Solidariteit is meer dan een technisch vraagstuk

Het coalitieakkoord presenteert solidariteit als waarborg voor minimale bestaanszekerheid, niet als instrument om inkomensverschillen te corrigeren. Deze invulling past in een bredere ontwikkeling die de betekenis van solidariteit geleidelijk heeft verschoven, concludeert docent en onderzoeker Barbara Brink.

Coalitieakkoorden geven veel prijs over de wensen van de regeringspartijen en de  compromissen die zij met elkaar hebben gesloten. Een akkoord is weliswaar geen uitgewerkt beleidsprogramma en garandeert geen feitelijke uitkomst, maar markeert wel de normatieve koers die politiek wordt beoogd.

Doordat het zichtbaar maakt welke waarden en rechtvaardigingslogica voor de coalitie leidend zijn, fungeert het tevens als politieke zelfpresentatie en is het gesloten regeerakkoord bij uitstek geschikt om verschuivingen in waarden te signaleren.

Solidariteit als noodzaak

De verschuiving van waarden is bij het kabinet Jetten vooral zichtbaar in de wijze waarop het solidariteit als waarborg voor minimale bestaanszekerheid invult, via het belasting- en socialezekerheidsstelsel.

Stond solidariteit eerst voor een expliciet herverdelingsbeginsel, nu is het vooral een minimumwaarborg

We hebben het hier met andere woorden over solidariteit als institutioneel verdelingsprincipe dat bepaalt wie wat bijdraagt, wie beschermd wordt en welke inkomensverschillen door de nieuwe regeerploeg aanvaardbaar worden geacht.

Een analyse van de Nederlandse coalitieakkoorden tussen 2012 en 2026 laat zien dat de betekenis van solidariteit in veertien jaar tijd stapsgewijs is veranderd. Stond solidariteit eerst voor een expliciet herverdelingsbeginsel, nu is het vooral een minimumwaarborg. De invulling van solidariteit wordt in toenemende mate gepresenteerd als technische noodzaak. Politiek en beleid verwijzen daarbij met name naar de uitvoerbaarheid, vereenvoudiging en prikkels van het socialezekerheidsstelsel. Dat de wijze waarop je solidariteit praktisch vormgeeft vooral een politieke keuze is, is stilletjes naar de achtergrond verdwenen.

In het regeerakkoord van 2012 spraken de coalitiepartijen VVD en PvdA over herverdeling. Solidariteit fungeerde daarbij als normatieve rechtvaardiging voor een eerlijke verdeling van crisislasten. Hogere inkomens moesten relatief meer bijdragen om lagere inkomens te ontzien. Oftewel de coalitie zette solidariteit nadrukkelijk in als herverdelingsinstrument. Sterkere schouders moesten zwaardere lasten dragen opdat collectieve voorzieningen toegankelijk bleven, ook voor volgende generaties.

Andere toon

In 2017 veranderde de toon. Solidariteit werd door de coalitiepartijen toen - VVD, CDA, D66 en ChristenUnie - minder expliciet verbonden aan inkomensnivellering en meer aan individuele kansen en aan het omzien naar elkaar. Goede macro-economische cijfers waren niet langer voldoende, eenieder moest de vooruitgang kunnen ervaren. Er was ook aandacht voor vakmanschap in de uitvoering: professionals moesten meer ruimte krijgen. De focus verschoof van grootschalige herverdeling naar individuele beleving en professionele ruimte.

Begrippen als menselijke maat en recht op vergissen maakten hun opwachting

In 2021 kreeg solidariteit opnieuw een andere invulling. Onder invloed van de toeslagenaffaire en het gaswinningsdrama in Groningen werd zij door de coalitieregering van VVD, D66, CDA en ChristenUnie beschreven als correctiemechanisme. Solidariteit was niet alleen iets tussen burgers, het ging voortaan ook over de verantwoordelijkheid van de overheid om onrecht te voorkomen. De overheid moest weer uitgaan van vertrouwen in plaats van wantrouwen. Begrippen als menselijke maat en recht op vergissen maakten hun opwachting.

Tegelijkertijd werd bestaanszekerheid een centraal begrip. Het sociaal minimum moest periodiek worden herijkt om te beoordelen of het toereikend was om mee te doen in de samenleving. Solidariteit verschoof richting het beschermen van een ondergrens.

Activeringsinstrument

In de akkoorden van 2024 en 2026 wordt deze ontwikkeling doorgezet en verdere nivellering expliciet begrensd. Het belastingstelsel moet arbeid stimuleren, de marginale druk verlagen en het verschil tussen uitkering en werk vergroten. In 2026 wordt daarnaast gewezen op de complexiteit van de overheid, waardoor beloftes niet kunnen worden waargemaakt. Solidariteit wordt gepresenteerd als waarborg voor minimale bestaanszekerheid van specifieke kwetsbare groepen, met name werkende armen.

Daarmee verschuift solidariteit van expliciete normatieve rechtvaardiging naar bestuurlijke sturingslogica

Solidariteit is vanaf 2012 verschoven van een beginsel dat inkomensverschillen corrigeert naar een norm die een ondergrens bewaakt. Waar zij aanvankelijk werd gepresenteerd als actief herverdelingsbeginsel via progressieve belastingheffing en sociale zekerheid, staat nu het waarborgen van een toereikend sociaal minimum centraal. Ongelijkheid boven die grens wordt grotendeels geaccepteerd. Het belastingstelsel verschuift van herverdelings- naar activeringsinstrument.

Opvallend is dat deze politiek-inhoudelijke verschuiving vooral in technische termen wordt gepresenteerd: uitvoerbaarheid, vereenvoudiging en beheersbaarheid. Toeslagen moeten worden afgeschaft of gestroomlijnd; het stelsel moet slank en slagvaardig zijn. Daarmee verschuift solidariteit van expliciete normatieve rechtvaardiging naar bestuurlijke sturingslogica.

Politieke keuze

Achter deze taal van vereenvoudiging en activering gaan keuzes schuil over wie risico draagt en welke inkomensverschillen aanvaardbaar worden geacht. Wanneer je dergelijke keuzes als uitvoeringsvraag presenteert, verschuif je de discussie van politiek naar techniek en laat je de vraag wat een rechtvaardige verdeling van risico’s en middelen is, achterwege.

De verschuiving van herverdeling naar ondergrens is geen onvermijdelijk gevolg van uitvoerbaarheid, maar een politieke keuze. Het is een keuze om ongelijkheid boven het sociaal minimum te accepteren, en om de verantwoordelijkheid voor risico’s bij individuen te leggen. Dat verdient een openbaar debat. Want solidariteit is meer dan een technisch vraagstuk: het is een fundamentele vraag over hoe we als samenleving met elkaar omgaan. Laten we zelf het gesprek aangaan: wat is een rechtvaardige verdeling van welvaart en risico’s? En hoe geven we daar vorm aan?

Barbara Brink is docent en onderzoeker Socialezekerheidsbeleid aan de Rijksuniversiteit Groningen

 

Foto: Markus Spiske (Flickr Creative Commons)