Wat werkt in de strijd tegen voortijdig schoolverlaten?

Voortijdig schoolverlaten is niet alleen een probleem voor de jongere zelf, maar ook voor de samenleving. Daarom voert de overheid al jaren een gericht beleid om voortijdig schoolverlaten te voorkomen. En met succes, zij het dat niet alle maatregelen even effectief zijn.

Elke adolescent jonger dan 23 jaar die het voortgezet onderwijs zonder startkwalificatie (havo, vwo, mbo-2) verlaat, is een voortijdig schoolverlater. Volgens deze definitie verlieten in 2011 36.245 jongeren (9,1 procent) de school voortijdig. Dit is bijna een halvering ten opzichte van 2002 toen er nog 70.000 nieuwe vsv-ers per jaar waren. Goed nieuws dus, want het onderwijs zonder startkwalificatie verlaten kan grote gevolgen hebben. De internationale literatuur toont aan dat vsv’ers meer kans hebben op (langdurige) werkloosheid. Ze zijn vatbaarder voor gezondheidsproblemen en armoede, wat kan leiden tot sociale uitsluiting. Daarnaast legt vsv ook een zware last op de maatschappij. Eurofound (European Foundation for the Improvement of Living and Working Conditions) heeft onlangs berekend dat vsv’ers zonder baan de Nederlandse maatschappij jaarlijks 4,714 miljard euro kosten. Deze hoge kosten bestaan voornamelijk uit sociale zekerheids- en werkloosheidsuitkeringen, kosten van publieke dienstverlening en verlies aan belastinginkomsten.

Het is dan ook niet verwonderlijk dat de overheid zich in toenemende mate met vsv is gaan bezighouden. In 2005 werd het preventieprogramma ‘Aanval op de schooluitval’ gelanceerd, waarmee men streeft naar nog maar 25.000 (8 procent) nieuwe vsv’ers per jaar tegen 2020. Het budget voor preventie steeg van 313 miljoen in 2008 naar 400 miljoen in 2011. Dat komt overeen met ongeveer 0,07 procent van het bruto binnenlands product (BBP). TIER1 onderzocht diverse preventiemaatregelen om voortijdig schoolverlaten te verminderen op hun effectiviteit.2

VSV transparant maken met registratie en controle

Volgens TIER onderzoek is een eerste maatregel die werkt in het verminderen van voortijdige schooluitval de registratie van verzuim van leerlingen in combinatie met verzuimcontrole. In de internationale literatuur is aangetoond dat er een sterk verband bestaat tussen vsv en problemen thuis of op school. Spijbelaars raken bijvoorbeeld betrokken bij criminaliteit of experimenteren met drugs en zijn bijgevolg vatbaarder om de school voortijdig te verlaten. En ook kinderen die opgroeien in kansarme gezinnen of in achterstandsbuurten hebben een hogere kans op vsv. Elk van deze voorbeelden is echter weinig tastbaar zonder enige vorm van registratie. Registratie van de schoolloopbaan van leerlingen maakt vsv transparant: het probleem wordt zichtbaar in cijfers uitgedrukt aan de hand van een eenvoudige en eenduidige definitie en kan vervolgens in relatie worden gebracht met de oorzakelijke factoren van vsv.

Alleen registratie blijkt echter onvoldoende om vsv terug te dringen. Ons onderzoek toont aan dat, in het voorbeeld van verzuim, de registratie van spijbelaars in combinatie met een ‘hands-on’ aanpak wel effectief is. Bijvoorbeeld in de vorm van huisbezoeken van de leerplichtambtenaar. Het zal niet verbazen dat de kans dat een spijbelaar de school verlaat nog vóór het einde van de leerplichtige leeftijd drie keer zo hoog is dan die van een student die niet spijbelt. De ‘hands-on’ aanpak vermijdt dat jongeren ongeoorloofd afwezig zijn van school waardoor hun kansen op vsv verminderen.

Beroepenoriëntatie en coaching houden leerlingen binnenboord

Een tweede bundel van maatregelen die effectief zijn in de strijd tegen vsv bestaat uit beroepenoriëntatie, coaching op de werkvloer tijdens de stages en maatwerktrajecten. De literatuur toont aan dat er een sterk verband bestaat tussen vsv en een nauwe relatie met de arbeidsmarkt. In Nederland bestaat deze nauwe connectie met de arbeidsmarkt met name in het beroepsonderwijs. Het onderzoekscentrum onderwijs en arbeidsmarkt (ROA) vroegen 5660 jongeren die het voortgezet onderwijs voortijdig verlieten naar hun reden daarvoor. Maar liefst één op de vijf jongeren (21,9 procent) gaf aan dat ze de schoolbanken hebben ingeruild voor een baan. Andere redenen waren gezondheidsproblemen (21,1 procent) en verkeerde studiekeuzes (18,4 procent). Bovendien meldt een groot aantal jongeren met problemen thuis of op school zich aan bij het beroepsonderwijs in plaats van op havo of vwo. Deze combinatie van problemen én de connectie met de arbeidsmarkt maken dat vsv relatief hoog is in het beroepsonderwijs ten opzichte van vwo of havo, aldus TIER. Leerlingen die toch al niet veel zin in school meer hebben, vinden in de arbeidsmarkt een (financiële) uitweg. Een betere begeleiding voorkomt dat deze jongeren uitvallen.

Verhogen leerplichtige leeftijd levert niet op wat men verwachtte

Als je niet wilt dat leerlingen voortijdig de school verlaten, dan verplicht je ze toch langer te blijven. Aldus trad in 2007 de ‘kwalificatieplicht’ in de leerplichtwet in werking. Volgens deze regeling zijn jongeren tussen de 5 en 18 jaar ‘[…] verplicht om onderwijs te volgen, totdat ze een startkwalificatie hebben. Voor leerlingen van 5 tot 16 jaar heet dit de leerplicht, voor jongeren tussen 16 en 18 jaar de kwalificatieplicht. ’3 Uit ons onderzoek blijkt dat deze regeling op korte termijn niet aantoonbaar tot minder vsv heeft geleid. De lange termijn effecten van de kwalificatieplicht moeten nog onderzocht worden.

Transitiemomenten blijven een risico ondanks ‘warme overdracht’ vmbo-mbo

Een laatste maatregel waarvan niet kan worden aangetoond dat deze werkt is de ‘warme overdracht’ van jongeren van vmbo naar mbo. Deze maatregel bestaat in essentie uit het identificeren van potentiële risicoleerlingen opdat zij tijdens de zomervakantie, de start van het nieuwe schooljaar, en ook op de mbo school, kunnen worden begeleid. Tal van internationale studies tonen aan dat deze transitiemomenten vaak gevaarlijk zijn omdat jongeren bij het veranderen van school de betrokkenheid met de school, de leerkrachten en vrienden in de klas verliezen. Enerzijds kunnen jongeren die al schoolmoe zijn nog vóór het transitiemoment beslissen om zich niet aan te melden op de nieuwe mbo school. Anderzijds kunnen jongeren de transitie als negatief ervaren en alsnog schoolmoe worden en uitvallen.

Een Europese vergelijking van vsv, rekening houdend met de invloed van economische groei en conjunctuur, leert dat het Nederlandse vsv-preventiebeleid, ondanks het feit dat niet alle maatregelen even effectief zijn, één van de meest succesvolle in de EU is.4 Ons onderzoek laat zien dat een strikt vsv-preventiebeleid kan leiden tot een daling van het aantal vsv’ers tot maximum 2,3 procent per jaar. Dat impliceert een verdere toename in budget van € 400 miljoen naar € 574 miljoen (0,10 procent van BPP). Al met al ruim minder dan de huidige jaarlijkse kosten van vsv’ers zonder baan van € 4,714 miljard.

Sofie J. Cabus werkt bij TIER. Zij promoveerde onlangs met het proefschrift ‘An Economic Perspective on School Dropout Prevention using Microeconometric Techniques’, TIER Research Series III, Maastricht, 2013.

Noten:

  1. Het Top Institute for Evidence Based Education Research (TIER) is een interuniversitair Top Instituut dat onderzoek verricht op het gebied van evidence based onderwijs (www.tierweb.nl).
  2. Meer informatie over deze maatregelen zie: De Witte, K. and Cabus, S.J. (2013). Dropout prevention measures in the Netherlands, an evaluation. Educational Review 65(2), 155-176.
  3. http://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/leerplicht/leerplicht-en-kwalificatieplicht.
  4. Cabus, S.J. and De Witte, K. (2012a). Naming and shaming in a 'fair' way. On disentangling the influence of policy in observed outcomes. Journal of Policy Modeling 34(5), 767-787.

 

Foto: Bas Bogers

Dit artikel is 3736 keer bekeken.

Reacties op dit artikel (2)

  1. Ik heb grote twijfels bij de houdbaarheid van de berekeningen dat schoolverlaters zo duur zijn voor de samenleving. Heel veel problemen van schoolverlaters komen eerder door combiproblematiek dan alleen door het diploma, bijv. chronische ziekte of sociale problematiek. Dat los je niet op met een diploma. Er zijn volgens het SCP in Nederland veel meer banen voor ongeschoolden, dan dat er ongeschoolde mensen zijn. Je kunt ook vol houden dat het een absurde verspilling van geld is om mensen 16 jaar op school te houden voor een MBO-2-diploma, terwijl je daar werk mee gaat doen dat vroeger door een 14-jarige schoolverlater werd gedaan. En je kunt ook volhouden dat al ons onderwijs aan onwilligen hopeloos ineffectief is. Wij moeten heel veel leraren Frans opleiden om kinderen die niet willen Frans te leren, wat natuurlijk niet lukt.

    Bovendien zijn dit soort onderzoeken blind voor de enorme kosten van hogere opleidingen. Als elke hoogopgeleide een baan op niveau zou doen was dat nog niet zo erg, maar er zijn nu honderdduizenden nederlanders die een ton of meer aan opleidingskosten hebben gekost en nu bordenwasser zijn of ander laaggeschoold werk doen. Omgekeerd is een aanzienlijk deel van de zeer succesvolle Nederlanders zeer laag geschoold, dat mis ik ook altijd in dit soort ‘pro-onderwijs’ onderzoek. In het WRR-rapport over voortijdig schoolverlaten worden de ‘opstappers’ (succesvolle schoolverlaters) genoemd maar niet onderzocht, terwijl dit wel 20% van de doelgroep is.

    Ik heb er met de OESO over gesproken dat ze nog helemaal geen reactie hebben gegeven op de massale werkloosheid onder hoger opgeleiden. Ik denk dat er het volgende aan de hand was: toen hoge opleidingen schaars waren en er veel (grotendeels geleend) geld beschikbaar was voor niet direct ‘productief’ werk was een opleiding een goede manier om rijk en gelukkig te worden. Zolang er een tekort aan goede keepers is, doen jonge voetballertjes er goed aan om keeper te worden. Maar als er een overschot ontstaat is niets meer wat het vroeger leek.
    Ik denk dat alle cijfers uit de ‘schaarste’jaren hun voorspellende kracht zijn kwijtgeraakt nu we in een overschotfase komen. De tarieven voor hoog geschoolde zzp-ers liggen soms al onder de prijs van een stukadoor.

    Als lager opgeleiden al het haasje zijn, komt dat vooral door verdringing. Dat kost de samenleving nog veel en veel meer dan de 4 miljard uit dit artikel. We moeten juist de discussie durven voeren over minder onderwijs.

Reageer

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *