Werkloze jongeren staan te lang aan de kant

De meerderheid van de jongeren in de bijstand - vanaf 1 januari van dit jaar de Participatiewet - zit opgesloten in de uitkering. Na een jaar is slechts een kwart uitgestroomd naar werk, terwijl 1 op de 8 (terug) naar school is. Gemeenten kunnen beter.

De helft van de jongeren in de bijstand verblijft na een jaar nog steeds of opnieuw in de bijstand. En ook voor jongeren blijkt te gelden: Hoe langer de bijstandsafhankelijkheid duurt, hoe kleiner de kans op uitstroom. Verloopt de gemeentelijke uitvoering van de bijstand voor jongeren wel optimaal?

De afschrikwekkende werking van de eigen zoektijd in de bijstand functioneert….

Sinds 2012 moet een jongere die een bijstandsuitkering wil aanvragen er eerst zelf vier weken alles aan doen om werk te vinden, anders moet hij terug naar school. Pas nadat hij in deze ‘eigen zoektijd’ voldoende activiteiten heeft ontplooid wordt de bijstandsaanvraag in behandeling genomen. Uit eerder onderzoek kwam al naar voor dat ongeveer 4 op de 10 jongeren niet meer terugkeert na de zoektijd, en de bijstandsaanvraag dus niet doorzet.

….. maar niet-zelfredzame jongeren vallen tussen wal en schip

Hoewel een deel van de niet teruggekeerde jongeren aan het werk of naar school is, geldt dat zeker niet voor allemaal. Er zijn ook jongeren die niet in staat zijn te voldoen aan de verplichtingen van de zoektijd omdat ze niet zelfredzaam genoeg zijn. Deze kwetsbare jongeren blijven verstoken van inkomenssteun, én van de juist voor hen zo broodnodige reïntegratie-ondersteuning, en ze verdwijnen van de radar van de Sociale Dienst van de gemeente.

Gemeenten gaan verschillend om met jongeren die zich melden, variërend van: geen enkele ondersteuning (40 procent van de gemeenten) tot verplichte ondersteuning (circa 20 procent). Daartussen bevinden zich gemeenten die weliswaar terughoudend zijn met hulp, maar hier wel toe over gaan indien jongeren onvoldoende zelfredzaam blijken (eveneens ca 40 procent). Verplichte ondersteuning is in strijd met het uitgangspunt van de wet, maar in lichte vorm en aan een beperkte groep van minder zelfredzame jongeren is dit wel legitiem, en kan het voorkomen dat juist deze kwetsbare jongeren zich afwenden van de gemeente. Bij lichte ondersteuning valt te denken aan nadere toelichting over de verplichtingen tijdens de zoektijdperiode en eventuele verwijzingen naar ondersteunende instanties als een Jongerenloket of een Regionaal Meld- en Coördinatie Centrum (RMC) voor vroegtijdig schoolverlaters.

Jeugdwerkloosheid hoog op de landelijke en regionale agenda….

Met de aanstelling van een speciale ambassadeur jeugdwerkloosheid, in de persoon van Mirjam Sterk, en met het vrijmaken van de nodige financiële middelen voor met name een stevige regionale aanpak van jeugdwerkloosheid heeft het kabinet de urgentie ervan duidelijk onderstreept. Ook op gemeentelijk niveau is de beleidsmatige en organisatorische aandacht ruim aanwezig. Dit blijkt bijvoorbeeld uit het feit dat de meerderheid van de gemeenten specifiek beleid voor werkloze jongeren heeft geformuleerd en over een eigen loket voor jongeren beschikt.

…. maar vertaling van deze ambities naar de uitvoeringspraktijk blijft achter

Deze beleidsaandacht leidt echter niet automatisch tot een adequate uitvoering. Klantmanagers werken bijvoorbeeld nog maar weinig met diagnose-instrumenten, waardoor jongeren in de WWB regelmatig niet de benodigde en specifieke dienstverlening ontvangen.

Verder wordt de aanwezige infrastructuur, zoals de jongerenloketten en werkgeversservicepunten, maar beperkt benut en is de handhaving dermate vrijblijvend dat er een serieus risico op willekeur binnen gemeenten optreedt, oftewel: ongelijke behandeling in gelijke gevallen.

Er is op de werkvloer dus nog een wereld te winnen, bijvoorbeeld via het opstellen van meer en betere werkinstructies en door een bredere inzet van objectieve diagnose-instrumenten en effectief gebleken interventiemethodes.

Het wettelijk kader legt de nadruk op re-activering en integrale dienstverlening….

Het leidende adagium van de WWB is werk, en in meer algemene zin activering. Met de introductie van de Participatiewet is het accent nog sterker op participeren gelegd. De wetgeving voor de uitvoering van de sociale zekerheid (wet SUWI) schrijft daarnaast voor dat de verschillende organisaties zodanig dienen samen te werken, dat er een ononderbroken en op elkaar afgestemde dienstverlening aan de cliënt moet zijn. Vanwege de recente decentralisaties naar gemeenten is deze integrale dienstverlening en ketensamenwerking alleen maar hoger op de agenda komen te staan.

….. maar naleving door gemeenten is beperkt en oppervlakkig

Belangrijke ingrediënten die het activerende karakter van de WWB vormgeven, betreffen de verplichting van uitkeringsgerechtigden om algemeen geaccepteerde arbeid te aanvaarden en de plicht van gemeenten om voor iedere WWB’er een Plan van Aanpak op te stellen. Maar juist op deze punten schiet de uitvoering te kort. Zo blijken gemeenten te weinig te controleren op breed zoekgedrag en op de kwaliteit van de zoekinspanningen van jongeren. Een aanzienlijk deel van de jonge WWB’ers zelf geeft zelfs aan vrijgesteld te zijn van de reintegratie- en sollicitatie- verplichtingen en in algemene zin geen baan te accepteren waar men ‘geen zin in heeft’.

Een Plan van Aanpak is bedoeld om vanuit de gemeente, vanaf het moment van instroom in de uitkering, samen met de jongeren een plan uit te stippelen naar reactivering, en de jongere hier medeverantwoordelijk voor te maken. Maar jongeren in de WWB blijken hier in veel gevallen niet van op de hoogte. Ook worden de plannen, na de wettelijk verplichte periodieke evaluatie, amper bijgesteld. Hierdoor blijven jongeren nogal eens hangen in een dienstverleningsfase, waardoor activering in het gedrang komt. Of het duurt weken, soms maanden, voordat er een nieuw traject start.

Samenwerking blijft achterwege

Ongeveer één op de drie jongeren in de WWB heeft, naast de Sociale Dienst, te maken met een zorg- of welzijnsinstelling. Hierbij gaat het bijvoorbeeld om jongeren die naast hun uitkering GGZ-ondersteuning ontvangen, schuldhulpondersteuning of maatschappelijke zorg. Cruciaal voor integrale dienstverlening is voldoende samenwerking tussen de betrokken organisaties. Maar in de praktijk blijft deze samenwerking met bijvoorbeeld GGZ, GGD en schuldhulpverlening veelal achterwege. Als er al wordt samengewerkt, dan blijft dat veelal beperkt tot het doorverwijzen van jongeren, en is er geen sprake van een warme overdracht of het afspreken van gezamenlijke doelen.

Als verklaring geeft een flink deel van de professionals van de Sociale Dienst aan het als de verantwoordelijkheid van de jongere zelf te zien om hen op de hoogte te houden van de dienstverlening bij deze andere organisaties en wijst een ander deel op de (te) hoge caseload om ook nog tijd vrij te kunnen maken voor samenwerking.
Al met verdienen werkloze jongeren, zeker de kwetsbaren onder hen, beter. Gemeenten kunnen én moeten meer doen om langdurige inactiviteit van deze jongeren die nog een heel leven voor zich hebben tegen te gaan.

Hubert Zuurbier is senior onderzoeker bij de Inspectie SZW. Justine Ruitenberg is projectleider bij de Inspectie SZW.

Dit artikel is gebaseerd op de onderzoeksrapport Buitenspel; De uitvoering voor jongeren in de WW of bijstand dat de Inspectie SZW vrijdag jl naar de Tweede Kamer stuurde, en een reeds in december 2014 uitgebracht Inspectie-rapport met de nadruk op de uitvoering van de eerste maanden in de WWB, inclusief zoektijd (‘Uitvoering van de WWB voor jongeren (18-27 jaar)).

Binnenkort is er een overleg in de Tweede Kamer over de WWB, waarbij deze onderzoeksrapporten over de WWB (en WW) voor jongeren ook op de agenda staan.

Foto: Bas Bogers

Reacties op dit artikel (2)

  1. Er is maar een echte oplossing: er moeten meer banen komen.
    In de praktijk is er juist van het omgekeerde sprake.
    Door de bezuinigingen en lastenverhogingen van de regering wordt de koopkracht van de burgers ernstig aangetast hetgeen veel banen heeft gekost.
    Ook de huidige belastingplannnen w.o. het verhogen van de BTW zal veel werkgelegenheid kosten bij de middenstand en horeca waar traditioneel veel jongeren werken.
    Zelfs een gerenomeerd bedrijf als Blokker voelt de crises hard en moet nu 400 werknemers ontslaan.

  2. Helaas komt het steeds vaker voor dat jongeren geen arbeidsplek kunnen die past in hun opleidingsrichting. Deze jongeren hebben een grotere kans om periodes van werkloosheid af te wisselen met tijdelijke, onzekere banen. Anderzijds hebben werkgevers steeds meer moeite om jong personeel te vinden met de vereiste ervaring en kwalificaties. Beide partijen zitten als het ware op elkaar te wachten wie er als eerst de ander tegemoet komt. De verschillen kunnen eenvoudiger overbrugd kunnen worden door bijvoorbeeld de kosten voor arbeid en opleiding voor werkgevers te verlagen. In de huidige belastingplannen worden lagere lasten op arbeid besproken. Dit maakt het voor werkgevers niet alleen interessanter om te investeren in scholing en arbeidsplaatsen voor jongeren, maar ook hebben jongeren minder kans om in periodes van laag conjunctuur werkloos te worden. Werkgevers en werknemers hebben elkaar nodig om voort te bestaan, derhalve moeten de centrale en decentrale overheden beide partijen de (financiële) ruimte bieden om tot elkaar te komen. Zeker in economisch zware tijden.

Reageer

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *