Goed nieuws: we zijn kampioen zitten!

Volgens TNO zijn we Europees kampioen zitten. Ondanks de gezondheidsrisico’s van zittend werk, zijn mensen met staand of fysiek actief werk niet gezonder. Volgens docent-onderzoeker Bart Cillekens vergroot de focus op zittend werk onbedoeld gezondheidsverschillen in plaats van ze te verkleinen.

Volgens onderzoeksinstituut TNO zat een werkende Nederlander in 2024 gemiddeld 8 uur en 48 minuten per dag. Dit wordt doorgaans als een probleem omschreven. Mensen die meer dan 8 uur per dag zitten, hebben 74 procent meer risico op hart- en vaatziekten, diabetes type 2 en zelfs vroegtijdig overlijden ten opzichte van mensen die maximaal 4 uur zitten (TNO, 2024).

Het zitgedrag is niet alleen een gezondheidsvraagstuk, maar ook een markt

Tegelijkertijd is rond dit ‘zitprobleem’ een miljoenenindustrie ontstaan van kantoorartikelen, apps en adviseurs die zich richten op het verminderen van zitgedrag. Van zit-sta bureaus tot beweegapps en van nationale campagnes met Willie Wartaal tot vitaliteitscoaches: het zitgedrag is niet alleen een gezondheidsvraagstuk, maar ook een markt.

De langzitters

Het aantal uren zitten is sterk afhankelijk van het beroep dat iemand uitoefent. Zo zitten ICT’ers (7,1 uur), bedrijfseconomische en administratieve beroepen (6,4 uur) en managers (5,9 uur) relatief veel op hun werk, vooral in vergelijking met bijvoorbeeld de agrarische sector (1,9 uur). Er is dan ook een samenhang tussen opleidingsniveau en zitten.

Personen afgestudeerd aan een hbo- of universitaire opleiding zaten in 2024 gemiddeld 5,9 uur per werkdag (TNO, 2024). Hiermee zitten hoogopgeleiden op hun werk bijna 2 uur meer dan  mensen met een mbo-diploma en ruim 3 uur meer dan mensen met alleen basisonderwijs (Kenniscentrum Sport & Bewegen, 2024).

Als zitten zo slecht is voor je gezondheid, dan zullen deze praktisch opgeleide werkenden vast een stuk gezonder zijn? Nee, we zien dit niet terug in de cijfers. Mensen met alleen basisonderwijs leven gemiddeld 8,3 jaar korter en brengen zo’n 14 jaar minder in goede gezondheid door dan hoger opgeleiden (RIVM, 2025). Toch raar, gezien het verhoogde risico op hart- en vaatziekten. Of met andere woorden: de groep die het minst zit op werk, is het ongezondst.

Als mensen niet zittend werken

Laten we uitpluizen wat mensen doen als ze niet zitten op het werk. Dan zijn er grofweg twee opties: zij hebben staand werk, of ze hebben een baan waarin ze veel moeten bewegen. Deze beide opties blijken ook niet zonder risico: beroepen waarin vooral wordt gestaan, worden in verband gebracht met bijna een verdubbeling van het risico op hartziekten in vergelijking met zittend werk (Smith et al., 2018).

En fysieke activiteit op het werk zoals tillen, duwen, werken in ongemakkelijke houdingen, hangt samen met meer klachten aan het bewegingsapparaat en een hoger cardiovasculair risico en vroegtijdig overlijden, plus tal van andere ongunstige gezondheidsuitkomsten (Cillekens, 2025).

Kampioenschappen moet je vieren

Dus ja, we zijn Europees kampioen zitten. Maar dat zegt vooral iets over het soort banen dat we hebben binnen onze kenniseconomie. Geen interventie die een paar minuten zitten van de werkdag afsnoept, gaat daar wezenlijk iets aan veranderen. Vijftien minuten minder zitten op het werk zet qua tijd nauwelijks zoden aan de dijk: je zit nog steeds ruim boven de acht uur per dag.

Juist in autonome beroepen ligt de oplossing vaak al ingebouwd in de werkdag

Bovendien zijn de gezondheidsvoordelen van dit soort kleine onderbrekingen wetenschappelijk nog niet heel stevig aangetoond, zeker niet op de langere termijn. En als er al effecten zijn, komen die vaak terecht bij de groepen die het al het minst nodig hebben: de hoger opgeleide, relatief gezondere werknemers.

Misschien mogen we dit kampioenschap dus juist vieren. Het stijgende aantal uren zitten is vooral een welvaartsfenomeen. Een bijkomend voordeel is dat veel van onze beroepen autonomer zijn geworden. En juist in autonome beroepen ligt de oplossing vaak al ingebouwd in de werkdag: de vrijheid om even op te staan, een rondje te lopen, kortom om zelf je dag in te delen. Dát moeten we natuurlijk stimuleren.

De grote uitdaging

Maar het echte verschil in zitgedrag kunnen we maken in de vrije tijd. Waar theoretisch opgeleiden vaker zitten op het werk, zitten praktisch opgeleiden juist vaker in hun vrije tijd (RIVM, 2023). Niet omdat ze dat willen, maar omdat ze moeilijk iets anders kunnen na een zware werkdag.

Daar ontstaat de kloof. Naast dat we Europees kampioen zitten zijn, zijn we in Nederland ook Europees kampioen sporten (NOS, 2024). Zo’n 80 procent van de Nederlanders doet aan recreatief bewegen. We zijn massaal lid van sportverenigingen en tevreden met de mogelijkheden in de woonomgeving. Maar ook wat sporten betreft zijn de verschillen tussen groepen groot: twee derde van de theoretisch opgeleiden doet aan sport, bij praktisch opgeleiden is dat slechts een op de drie (Mulier Instituut, 2023).

Sporten moet niet alleen iets zijn voor de zittende elite

De grote uitdaging zit er dan ook niet in om minder te zitten, maar om kampioen vrijetijdsbeweging te blijven: sport en bewegen stimuleren en de jeugd van jongs af aan laten bewegen in een beweegvriendelijke omgeving. Daarnaast ligt de uitdaging in het beter laten deelnemen van groepen die weinig bewegen in hun vrije tijd, met name praktisch opgeleiden met fysiek zwaar werk en minder autonomie. Zodat sport niet alleen iets blijft voor de (zittende) elite (Pulles & Breedveld, 2015).

Laat mensen met zwaar werk niet zitten!

We kunnen campagnes blijven bedenken en adviezen als ‘gebruik de trap in plaats van de lift’, ‘ga wandelend vergaderen’ blijven herhalen. Maar dit zijn aanbevelingen die vooral resoneren bij (autonome) zittende werknemers. Maar wat kan een buschauffeur, bouwvakker of productiemedewerker met dit soort adviezen?

Er is goedbedoelde aandacht voor zitten op kantoor, terwijl de echte verschillen elders ontstaan

Zolang we geen echte oplossingen bieden voor mensen die al de hele dag staan, tillen en bewegen, vaak met weinig autonomie, blijft gezondheid iets voor wie er nog energie voor over heeft. Deze campagnes, maar ook veel onderzoek en beleid, worden niet toevallig vaak gemaakt en uitgevoerd door mensen met zittend werk én autonomie. Mijn angst is dat we daarmee de gezondheidsongelijkheid juist vergroten in plaats van verkleinen.

De miljoenen euro’s die naar interventies en onderzoek binnen de zittende beroepsgroep gaan, dragen daar mogelijk aan bij: goedbedoelde aandacht voor zitten op kantoor, terwijl de echte verschillen elders ontstaan. Precies dáár zit de echte ongelijkheid.

Bart Cillekens is wetenschappelijk docent binnen Amsterdam UMC, Department of Public and Occupational Health. Dit stuk is geschreven op persoonlijke titel.

 

Foto: Valentin Angel Fernandez via Pexels.com