Dit artikel heeft als doel om de kernconcepten uit het dossier Wat werkt bij samenlevingsopbouw (Van Pelt, Rensen & Spierts, 2024) en het nieuwe Expertiseprofiel opbouwwerk (2026) te verbinden aan de principes van de gemeenschapseconomie. Wat zijn aanknopingspunten en wat betekent dat voor opbouwwerkers?
Nieuwe definitie van waarde
Gemeenschapseconomie is ‘een economie die de gemeenschap dient en zich richt op het behoud van waarde in de eigen omgeving via participatieve, democratische besluitvorming en gedeeld eigenaarschap’, aldus de Amsterdamse werkdefinitie (Monitor, 2026).
Bewoners zijn niet langer enkel consumenten of cliënten, maar producenten en eigenaren van hun assets.
Het is een manier van denken die sinds de economische recessie van 2008 aan een sterke opmars bezig is in de Angelsaksische landen. De afgelopen jaren wordt er ook op vele plekken in Nederland de vraag gesteld: ‘Wat als de economie draait om het welzijn van onze gemeenschappen, in plaats van om eindeloze groei?’ (Commons Network & MeentCoop, 2025).
Bovenstaande definitie sluit naadloos aan bij veel principes van samenlevingsopbouw. De gemeenschapseconomie trekt deze principes door naar het economische domein: bewoners zijn niet langer enkel consumenten of cliënten, maar producenten en eigenaren van hun assets (dat wat er al is in de wijk), en daarmee hun toekomst (The Democracy Collaborative, 2023). Wat zien we als we door de bril van gemeenschapseconomie naar de doelen van samenlevingsopbouw kijken?
Lid én mede-eigenaar
Het eerste doel dat in het wat werkt-dossier wordt genoemd is het vergroten van sociaal kapitaal en sociale cohesie. Dit gaat over netwerken en de hulpbronnen die daaruit beschikbaar komen, zoals informatie, praktische steun en ingangen tot voorzieningen. Binnen de gemeenschapseconomie gebeurt dit uiteraard binnen de collectieven.
Er ontstaat kapitaal dat uitwisselbaar wordt zonder dat het de gemeenschap verlaat
Maar daar bovenop ontstaat er ook kapitaal dat uitwisselbaar wordt zonder dat het de gemeenschap verlaat. Dit kent vele vormen: van buurtmunten tot sociale ondernemingen tot wijkcoöperaties (Dubb, 2016). Hierbij is de verticale relatie tussen burgers en instituties (linking sociaal kapitaal) belangrijk: wanneer een buurtcoöperatie toegang krijgt tot gemeentelijk vastgoed of kan inschrijven op aanbestedingen, kan gemeenschappelijk sociaal kapitaal omgezet worden in duurzame economische waarde voor de wijk.
Een voorbeeld hiervan is het alom geroemde Grondstoffenstation in de Afrikaanderwijk in Rotterdam. Al vanaf 2017 vormt dit de plek waar bewoners zelf zorgen voor inzameling, scheiding en hergebruik van de afvalstromen van de weekmarkt. Zij krijgen hiervoor betaald door de vereniging waar ze lid én mede-eigenaar van zijn: de Afrikaanderwijk Coöperatie.
Verdienmodel
Ten tweede gaat het bij samenlevingsopbouw over sociaal leren en capaciteitsontwikkeling. De focus ligt daarbij op hoe een gemeenschap van en met haar deelnemers leert en daarmee capaciteiten en assets kan (door)ontwikkelen. Een krachtig voorbeeld hiervan is het pilot incubatorprogramma in Amsterdam (2024).
Deze incubator was bedoeld om bewoners te ondersteunen bij het opzetten van coöperaties met een ‘verdienmodel met gedeelde kennis, governance en eigenaarschap’. Hierbij leerden bewoners niet alleen hoe ze een bedrijf moeten runnen, maar ook hoe zij winsten binnen het stadsdeel konden houden en middelen onderling konden delen.
De alledaagse democratie krijgt een structurele vorm in coöperaties of collectief beheer
Het derde doel van samenlevingsopbouw gaat over democratie en zeggenschap. Het idee van alledaagse democratie (Dzur, 2008) krijgt daarbinnen speciale aandacht: via lokale ontmoetingen en zeggenschap van bewoners in hun eigen buurt en werkomgeving krijgt de democratie dagelijks vorm. Binnen de gemeenschapseconomie krijgt deze alledaagse democratie een structurele vorm in coöperaties of collectief beheer.
Of het nu gaat om een energiecoöperatie waar bewoners samen eigenaar zijn van de opgewekte stroom, of een buurtmoestuin die bijdraagt aan voedselzekerheid: het zijn allemaal vormen van alledaagse democratie binnen de wijkeconomie.
De welvaartsarchitect
Op deze manier, door de drie doelen van samenlevingsopbouw te koppelen aan economische concepten, wordt de brug opgebouwd. Maar wat is de rol van professionals die in hun dagelijkse werk bezig zijn met gemeenschapsversterking? Ik zoom in op één sociaal werker die in het bijzonder geschikt is voor deze ‘bouwtaak’: de opbouwwerker.
In het hernieuwde Expertiseprofiel opbouwwerk (2026) lezen we immers dat de opbouwwerker fungeert als een ‘bruggenbouwer die in staat is om een brugfunctie te vervullen tussen inwoners, overheden en instanties’. De professional is aanwezig in de leefwereld van mensen en beweegt tussen de informele netwerken in de wijk en de systeemwereld van woningcorporaties, financiële instellingen en overheden. Dit betekent dat deze professional creatief in dient te spelen op wat nodig is in de praktijk, zeker wanneer protocollen het denken in termen van gemeenschapseconomie beperken.
De opbouwwerker toont aan hoe structuren – zoals de privatisering van publieke ruimte – uitsluiting veroorzaken
De moderne opbouwwerker pakt bovendien een politiserende rol op, door onrecht te agenderen en beleid open te breken voor nieuwe perspectieven. In een economische context betekent dit dat de professional machtsverhoudingen zichtbaar maakt en onrechtvaardigheid agendeert, bijvoorbeeld door aan te tonen hoe huidige structuren – zoals de privatisering van publieke ruimte of marktwerking in de zorg – uitsluiting veroorzaken.
Tot slot is de inzet van een opbouwwerker altijd gericht op het behouden van zoveel mogelijk eigenaarschap en zeggenschap bij de bewoners zelf, óók als het hun eigen economische toekomst betreft. De opbouwwerker draagt daarom bij aan het sociaal leren van alle betrokkenen, waarbij bewoners(groepen) in staat zijn om zelfstandig te overleggen en onderhandelen over de diensten en de totstandkoming van arrangementen voor de wijk. Denk aan lokale inkoopcontracten, het beheer van wijkvoorzieningen of aandacht voor gemeentelijk vastgoed dat voor zelfbeheer geschikt is (zoals in het project Vrije Ruimte in Amsterdam). De opbouwwerker kan kortom de rol van welvaartsarchitect aannemen: iemand die de brug tussen het sociaal domein en de lokale economie mee-ontwerpt én meebouwt.
Een nieuw mandaat
De gemeenschapseconomie is geen abstracte economische theorie, maar een doorleefde praktijk van samenlevingsopbouw. In Amsterdam alleen al zijn er recent 1.245 initiatieven geïdentificeerd (AmsterDOEN, 2025). Wat deze ontwikkelingen betekenen voor samenlevingsopbouw is onderwerp van gesprek. Voor sociaal professionals betekent het in elk geval een verbreding van hun mandaat.
We hebben niet alleen ‘zorgers’ nodig, maar ook ‘bouwers’ die snappen hoe geldstromen lopen en hoe deze kunnen worden omgebogen naar de gemeenschap. Het is nu aan professionals, beleidsmakers en bewoners om de economie terug te brengen naar waar zij hoort: in de handen van de gemeenschap.
Arno Kierkels is socioloog, bedrijfskundige en onderzoeker bij het lectoraat Sociale Veerkracht aan Fontys Sociale Studies.
Foto: Andrea Piacquadio via Pexels.com