COLUMN De plooibare werker: voortdurende aanpassing is het nieuwe normaal

‘Wie wil er nou iemand in dienst nemen van vijftig plus?' verzucht Ton. Ton is klant bij Dress for Succes Rotterdam. Hij komt daar omdat hij een uitnodiging heeft gekregen voor een sollicitatiegesprek en omdat zijn klantmanager bij de sociale dienst suggereerde dat kledingadvies en een nieuwe outfit geen kwaad konden.

Ik tekende Ton’s verhaal op toen ik in het voorjaar van 2016 een poos onderzoek deed bij Dress for Succes. Dat is een stichting die met subsidie en donaties kledingadvies en kleding geeft aan mensen met een uitnodiging voor een sollicitatiegesprek en onvoldoende middelen om zich daar gepast voor te kleden. Ik wilde observeren hoe dat eigenlijk gaat: adviseren hoe mensen zich moeten kleden voor de hedendaagse onzekere arbeidsmarkt. Als de nieuwe Participatiewet verlangt dat mensen arbeid niet verhinderen door hun kleding of uiterlijk (artikel 18), hoe adviseert de stichting waar de sociale dienst naar doorverwijst dan dat het moet?

Wat bleek? De voornaamste les was om plooibaar te zijn: steeds bereid om te veranderen en ook in staat dat te doen.

Ton zegt overal toe bereid te zijn

Ton zegt overal toe bereid te zijn. Hij is nu ruim drie jaar werkloos na 35 jaar gewerkt te hebben en is daar verdrietig over. Het is moeilijk om een baan te vinden op zijn leeftijd, zegt hij. Zijn eerste baan, 35 jaar geleden was in de Rotterdamse haven: dragen, heftruck rijden, cargo vervoeren. Na verschillende banen kwam hij in een magazijn te werken voor kantoorartikelen. Hij was, zoals hij het zelf noemt ‘allround medewerker’. Vijfentwintig jaar later ging het bedrijf failliet aan concurrentie van webshops.

Ton’s verhaal is bijna een metafoor voor de Rotterdamse economie: stevig groeiend in de eerste helft van de twintigste eeuw, veerkrachtig na de Tweede Wereldoorlog en met een forse werkgelegenheid voor lichamelijke arbeid in de haven en sectoren zoals de logistiek. Net als Ton heeft ook de Rotterdamse economie het moeilijk sinds die sectoren worstelen: veel werk werd geautomatiseerd, verplaatst naar andere delen van de wereld, en nu is er ook nog de dreiging van robotisering.

Onzekere dienstverbanden

De Rotterdamse bevolking bestaat nog altijd grotendeels uit de mensen die werkzaam waren in die zware haven-gerelateerde sectoren (en hun kinderen natuurlijk): relatief laagopgeleid, gericht op industrie. Maar in die sectoren zijn dus niet meer zoveel banen. De hedendaagse werkgelegenheid is in overgrote meerderheid in onzekere dienstverbanden in de diensteneconomie: de gezondheidszorg, horeca, schoonmaak.

In veel van die sectoren werken mensen in directe interactie met de eindgebruiker van de dienst: de patiënt, klant, toerist, student. In die ‘interactieve dienstverlening’ is uiterlijk belangrijker dan op de heftruck, maar breder gezegd zijn de persoonlijkheid en de communicatieve vaardigheden van werkenden nu onderdeel van het werk geworden. Een receptionist in een hotel levert ook een dienst door er op een bepaalde manier uit te zien, te spreken, te lachen. Als er dan steeds sprake is van een nieuw, kortlopend dienstverband, moeten werkenden dus ook steeds zichzelf een beetje veranderen. Die plooibaarheid kan slopend zijn.

Kledingadvies

Ton heeft een voorkeur voor een nette outfit, zegt hij: een jasje zou mooi zijn. Johan en Nathalie, de vrijwilligers die het kledingadvies verzorgen deze ochtend, denken dat een meer informele, casual look eigenlijk ook wel heel goed zou zijn. Jasjes, zo voegen zij ook toe, zijn misschien lastig gezien Ton’s maten: hij is klein maar stevig en jasjes zijn dan naar verhouding al gauw te lang. Maar Ton zegt niet zomaar een mooi jasje te kunnen betalen. Zeker een colbert in blauw of grijs zou geweldig zijn.

Hij past het eerste jasje en stapt de kleedkamer uit. Johan en Nathalie zijn heel enthousiast: ‘Kijk, kijk, kijk, dit wordt interessant!’, zegt Johan. Voor de spiegel is Nathalie het eens: ‘Dit is een hele andere meneer!’ Ton is ook tevreden en wil eigenlijk het liefst met dit jasje afsluiten. Maar Johan en Nathalie hebben nog meer advies en zijn nog niet toe aan conclusies. Ton past zodoende nog verschillende outfits: shirts, jasjes, jeans. Johan zegt ook hoe het goed zou zijn als Ton verschillende opties heeft qua combineren met zijn eigen kleding, want de kans dat Ton nog vaker moet gaan solliciteren is groot.

De spiegel is belangrijk hier: deze is onderdeel in een (letterlijke) reflectie-oefening waarin van Ton wordt gevraagd zijn verbeelding aan het werk te zetten en alternatieve toekomstige paden voor zichzelf te zien. Of scherper nog: er wordt hem gevraagd zich voor te stellen hoe hij zelf anders zou kunnen worden voor alternatieve toekomsten door zichzelf steeds te zien in andere outfits: een casual Ton, een formele Ton, een Ton achter een hotelbalie, een Ton in de groenvoorziening, steeds een ‘hele andere meneer’.

Bereidheid steeds te veranderen

Dit is wat de huidige arbeidsmarkt van mensen vraagt: een oriëntatie op steeds nieuwe sectoren en steeds nieuwe werkcontexten en daarmee, uiteindelijk ook een bereidheid steeds zelf te veranderen. Ton’s voorkeur voor een grijs of blauw colbert is begrijpelijk maar ook een symbool voor een economie die er steeds minder is: een economie waarin ‘netjes’ voor mannen jasjes en blauw en grijs betekent. De diensteneconomie die nu voor banen zorgt is niet zo voorspelbaar en vraagt dus voortdurende aanpassing.

Die aanpassing doet soms pijn. Want in een vaste baan, waar je collega’s leert kennen en weet wat je baas van je verlangt, kun je soms gaan rusten in de rol die je hebt: je weet wat er van je wordt verwacht, welke rol je moet spelen en vaak ook wat de dresscode is. Bij steeds wisselende contracten blijft dat onduidelijk. Het kledingadvies waarin Ton steeds iets anders moest laten zien is daarvoor ook metaforisch: geen outfit is voor iedere werkcontext altijd passend en Ton moet in de interactie met Johan en Nathalie wennen aan de veranderlijkheid, de potenties en variaties.

Uiteindelijk krijgt Ton toch het eerste jasje. Als hij zijn spullen pakt om weg te gaan, complimenteer ik hem: ‘U ziet er scherp uit hoor, in dit jasje’. Ton: ‘Ja, nou, ik ben ook scherp. Maar echt. Ik sta vroeg op, ik ga naar buiten, ik ben ook scherp.’

Marguerite van den Berg is universitair docent sociologie aan de Universiteit van Amsterdam. Ze werkt nu aan onderzoek over precair werk in Nederland.

Foto: Chrisowenrichards (Flickr Creative Commons)

Dit artikel is 1143 keer bekeken.

Reacties op dit artikel (3)

  1. “een casual Ton, een formele Ton, een Ton achter een hotelbalie, een Ton in de groenvoorziening, steeds een ‘hele andere meneer’.

    Een leven als ‘toneelspeler’ zou hier ook geen slechte kwalificatie zijn.
    De slogan ‘kleren maken de man’ levert echter nog geen baan op.
    Tegen leeftijdsdiscriminatie valt niet op te boksen.

  2. Leeftijdsdiscriminatie is van alle tijden. De overheid wil dat ouderen langer gaan doorwerken om de AOW in stand te kunnen houden . Echter hoe of wat is jouw eigen verantwoordelijkheid (zie de Participatiewet/Bijstand) oftewel zoek het lekker zelf uit. Leuk ander voorbeeld is het langlerenkrediet, sorry die geldt maar tot 55 jaar. Zie ook het fiscale beleid. Maar wat wil je met een rechtse premier die doodleuk beweert dat “voor een visie je naar de oogarts moet gaan”?
    Nee, troostprijs is nu dat sinds kort een jaar voor het ingaan van AOW gerechtigde leeftijd, je niet meer hoeft te solliciteren (sic.)

    Dress for Succes is een geweldig en fijn initiatief, maar idealer zou zijn dan het moment door te pakken met een compleet pakket van top knipbeurt (door bijv. Leco ?) tot en met een paar etiquette lessen. Hoeveel mensen zijn er niet afgewezen doordat ze vergaten hun telefoon uit te doen?

  3. Graag ook een artikel of onderzoek naar de plooibare werkgever.

    Zolang de werkgever bepaalt, zal die meer plooibaar moeten zijn om de vele, vele werkzoekenden in Nederland een kans te geven voor betaald werk.
    Alle uitkeringsgerechtigden met sollicitatieverplichting, jongeren in parttime/deeltijd of flexwerk die te weinig VASTE uren hebben, ouderen die graag nog een steentje willen bijdragen en de vele vrijwilligers die het land draaiende houden, is een potentiële groep van rond de 2-3 miljoen mensen. Voor een inclusieve samenleving is er bij lange na geen krapte op de arbeidsmarkt. En zo lang de werkgever bepaalt of je een kans krijgt zal die juist meer plooibaar en innovatief moeten zijn om deze werkzoekenden een kans te geven voor betaald werk.

Reageer

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *