Zelfregulatie kan kansenongelijkheid in onderwijs verkleinen

Schoolprestaties van kinderen zijn afhankelijk van de mate waarin zij hun gedrag kunnen reguleren. Kinderen van lager opgeleide ouders zijn hier minder bedreven in, omdat ze dit thuis minder goed leren. School kan gerichte ondersteuning bieden om die achterstand in te lopen.

De bevindingen van ons onderzoek komen voort uit verschillende deelstudies. Aan deze deelstudies deden 310 tot meer dan 1000 kinderen mee (variërend van gezinnen met lage tot hoge sociaaleconomische achtergrond) uit de regio Noord-Holland. De kinderen waren 7-12 jaar oud.[i]

We vroegen leerkrachten om met behulp van een korte vragenlijst de zelfregulatie van hun leerlingen te beoordelen. Met zelfregulatie worden vaardigheden bedoeld, zoals het plannen en organiseren van schoolwerk, de concentratie tijdens de les (aandacht) en het onderdrukken van impulsief gedrag (zelfcontrole).

Grote verschillen tussen gezinnen

We onderzochten of leerkrachten verschillen observeerden in de zelfregulatie tussen kinderen van hoog- en laagopgeleide ouders. We verdeelden de kinderen daartoe in twee groepen. De eerste groep bestond uit kinderen met ouders die een mbo-opleiding of lager hadden afgerond: de lager opgeleiden. De tweede groep werd gevormd door kinderen van wie de ouders een opleiding hoger dan mbo hadden afgerond: de hoger opgeleiden.

Uit de resultaten bleek dat leraren inderdaad verschillen observeerden tussen beide groepen kinderen: de zelfregulatie van kinderen uit laagopgeleide gezinnen bleek beduidend lager.

Zelfregulatie is belangrijk voor goede schoolprestaties

Ook onderzochten we het belang van een goede zelfregulatie voor de schoolprestaties van kinderen. Als maat voor schoolprestaties namen we de Cito-scores op de onderdelen rekenen & wiskunde, spelling en begrijpend lezen. Wat blijkt? De verschillen in zelfregulatie worden weerspiegeld in de Cito-scores. Kinderen met lagere Cito-scores hebben een minder goede zelfregulatie dan kinderen met hoge Cito-scores.

De bevindingen van dit onderzoek geven een sterke aanwijzing dat de verschillen tussen kinderen met hoger en lager opgeleide ouders in de zelfregulatie bijdragen aan de verschillen in schoolprestaties.

Achterstand door schaarste aan middelen

Verschillen in het intellectuele klimaat dat hoger en lager opgeleide ouders creëren voor hun kinderen dragen bij aan de verschillen in de zelfregulatie van deze kinderen. Zo blijkt uit de wetenschappelijke literatuur dat laagopgeleide ouders minder intellectuele en/of financiële mogelijkheden hebben om de zelfregulatie van hun kinderen te stimuleren. Ze gebruiken bijvoorbeeld minder complexe taal wanneer ze communiceren met hun kinderen. Ook hebben ze minder geld te besteden aan boeken en speel- en spelmateriaal.

Om maar een voorbeeld te noemen: door het spelen van een ‘strategisch’ spel zoals ‘Stratego’ leren kinderen zich gedurende een langere tijd te concentreren. Ook leren ze om deelhandelingen vooruit te plannen en eerst na te denken alvorens een zet te doen. In gezinnen met laagopgeleide ouders ontbreken die spelen vaker, zodat de ontwikkeling van de zelfregulatie van kinderen hier vergelijkenderwijs achterloopt.

Wat kan school doen?

De vraag is wat school kan doen als de ontwikkeling van de zelfregulatie van kinderen thuis onvoldoende wordt gestimuleerd? Ten eerste is het belangrijk dat leerkrachten weten dat sommige kinderen een verhoogd risico hebben op een minder goede zelfregulatie. En dat dit met name het geval is bij kinderen van lager opgeleide ouders. De risicokinderen hebben baat bij extra begeleiding op school, de leerkracht kan hen bijvoorbeeld een taak, na de klassikale uitleg, nog eens individueel toelichten. Ook kunnen ze baat hebben bij extra hulp tijdens het organiseren van hun schoolwerk.

Ten tweede is uit wetenschappelijk onderzoek bekend dat gerichte sturing en prikkels uit de omgeving de zelfregulatie van kinderen kan stimuleren. Ook hier kan school een belangrijke rol spelen. Het kan bijvoorbeeld programma’s inzetten gericht op het stimuleren van een goede zelfregulatie. Hiervoor kunnen spelletjes gebruikt worden.

Daarnaast kan school ouders voorlichting geven over het belang van een goede zelfregulatie, en vooral hoe zij zelf de ontwikkeling ervan bij hun kinderen kunnen stimuleren. Hiervoor is het nodig dat leerkrachten kennis hebben over deze materie. Via psycho-educatie kunnen zij ouders leren om de tot dan beperkte zelfregulatie van hun kinderen via een reeks opvoedkundige interventies op te vijzelen.

In elk geval is kennisoverdracht uit de wetenschap naar de onderwijspraktijk belangrijk.

Kinderen niet aan hun lot overlaten

Wat we vooral niet moeten laten gebeuren, is dat we het belang van een goede zelfregulatie onderschatten. Als dat wel gebeurt, worden de kinderen van lager opgeleide ouders in wezen aan hun lot overgelaten. Dat is funest voor talloze jongens en meisjes en voor de samenleving als geheel.

Immers, een verminderd vermogen tot zelfregulatie kán een voorbode zijn van delinquent gedrag. Dit blijkt uit een andere deelstudie die we hebben uitgevoerd bij meer dan 3000 adolescenten (10-19-jarige leeftijd) in samenwerking met het Wetenschappelijk Oriëntatie en Documentatie Centrum (Ministerie van Veiligheid en Justitie).[ii]

Marleen van Tetering is neuropsychologe en gepromoveerd aan de Faculteit der Gedrags- en Bewegingswetenschappen van de Vrije Universiteit Amsterdam. Prof. dr. Jelle Jolles was haar promotor.  

Noten

[i] De deelstudies zijn uitgevoerd op basisscholen in de regio Noord-Holland, tussen Alkmaar en Heemskerk, in wijken met een lage, gemiddelde en hoge sociaaleconomische status (https://www.volksgezondheidenzorg.info/onderwerp/sociaaleconomische-status/cijfers-context/opleiding).

[ii] Studie uitgevoerd door het Wetenschappelijk Onderzoek en Documentatie Centrum van het ministerie van Justitie en Veiligheid, in samenwerking met het Centraal Bureau voor de Statistiek.

Foto: Nestland (Flickr Creative Commons)

Dit artikel is 1844 keer bekeken.

Reacties op dit artikel (1)

  1. Zelfregulatie en zelfbeheersing als bron voor later succes (of bij gebrek eraan, voor mogelijke latere criminaliteit) lijkt voort te borduren op de beroemde marshmellowtest, waarbij kinderen die de verleiding langer konden weerstaan later ook meer succes hadden. Die marshmellowtest is beroemd geworden, maar inmiddels ook weerlegd. Niet de zelfbeheersing maar de sociale achtergrond zelf: armoede en stress, waren verklaring voor het gedrag nu en de kansen in de toekomst. Deze mythe lijkt zich hier te herhalen, waar ik grote bezwaren tegen wil aantekenen. Ten eerste is zelfregulatie een problematisch begrip, zowel in de definiëring ervan als in de meetmethode (door een leerkracht die het kind en zijn achtergrond kent, en wellicht ook reageert op de andere sociaaleconomische achtergrond van het kind). Ten tweede worden de gevolgen van armoede, stress, een lagere intelligentie en/of psychosociale problemen (die vaker voorkomen bij lager opgeleiden) nu geïndividualiseerd naar gedrag, persoonlijke kwaliteiten én gemoraliseerd: het gedrag van de hoger opgeleiden is dús beter in plaats van een uiting van privilege. En dan de school als opvoeder van de ouders? Een gedegen armoedebeleid en kleinere klassen lijken me veel vruchtbaarder dan het stigmatiseren van mensen in een achterstandspositie.

Reageer

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *