INTERVIEW Herman van de Werfhorst over toenemende onderwijsongelijkheid:‘We zijn terug bij af’

Te lang is het beeld gekoesterd dat onderwijsongelijkheid in Nederland verleden tijd is, zegt hoogleraar Herman van de Werfhorst. ‘Nu plotseling roepen dat ongelijkheid bestreden moet worden, is gratuit.’

‘Het Nederlandse onderwijs is gevarieerd en van een hoog niveau, ook in vergelijking met het buitenland.’ De Staat van het Onderwijs, de in april verschenen jaarrapportage van de Inspectie van het Onderwijs, begint nog veelbelovend. Maar al in de tweede alinea van de inleiding komt er een flinke barst in dat beeld.

Want, zo constateert de Inspectie, niet alle leerlingen en studenten krijgen de kans het onderwijs te volgen dat past bij hun niveau. En die kansenongelijkheid neemt toe. Bij leerlingen met gelijke intelligentie is de opleiding van de ouders steeds bepalender voor het verloop van de schoolloopbaan. Kinderen met hoger opgeleide ouders krijgen gemiddeld een hoger voortgezetonderwijsadvies, blijven minder vaak zitten en ‘stapelen’ vaker een hogere vervolgopleiding op een lagere vooropleiding.

Conclusie: ‘Zelfde talenten, verschillende uitkomsten.’ Tot zover het meritocratisch ideaal.

‘Daar schrok ik van’, aldus inspecteur-generaal Monique Vogelzang. Maar, zegt Herman van de Werfhorst, hoogleraar sociologie aan de Universiteit van Amsterdam en directeur van het Amsterdam Centre for Inequality Studies,  de ontwikkeling is al jaren gaande. ‘Men wilde het alleen niet weten.’

Nu lijken de ogen geopend. Het thema ‘ongelijkheid’ staat in brede zin meer in de belangstelling, constateert Van de Werfhorst. Of het nu gaat over inkomen, vermogens of de tweedeling in de maatschappij tussen lager en hoger opgeleiden. ‘Daarvoor heerste, zeker als het over onderwijs ging, de illusie dat er geen ongelijkheid was. Het was gewoon een kwestie van kansen pakken, niet van kansen krijgen. Dat gevoel leefde enorm sterk: bij het ministerie – waar ik regelmatig kom – en bij politici. Men was overtuigd van het meritocratisch systeem: met aanleg en inzet kun je er komen. Het was een verwrongen zelfbeeld.’

 

 Hoe verklaart u dat?

‘Er is in Nederland altijd veel gedaan aan het tegengaan van ongelijke kansen. We kennen bijvoorbeeld al decennia een gewichtregeling, waardoor scholen met veel leerlingen met lager opgeleide ouders meer geld krijgen. De Nederlandse politiek heeft altijd een correctiemechanisme gekoesterd. Vergelijk het met de koopkrachtplaatjes van Prinsjesdag: geen enkele groep mag er te veel op achteruitgaan.’

‘Het idee is: in Nederland repareert de politiek ongelijkheid. Maar nu is dat beeld gaan schuiven. De Inspectie heeft laten zien dat de ongelijkheid in het onderwijs toeneemt. Al sinds enkele jaren, niet pas recent nadat bijvoorbeeld de Cito-toets minder belangrijk is gemaakt.’

 

Is dat erg?

‘Dat hangt af van de oorzaak. Een verklaring is dat leerkrachten die een schooladvies geven informatie hebben over leerlingen die niet in Cito-toetsen tot uitdrukking komt. Over hun doorzettingsvermogen, het pushen door of de steun van ouders, het inzicht in de waarde van een diploma, betaalde huiswerkhulp. Dat kan allemaal maken dat de leerkracht denkt: dit kind komt er wel, ondanks de matige Cito-toets. Terwijl diezelfde leerkracht bij andere kinderen met diezelfde score denkt: laten we jouw lat maar niet te hoog leggen. Deze adviezen zijn dan weliswaar scheef, maar misschien wel accuraat.’

‘Het kunnen zulke rationele overwegingen van leerkrachten zijn, maar ook vooroordelen – we weten er simpelweg te weinig van. Een accuraat advies is bovendien iets anders dan een rechtvaardig advies. Als het gaat over wat rechtvaardig is, kom je in een normatieve discussie terecht. Daarin wil ik als wetenschapper niet al te zeer stelling nemen. We kunnen wel aan de hand van politiek-filosofische criteria beoordelen of een situatie rechtvaardig is. Het lijkt me onrechtvaardig als op basis van verwachtingen schoolloopbanen van kinderen worden belemmerd.’

 

Het is wel cru: we hebben lang het beeld gekoesterd dat afkomst in Nederland geen rol meer speelt. Maar deze nieuwe ongelijkheid is eigenlijk de oude ongelijkheid van een standenmaatschappij.

‘Iemand heeft het weleens “terug naar de tijd van voor de Mammoetwet” genoemd. Toen centrale toetsing ingevoerd werd, stapelen werd aangemoedigd – allemaal maatregelen die vanuit een egalitair gedachtegoed van gelijke kansen ontstonden. In dat opzicht zijn we terug bij af: de Cito-toets is minder belangrijk gemaakt, stapelen is veel moeilijker geworden. Er wordt gezegd dat stapelen weer een beetje toeneemt, maar dan moet je wel heel goed zoeken in de inspectiecijfers.’

 

Hoe verklaart u deze tendens?

‘Als je ziet waar ongelijkheid tot stand komt, dan is het gezin heel belangrijk. Dat zal geen socioloog ontkennen. Afkomst is veel belangrijker dan de school waar een kind naartoe gaat, denk ik. Als je iets aan ongelijkheid wilt doen, moet je daar dus zijn. Maar óf je er daar iets aan kunt doen, is een veel lastiger vraag. Het raakt aan vrijheden die we koesteren en waarin een overheid niet zomaar kan ingrijpen. Heel veel ongelijkheden zijn bovendien zo persistent: vergelijkbaar tussen landen en stabiel over de tijd. Onderwijsbeleid kan dan wel wat, maar echt niet alles oplossen.’

‘We hebben lang gedacht: die ongelijkheden ontstaan thuis in iets abstracts als het “cultureel klimaat”. Wordt er thuis veel voorgelezen? Maar dat is echt slechts een deel van het verhaal. Heel veel ongelijkheid ontstaat door heel bewuste keuzeprocessen van ouders – veel bewuster dan Bourdieu zou denken. Voorlichting over het belang van opleiding, pushen, betaalde huiswerkhulp, de leerkracht overreden. Maar je kunt het ouders moeilijk afraden of kwalijk nemen dat ze het beste voor hun kinderen willen.’

‘Een ander obstakel is dat scholen in Nederland veel autonomie hebben. “Handen af van het onderwijs” is een dogma geworden. De overheid houdt zich steeds meer afzijdig. Dan moet je niet verbaasd zijn dat scholen strategisch gaan handelen, waardoor de ongelijkheid toeneemt.’

 

 Herman van de Werfhorst

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Hoe bijvoorbeeld?

‘Scholen versmallen. Brede scholengemeenschappen krijgen hun vwo-klassen niet gevuld. Daarom splitsen ze hun vmbo-afdeling af. Terwijl de doorstroom van vmbo naar havo veel groter is in brede scholengemeenschappen.’

‘Als je als overheid geen visie ontwikkelt, gaan scholen gewoon hun gang. Dat kun je ze bijna niet kwalijk nemen. Hoewel ik vind dat ze een verantwoordelijkheid hebben om ongelijkheid in het oog te houden. Dat geldt ook voor gemeenten. Die gaan over schoolgebouwen. Waarom moedigen zij scholen niet aan brede scholengemeenschappen in stand te houden?’

 

Is er wel consensus over de wenselijkheid van het gelijkheidsideaal?

‘Er zal geen partij actief pleiten voor ongelijkheid. Het gaat erom hoe je de overtuiging dat ongelijkheid onwenselijk is, omzet in beleid. GroenLinks pleit nu voor de brede brugklas. Goed plan. Maar D66 benoemt ongelijkheid als zorg en zoekt de oplossing toch weer in “handen af van het onderwijs”, niet in structurele hervormingen. Ik betwijfel of het probleem echt wordt erkend.’

 

Minister Bussemaker en staatssecretaris Dekker reageerden op het inspectierapport over toegenomen ongelijkheid als volgt: er spelen allerlei factoren een rol en een eenvoudige oplossing is er niet.

‘Dat is natuurlijk waar. Maar er zijn maatregelen genomen die de ongelijkheid zeker niet hebben teruggedrongen. Zoals het minder belangrijk maken van de Cito-toets en het afschaffen van de basisbeurs.’

 

Laten onderwijsbeleidsmakers zich wel goed informeren door de wetenschap?

‘Vergeleken met andere landen gaat dat in Nederland op het eerste oog best goed. Het ministerie doet er veel aan om in contact te treden met wetenschappers. Maar of ze er wat mee doen? In zeer beperkte mate. Wij hebben er in Den Haag meerdere keren op gewezen dat de ongelijkheid toeneemt. Dat besef groeit nu. Minister Bussemaker heeft opeens het licht gezien: ongelijkheid moet bestreden worden. Maar juist zij heeft met het afschaffen van de basisbeurs en het minder belangrijk maken van de Cito-toets twee maatregelen genomen die echt niet goed zijn geweest voor het tegengaan van ongelijke kansen. De zoon van de bakker? Gaat niet meer studeren. Doorstroom van het hbo naar de universiteit? Gaat niet meer gebeuren. Dan nu plotseling roepen dat ongelijkheid bestreden moet worden, is gratuit.’

 

Op de dominantie van de Cito-toets was toch ook veel kritiek.

‘Alle toetsen hebben twee gezichten. Maar de oorsprong van de Cito-toets is: objectieve informatie verzamelen om ongelijkheden tegen te gaan. Ondanks alle kritiek op de toets – die voor een deel terecht is – is minder toetsing geen oplossing. Scholen moeten ook verantwoording afleggen voor wat ze doen. Rekenen, taal, maar ook andere dingen. Minder toetsen? Eerder meer. Dat gebeurt natuurlijk ook al. Leerlingvolgsystemen zijn niet geschikt voor advisering over de toekomst, wordt dan gezegd. Dat lijkt me een klein probleem.’

 

Iets anders waar u zich tegen verzet, is dat wij leerlingen al op 12-jarige leeftijd sorteren.

‘Als je later selecteert, verdwijnt niet alle ongelijkheid. Maar het is helder dat je op jongere leeftijd minder informatie hebt over wat een leerling in zich heeft. Dat is juist problematisch voor leerlingen die het niet van huis uit hebben meegekregen en het op school moeten laten zien. We weten: in vroeg selecterende landen is meer ongelijkheid. En in landen waar men later is gaan selecteren – Noorwegen, Finland, Zweden, Schotland, Frankrijk – is ongelijkheid afgenomen.’

‘Vaak wordt beweerd dat er sprake is van een uitruil tussen gelijkheid en efficiëntie.  Maar de evidentie voor de stelling dat de beteren lijden onder brede klassen is heel zwak. We zien niet dat prestaties beter zijn in landen waar vroeger geselecteerd wordt, zelfs niet aan de bovenkant. Sterker: het aandeel dat hoger onderwijs bereikt, is hoger in landen waar later wordt geselecteerd. Ook de verschillen in politieke participatie zijn groter. De tweedeling werkt overal in door.’

 

Als u minister van Onderwijs was, wat zou u dan als eerste veranderen?

‘Ik zou selectie vooral minder rigide maken. Omdat scholen versmallen en brugklassen verkort worden, is het selectiemoment zo deterministisch. Als je op het vmbo terechtkomt, is jouw voorland het mbo, niet de havo. Dat is een uitzondering geworden.’

‘Ik zou de brugklas liever zien als een echte overgangsfase tussen de basisschool en het voorgezet onderwijs. Je kunt beter ieder jaar nagaan of iedereen op de juiste plek zit, liever in brede dan in smalle scholengemeenschappen. Zelfs als het voor sommige vakken goed zou zijn om die in homogene klassen te geven, is het raar dat we feitelijk ook gym, maatschappijleer en geschiedenis apart geven. Als het gaat over de socialiserende functie van het onderwijs, om het met elkaar in contact komen, zijn er vakken denkbaar waarin dat eenvoudig kan.’

 

Jurre van den Berg is redacteur van Socialevraagstukken.nl. Dit is interview verscheen eerder in het herfstnummer van het Tijdschrift voor Sociale Vraagstukken.