het resultaat: beleid dat zegt gelijke kansen te vergroten, sluit vooral aan bij mensen die al passen.
Er zijn óók verhalen van vindingrijkheid, creativiteit en kracht – juist waar kansen schaars zijn
Bij het duiden van kansen(on)gelijkheid wordt vaak de ladder als metafoor gebruikt: niet iedereen start op dezelfde trede en soms moet de hele ladder eerst op een verhoging om ooit hetzelfde einddoel te kunnen behalen. Het gaat hier om een kapitaalladder: de tredes zijn gemaakt van wat het zwaarst weegt — geld, diploma’s, de ‘juiste’ taal en contacten. Wie die tredes van huis uit heeft, klimt sneller. Wie andere vormen van talent én kapitaal meeneemt, moet dat eerst omzetten naar iets wat de ladder herkent. Dat kost tijd en energie. En belangrijk: daardoor blijven andere vormen van kapitaal buiten beeld – juist de praktische en informele kennis en vaardigheden die ontstaan in omgevingen met minder kansen.
Dat voedt wat door de Nigeriaanse auteur en feminist Chimamanda Ngozi Adichie (2009) het gevaar van een single story wordt genoemd: het idee dat mensen uit minder bevoorrechte groepen vooral kwetsbaar zijn en altijd hulp nodig hebben.
Maar er is nooit slechts één verhaal. Er zijn óók verhalen van vindingrijkheid, creativiteit en kracht – juist onder druk, juist waar kansen schaars zijn. Juist daarom is het belangrijk om alternatief kapitaal te (h)erkennen en te laten meetellen.
Van achterstand naar rijkdom
Tegenover een ladderblik die vooral laat zien wie al voorsprong heeft, zet Yosso (2005) een rijkdomsblik: community cultural wealth. Zij draait het perspectief om: in plaats van zich te richten op achterstand, benadrukt zij de bronnen van kapitaal die wél aanwezig zijn in groepen die vaak minder worden gehoord, zoals gemeenschappen, buurten en gezinnen met een lager inkomen of een migratieachtergrond. Haar model ontstond in een Amerikaanse raciale context, maar is toepasbaar op elke situatie waarin dominante opvattingen bepalen wat telt als waardevolle kennis of ervaring.
In beleid, onderzoek en onderwijs worden deze alternatieve vormen van kapitaal nog zelden erkend
Yosso beschrijft zes vormen van kapitaal die aanwezig zijn in groepen die buiten de gevestigde maatschappelijke norm vallen: aspiratiekapitaal (hoop en doorzetten ondanks structurele drempels), linguïstisch kapitaal (meertalig en contextgevoelig kunnen schakelen), familiaal kapitaal (hechte banden en doorgegeven kennis binnen families), sociaal kapitaal (steun en netwerken buiten formele instanties), navigatiekapitaal (je weg vinden in systemen die niet voor jou zijn ontworpen) en verzetskapitaal (ongelijkheid herkennen en bevragen).
Wie als kind of jongere voor ouders tolkt, het huishoudgeld bewaakt of met verschillen en spanningen tussen thuis en school weet om te gaan, bouwt precies aan dit vermogen. In beleid, onderzoek en onderwijs worden deze alternatieve vormen van kapitaal nog zelden erkend, terwijl ze in het dagelijks leven cruciaal zijn. Door alternatief kapitaal te (h)erkennen en te laten meetellen, verschuiven we van een eenzijdige ladderblik naar een rijkdomsblik.
Sociale intelligentie
Ook in Nederland groeit de aandacht voor het benoemen en agenderen van alternatieve vormen van kapitaal. Organisaties zoals Concrete Blossom laten zien wat er gebeurt als je stedelijke jongeren met een migratieachtergrond ‒ vaak buitengesloten van onderwijs en formele netwerken ‒ serieus neemt in wat zij zelf meebrengen. In hun programma’s draait het om het versterken van wat zij fringe kapitaal noemen: ‘De klontering van levenservaring die onder hoge druk ontstaat’ (Mohamud 2023).
Ook praktijkgericht onderzoek onder kinderen en jongeren uit gezinnen met financiële krapte en beperkte basisvaardigheden laat zien hoe waardevol alternatief kapitaal kan zijn (Jansen e.a. 2025; Notten 2025). Kinderen die opgroeien met laaggeletterde ouders zijn vaak niet ‘taalarm’, maar leren juist al jong hun pril geleerde basisvaardigheden in te zetten voor thuis en hoe ze zich kunnen aanpassen in diverse taalomgevingen.
Hun financiële opvoeding vindt niet plaats via zakgeld-apps, maar in het echte leven
Meerdere kinderen geven aan dat zij bijzonder vaardig zijn in het vertalen van ‘formele taal’ naar de ‘taal van hun ouders’ en omgekeerd. Ze zijn tolk in gesprekken met instanties — ook als Nederlands hun thuistaal is — en regelen praktische zaken voor zichzelf en hun gezin. Ze schakelen tussen verschillende werelden, dragen verantwoordelijkheid en ontwikkelen sociale intelligentie: het vermogen om situaties aan te voelen, effectief te communiceren en zich aan te passen aan hun omgeving.
In de eigen woorden van kinderen van laaggeletterde ouders: ‘Aan het eind van de basisschool regelde ik school ook altijd zelf. Dus alle administratie van school, alle dingen voor school deed ik allemaal zelf.’ En: ‘De post nam ik soms weleens door, zeker op het einde van de basisschool. Eigenlijk was het niet meer dan normaal voor mij’ (Notten 2025).
Eigen bedrijf
Daarnaast blijken jongeren in gezinnen met beperkte financiële middelen vaak een opvallend bewustzijn van geld te hebben. Ze leren al jong budgetteren en prioriteren. Hun financiële opvoeding vindt niet plaats via zakgeld-apps, maar in het echte leven. Een vrijwilliger van Stichting Leergeld Houten: ‘We zien regelmatig bij gezinnen die de financiële eindjes met moeite aan elkaar kunnen knopen dat er juist zeer bewust met geld wordt omgegaan’ (Jansen e.a. 2025).
De jongeren begrijpen het verschil tussen ‘moeten’ en ‘willen’, en leren dat creativiteit nodig is om rond te komen. Een jongere met ervaring in financiële krapte zegt het als volgt: ‘Mijn moeder heeft veel problemen gehad rondom geld en is daar uitgekomen. De gesprekken die wij over geldzaken hebben gehad, hebben mij veel geleerd. Bijvoorbeeld dat je zuinig moet zijn op je geld, moet sparen en moet zorgen voor goed overzicht in je bankzaken en zo’ (Jansen e.a. 2025).
Deze jongeren zijn anders vaardig dan hun leeftijdsgenoten uit financieel stabiele of taalvaardige gezinnen
Kinderen en jongeren in minder financieel kapitaalkrachtige omgevingen ontwikkelen organisatievaardigheden en ondernemerschap, en ‘op die manier kun je ook waarde creëren voor je omgeving’, vertelt Nabil el Malki, oprichter en bestuurder van Presikhaaf University (gelijkekansen.nl 2025). Deze jongeren starten bijvoorbeeld een eigen bedrijf en leren al jong de kneepjes van het vak, ook doordat hosselen en handelen soms noodzakelijke competenties zijn. Een jongerenwerker in Lingewaard: ‘Het is normaal dat iedereen er een handeltje naast heeft. Het is niet meer iets vreemds. Het is ook om te overleven’ (Jansen e.a. 2025).
Deze kinderen en jongeren zijn niet minder vaardig dan hun leeftijdsgenoten uit financieel stabiele of taalvaardige gezinnen – ze zijn anders vaardig. Ze ontwikkelen al jong waardevolle capaciteiten die zelden worden erkend als ‘kapitaal’, maar dat wél zijn – zeker in een samenleving die steeds meer vraagt van individuele zelfredzaamheid.
Alternatief kapitaal is echt
Als we serieus werk willen maken van gelijke kansen, moeten we erkennen dat kapitaal vele vormen kent – en niet alleen binnen de paden van diploma’s, stages of het juiste taalgebruik. Het begint met andere vragen stellen: Wat weten en kunnen kinderen en jongeren al? En hoe bouwen we daarop voort?
Dat vraagt ook om een herwaardering van vaardigheden die nu vaak worden gezien als ‘overlevingsgedrag’. Organisatietalent, meertaligheid, sociale intelligentie en creatief omgaan met schaarste zijn vormen van alternatief kapitaal die erkenning verdienen.
Er is een ander verhaal – van jongeren die hun weg vinden met kennis, kracht en lef
Tegelijk moeten we kritisch kijken naar systemen die nu vooral vragen om aanpassing. In plaats van jongeren vaardigheden bij te brengen die passen bij het systeem, zouden we het systeem ontvankelijk moeten maken voor hún perspectieven, creativiteit en ervaringskennis – juist van buiten de gevestigde kaders: van ladderblik naar rijkdomsblik.
Jongeren zelf laten zien dat waarde niet alleen zit in papieren, maar ook in ervaring. Niet alleen in bezit, maar ook in veerkracht. Het denken in termen van alternatief kapitaal biedt daar een krachtig tegenwicht voor.
Het is tijd dat we afscheid nemen van de single story van ‘achterstand’. Er is een ander verhaal – van kinderen en jongeren die hun weg vinden buiten de gebaande paden, met kennis, kracht en lef. Hun alternatief kapitaal is echt. Wij moeten leren het te zien, te erkennen en ernaar te handelen.
Natascha Notten is socioloog, onderzoeker en oprichter van onderzoeksbureau Gelijkschap. Dit artikel is een bewerkte versie van: Notten, N. (2025). Alternatief kapitaal: van gemiste kans naar erkende waarde. Gepubliceerd op gelijkschap.nl.
Foto: Antoni Shkraba Studio via Pexels