COLUMN Gelijke kansen, goed voor het casino

Met steun van hoog opgeleide tv-programmamakers is het onderwijslobbyisten gelukt om hoog opgeleide volksvertegenwoordigers te laten instemmen met een plan om € 8,5 miljard euro uit te geven aan mensen die gaan zorgen voor Gelijke Kansen op een Hoge Opleiding. Maar hoe geloofwaardig is de verontwaardiging over ongelijkheid?

Het eerste grote artikel dat ik na mijn studie schreef was een lijvig essay over de dubbele moraal van achterstandsbestrijding in een tijdschrift dat toen nog gewoon Buitenlanders Bulletin heette. U kunt het teruglezen door op de hyperlink te klikken. In de vroege jaren ’90 waren er goede redenen om kritische vragen over achterstanden te stellen, en vreemd genoeg zijn die redenen er bijna allemaal nog steeds.

Maar er is ook veel veranderd. In mijn jeugd zag je nauwelijks ‘buitenlanders’ of ‘buitenstaanders’ in het hoger onderwijs of in de politiek. Nu geef ik in het Hbo les aan klassen waarvan meer dan de helft laaggeschoolde ouders heeft; dat is wereldwijd ongekend. Als een kind ‘het in zich heeft’, dan zijn er meestal wel docenten die weten hoe ze dat eruit moeten halen.

Meestal, maar niet altijd. Het lijkt dan oneerlijk dat een leerling niet meteen naar de Havo mocht, en via een iets langere weg in het Hbo terecht kwam, maar ook dan kan niemand beweren dat ons systeem alleen de kinderen van hoogopgeleide en rijke ouders doorlaat. En als dat wel zo is, ligt het niet aan de kwaliteit van het onderwijs. Daarover straks meer.

Niet door school alleen

Het werk aan ‘kansengelijkheid’ is al begonnen aan het begin van de twintigste eeuw. Mijn opa werd geboren als zoon van een landarbeider, maar was zo goed in taal en rekenen dat hij de kans kreeg om onderwijzer te worden. Als hoofd van een Haagse basisschool werkte hij zich het schompes om arbeiderskinderen vooruit te helpen, niet alleen met goed onderwijs, maar ook door schooltuinen te beginnen, een zwemclub en een korfbalclub op te richten en een volkskoor te leiden. Zijn vrouw (mijn oma) schopte het als ongeschoolde vrouw tot voorzitter van de Haagse Rooie vrouwen-beweging.

Ik denk dat de oude Mulder zichzelf niet zag als kansengever, maar als iemand die zorgde dat àl zijn leerlingen goed terecht kwamen. Zo’n 80 procent van zijn leerlingen gingen op hun 14de werken. Uit de familie van mijn moeder, die tien broers en zussen had, weet ik dat levensgeluk en rijkdom hoogstens een klein beetje samenhangen met de opleiding die mensen gevolgd hebben. Wat ik wel zie, is dat degenen die ‘aan de goede kant van de schatkist’ terecht gekomen zijn, de publieke werkers, zich gemakkelijker een huis in Frankrijk kunnen permitteren dan de rest.

Wie op ons lijkt mag voorgaan

Mijn opa was geen beter kind dan de andere boerenkinderen in zijn klas. Hij was beter in de dingen waarmee je leraar kan worden: taal en rekenen. Hij hield van boeken, van kunst, van sport, van praten, van reizen en natuur en voelde zich prettig als hij goede werken kon verrichten. Een beetje de favoriete tijdsbestedingen van de 18de eeuwse aristocratie. Dat is geen toeval, want de pioniers van de sociaaldemocratie waren meestal mensen met dubbele namen, die zich graag wilden inzetten voor de veredeling van laaggeborenen met hoogstaande interesses. Anno nu is daar niets in veranderd: Frans en Duits zijn moderne talen, Turks is een handicap. Techniekonderwijs op basisscholen wordt alleen gegeven door vrijwilligers; middelbare scholen rekenen er vaak een eigen bijdrage voor. Wat mijn opa beschavend vond is vaak nog steeds de enige aanvulling op taal en rekenen. En eigenlijk is het ook bij sport en cultuur nog de bedoeling dat we dat er beschaafde dingen van leren. Een trotse vader vertelt op Linkedin dat hij met zijn zoon een kippenhok bouwde: goed voor zijn onderzoeksvaardigheid!

Gelijke kansen, is dat genoeg?

Je kunt het onderwijs vergelijken met een triathlon: 14 jaar schoolzwemmen, 5 jaar door het hoger onderwijs fietsen, en dan mag je beginnen aan de marathon des levens. Beter leren zwemmen zal je kansen vergroten. Maar wat als er nu eens veel minder fietsen dan deelnemers zijn? Als een enkeling dankzij honderden uren extra taalles sneller leert zwemmen, is er dan een ander die misgrijpt? Zijn al die jaren schoolslag en doortrappen echt de beste manier om een winnaar te worden, of word je hooguit iets minder slecht in die dingen waarvoor anderen een natuurtalent hebben?

Voor kansen moet je in het casino zijn. Voor winst ook, maar dan kun je beter in zo’n tent gaan werken (en een gokje wagen met het geld en de levens van anderen). De komende twee jaar worden er voor 8,5 miljard aan facturen verstuurd door mensen die er in het beste geval alleen voor gaan zorgen dat er straks een paar anderen als eerste uit het water komen.

Ze worden betaald met geld dat door ondernemers moet worden opgehoest, terwijl die daar veel betere dingen mee zouden kunnen doen. Vakmensen kunnen zorgen dat 14-jarigen wel de dingen kunnen leren die ze gaan gebruiken. Niet in een door het onderwijs dichtgetimmerde ‘stage’, maar gewoon als werknemer, net zoals de generatie van mijn ouders dat mocht doen. Geef jongeren het recht om te werken terug. Het is ze afgepakt door het kabinet Lubbers-Kok omdat de werkloosheidscijfers er zo van opknapten. Een mensenrecht werd buiten werking gesteld door 14-jarigen als on-mensen te bestempelen.

Echte ongelijkheid zit in onze portemonnee

Dat zou meteen ook een mogelijkheid bieden om de echte bron van maatschappelijke ongelijkheid aan te pakken: inkomensongelijkheid. Het verlengen van de leerplicht in de jaren ’60 heeft die inkomensongelijkheid vergroot, want het werd onmogelijk om als doenerig jong mens een spaarpotje op te bouwen. En daarna werd overal ‘loon naar lezen’ ingevoerd: de hoogste loonschalen voor de meest belezen collega’s. Ik heb de collegevoorzitter van Hogeschool Utrecht eens voorgesteld om vlakloon in te voeren, door alle medewerkers (inclusief bestuurders en lectoren) in schaal 10 in te delen. De lezer kan zelf raden hoe dat viel.

Er is inderdaad een enorme ongelijkheid in Nederland. De bovenste helft – waarin dus al die mensen zitten die nu stampij maken over onderwijsachterstanden – kan de onderste helft moeiteloos uit de markt drukken. Huizen worden alleen nog gekocht door mensen die nauwelijks belasting hoefden te betalen over geërfd vermogen. Woningcorporaties mogen weer voor de ‘middengroepen’ aan de gang in een tijd waarin het aantal daklozen is verdubbeld. Tweeverdieners hebben het veel gemakkelijker dan mensen die, bij voorbeeld door ziekte van hun naasten, alleen de kar moeten trekken.

De echte hervorming die nodig is, is een inkomenshervorming. En dan niet ten behoeve van de middenklasse, maar van de onderkant. Dus niet een leenstelsel afschaffen dat prima functioneert voor mensen met echt weinig geld (veel beter dan het steelstelsel waar de salon-socialistische moraalridders weer naar terug verlangen). Laten we snijden in inkomensonafhankelijke heffingen zoals accijnzen, BTW en boetes; die zijn voor Boudewijn Boven-Modaal veel makkelijker te dragen dan voor Bertje Bijnablut. En onze lasten verhogen, want de oplossing zit in onze portemonnee.

Nog meer aanbodgestuurd onderwijs is geen oplossing voor mensen die het slecht hebben. Maak er geen nieuw verdienmodel van voor de mensen waar het toch al goed mee gaat.

Klaas Mulder is docent bij Capabel Hogeschool en zelfstandig adviseur bij KijkopKansen.

Meer lezen van Klaas Mulder? Zie hier de bespreking van zijn boek Pakkenproletariaat.

 

Foto: Anthony (Flickr Creative Commons)

Dit artikel is 933 keer bekeken.

Reacties op dit artikel (1)

  1. “De bovenste helft – waarin dus al die mensen zitten die nu stampij maken over onderwijsachterstanden – kan de onderste helft moeiteloos uit de markt drukken”

    De verkiezingsuitslag met de enorme winst voor D’66 kan dit alleen maar bevestigen!

Reageer

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *