Zelforganisatie komt van onderop en is niet af te dwingen

De laatste jaren staat de zelforganisatie van mensen hoog op de politieke agenda. In de ‘participatiesamenleving’ behoren burgers voortaan zelfredzaam te zijn en zorg te dragen voor elkaar. Dat vraagt om een omslag in denken en handelen van burgers én professionals.

Om handen en voeten te kunnen geven aan deze omslag kunnen we gebruik maken van inzichten uit het complexiteitsdenken, een theorie over de eigenschappen en de evolutie van systemen die zichzelf organiseren zonder interne centrale controle of externe sturing. In dit denken staan de eigenschappen en de evolutie van complex adaptieve systemen centraal. Eén van de fundamentele eigenschappen van deze systemen is dat ze in staat zijn om zichzelf te organiseren zonder interne centrale controle of externe sturing. In deze bijdrage gebruiken we inzichten uit het complexiteitsdenken om aangrijpingspunten te benoemen om zelforganisatie van burgers te stimuleren.

Veel inzichten over zelforganisatie zijn afkomstig uit de wiskunde en de natuurwetenschappen. In tegenstelling tot mieren, spreeuwen, ijskristallen, laserlicht, zandhopen en ecosystemen beschikt de mens echter ook over cognitieve vermogens. Hij bezit denkkracht en het vermogen om intentioneel te handelen en hij kan zelforganisatie bewust en proactief beïnvloeden. Het is dan ook verstandig om de inzichten uit de ecologische, wiskundige en natuurwetenschappen niet één op één toe te passen op sociale systemen als buurtgemeenschappen, organisaties, burgerinitiatieven en verenigingen. Desalniettemin kunnen we veel leren van deze inzichten. De menselijke vermogens zorgen echter voor een extra dimensie, waarbij we tot op heden niet weten wat de exacte consequenties zijn van deze dimensie op het ontstaan, evolueren en stimuleren van zelforganisatie.

Zelforganisatie ontstaat spontaan wanneer mensen een gemeenschappelijk belang delen

Zelforganisatie ontstaat ‘spontaan’ wanneer individuele burgers elkaar vinden in een gedeeld belang of een gemeenschappelijke interesse. Het kan gaan om gezamenlijk zorg dragen voor de leefbaarheid of veiligheid in de buurt, het opzetten van een klussendienst, het organiseren van activiteiten voor ouderen of actievoeren voor de opheffing van een ongewenste situatie. Belangrijk uitgangspunt is dat burgers zelf beslissen of zij actief worden of niet: ze hebben vrijheid van handelen en denken. Zelforganisatie is dus niet af te dwingen door beleidsmakers, professionals of buurtbewoners die vinden of eisen dat andere bewoners ook iets moeten doen.

Wanneer mensen elkaar gevonden hebben rondom een gemeenschappelijk belang of een gemeenschappelijke interesse, starten ze met het afstemmen van hun visies en gedrag. Vinden we hetzelfde? Wat gaan we doen? Wie doet wat? In dit proces van afstemmen is geen sprake van interne centrale controle. Niemand heeft de macht om anderen te dwingen zich te conformeren aan zijn idee. Bij een zelforganisatie is macht niet geconcentreerd bij één iemand, maar verspreid over alle betrokkenen. Er is dan ook eerder sprake van beïnvloeding. Juist vanwege die vrijheid van denken en handelen en omdat de deelnemers hun gedachten en gedragingen niet aan elkaar hoeven te verantwoorden is het, zoals Justus Uitermark in zijn oratie al stelde, ´een kwestie van steggelen, ploeteren en improviseren om uiteenlopende idealen en belangen met elkaar in lijn te brengen´.

Het collectief is meer dan de som der delen

Wanneer de leden van de zelforganisatie hun uiteenlopende idealen en belangen met elkaar in lijn weten te brengen, ontstaat een collectief. Kenmerkend in dit proces is dat de interacties tussen de betrokken mensen leiden tot een collectief dat geheel andere kenmerken heeft dan we op basis van het gedrag van de individuele leden mogen verwachten: het geheel is meer dan de som der delen. Het collectief heeft een specifieke identiteit, cultuur, reden van bestaan en organisatiewijze.

Het collectief is niet alleen het resultaat ván, maar ook een oorzaak vóór zelforganisatie omdat het een conditionerende invloed uitoefent op de betrokken individuen. De manier waarop bijvoorbeeld buurtbewoners samenleven als buurtgemeenschap – ‘de buurtcultuur’ – bepaalt mede de manier waarop bewoners zich naar elkaar gedragen. Wanneer een bewoner samen met andere bewoners een buurtfeest wil organiseren, een actie op touw wil zetten tegen de parkeeroverlast of activiteiten voor ouderen in de buurt wil organiseren, zal dit gemakkelijker gaan in een buurt waar bewoners lief en leed delen dan in een buurt waar bewoners langs elkaar heen leven.

Dat het collectief een conditionerende invloed heeft, wil niet zeggen dat de kenmerken van het collectief – cultuur, organisatiewijze, reden van bestaan – bepalen hoe de betrokken bewoners zich gedragen. De deelnemers hebben immers vrijheid van denken en handelen: een eigen identiteit. Dus wanneer een burger zich niet meer prettig voelt bij het collectief is hij vrij om te stoppen met zijn vrijwillige deelname. Het collectief – inclusief de leiders – kan dan ook alleen blijven bestaan als ze continu opnieuw wordt herbevestigd door de leden.

Ook het collectief heeft een bepaalde autonomie. Immers, het ontstaat en houdt zich in stand zonder externe sturing. Dit betekent echter niet dat het collectief zichzelf organiseert los van de omgeving. Of het nu gaat om de buurtgemeenschap, de speeltuinvereniging, de sportvereniging, het wijkplatform of een burgerinitiatief: allemaal wisselen ze continu informatie en betekenissen uit met hun omgeving.

Zelforganisatie is niet af te dwingen

Met de wisselwerking tussen het collectief en zijn omgeving is iets speciaals aan de hand, namelijk dat het collectief zich voortdurend aan veranderingen in zijn omgeving aanpast op basis van zijn eigen identiteit en op de voor hem beste wijze. Zo reageert een buurtgemeenschap op voorgenomen plannen van de gemeente, zoals de herinrichting van een straat of grootschalige sloop en nieuwbouw. Deze buurtgemeenschap past zich aan deze verstoring aan door protest- of meewerkende groepen te organiseren. Gemeentelijke plannen vormen uiteraard niet de enige contextuele prikkels waar buurtgemeenschappen zich aan aanpassen. Denk bijvoorbeeld aan overlast van hangjongeren, economische crisis, nieuwkomers of extra subsidiemogelijkheden.

Hoezeer de politiek en het bestuur dat wellicht willen, zelforganisatie van mensen is niet af te dwingen. Het is een proces dat van onderop vorm krijgt wanneer mensen bereid en bekwaam zijn om hun eigen belangen en interesses op één lijn te krijgen. Moeten politiek en bestuur dan gelaten afwachten of de zelforganisatie inderdaad de vlucht neemt die zij wensen? Nee, want de beste manier om vormen van zelforganisatie in een samenleving bevorderen is door voorwaarden te scheppen voor mensen om zichzelf te organiseren. Faciliteren en stimuleren dus.

Ivo Nienhuis promoveerde 14 november 2014 op het onderwerp zelforganisatie in de buurt aan de faculteit der ruimtelijke wetenschappen van de Rijksuniversiteit Groningen. Als senior adviseur en onderzoeker verbonden aan Spectrum, partner met elan doet Nienhuis onderzoek voor gemeenten, instellingen en de provincie Gelderland over zelforganisatie, burgerparticipatie, wijkgericht werken en het stimuleren van leefbaarheid in wijken en dorpen. Zijn boek ‘Zelforganisatie in de buurt’ is te bestellen via http://www.inplanning.eu/nl/publicaties/phd-series/zelforganisatie-de-buurt/

Reacties op dit artikel (7)

  1. Uitstekend stuk. Dit is waar ik in kan geloven. Uit individuele vrijheid onze eigen samenleving hervormen. Want de burger is de enige die weet wat hij voor samenleving wil in zijn naaste omgeving. Dus faciliteren vanuit overheid graag, bemoeienis vanuit de overheid nee. Gefeliciteerd en op naar een meer community driven gemeenschap ipv centraal gestuurd vanuit nederland regelland.

  2. Dank voor dit uitstekend leesbare stuk. Het laatste stuk intrigeert mij: “Moeten politiek en bestuur dan gelaten afwachten of de zelforganisatie inderdaad de vlucht neemt die zij wensen? Nee, want de beste manier om vormen van zelforganisatie in een samenleving bevorderen is door voorwaarden te scheppen voor mensen om zichzelf te organiseren. Faciliteren en stimuleren dus.”
    Hoe doen politiek en bestuur dat? Over wat voor soort voorwaarden gaat het? Hoe faciliteer je en hoe stimuleer je?
    Ik ga het boek in ieder geval bestellen en lezen, maar suggesties op deze pagina zijn natuurlijk welkom.

  3. @ Hans
    om over na te denken: is zelfsturing hetzelfde als zelforganisatie?

    @ Dick
    Politiek en bestuur kunnen bijvoorbeeld dialogen organiseren met burgers (en uiteraard professionals en andere partijen) over wat ze van elkaar verwachten in de ‘participatiesamenleving’. Maar ook een klimaat scheppen binnen de gemeente waarin het vanzelfsprekend is dat ambtenaren de tijd en ruimte krijgen om te experimenteren met zelforganisatie. Wat die ambtenaren dan kunnen doen,is bijvoorbeeld de vonk inzetten (http://www.devonkvannederland.nl/) of de Burgerkrachtgenerator toepassen (ik werk nu aan een beschrijving, deze vind je medio volgend jaar in de databank van Movisie). Inmiddels is de generator een aantal keren succesvol toegepast en aangescherpt. In het kort: de Burgerkrachtgenerator is een methodiek die uitgaat van olievlekwerking – klein en concreet beginnen – en boort de (verborgen) energie van bewoners aan. Samen met een kopgroep van actieve bewoners wordt het traject vormgegeven. Deze actieve bewoners dragen andere bewoners (bekenden, buren) aan die willen deelnemen aan kleinschalige gesprekken. In deze gesprekken stuurt de gespreksleider slechts op één moment door het stellen van een hoofdvraag: wat heeft u zowel nu als in de toekomst nodig om een prettige manier te kunnen leven en wonen in de buurt / het dorp, en wat wilt u hier zelf aan bijdragen? De deelnemers vertellen vervolgens verhalen aan elkaar rondom deze hoofdvraag. Deze verhalen worden samen met de kopgroep geanalyseerd en onderverdeeld in een aantal thema’s. Deze thema’s staan vervolgens centraal in een dorps- dan wel buurtbrede bijeenkomst. Wordt deze herkend en gedeeld? Zijn er aanvullingen? Maar bovenal wordt er aan de slag gegaan met de thema’s en wordt aan de betrokkenen gevraagd om hun contactgegevens achter te laten wanneer ze verder aan de slag willen met een thema. Deze themagroepen gaan vervolgens zelf aan de slag zonder inmenging van professionals. Pas wanneer ze er zelf niet uitkomen wordt er ondersteuning geboden: stevig loslaten en maximaal eigenaarschap van bewoners zijn hier de uitgangspunten. Het resultaat is vaak dat er zelf organiserende collectieven ontstaan die, toevalligerwijs, bijvoorbeeld een relatie hebben met gemeentelijk beleid als de Wmo.

Reageer

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *