Concentratiebuurten zijn op zich geen probleem

Stadsplanners en besturen bepleiten een 'sociale mix' van verschillende sociale klassen of etnisch-culturele groepen. Dit zou de stedelijke emancipatie van achtergestelde groepen vanzelfsprekend bevorderen. Helaas blijkt het wondermiddel in de praktijk niet te werken, leert Vlaams onderzoek.

Met de regelmaat van de klok doemt het schrikbeeld van de ruimtelijke concentratie van armen, werklozen en allochtonen in stedelijke achterstandsbuurten op in het maatschappelijk debat. Kreten over gettovorming en het ontstaan van een stedelijke onderklasse zijn dan niet van de lucht. Al sinds de late jaren zeventig, toen de Vlaamse middenklasse en dus ook het beleid de stad langzaam herontdekte, staat de wenselijkheid van een 'gezonde' sociale mix in stadsbuurten met stip bovenaan de doelstellingen van beleidsmakers. Het streven naar een vermenging van verschillende sociale klassen of etnisch-culturele groepen loopt dan ook als een rode draad doorheen het stedelijk beleid en denken van de laatste drie decennia. Ook in de bredere samenleving lijkt geen zinnig mens de sociale mix ter discussie te stellen.

Sociale mix als hefboom voor emancipatie?

Volgens het 'sociale mix'-idee maakt het binnenbrengen van blanke middenklasse gezinnen in een arme en etnisch-cultureel diverse buurt de sociale netwerken in de buurt rijker en meer divers. Via die sociale netwerken krijgen mensen in armoede en allochtonen toegang tot informatie over jobs en onderwijs. Bovendien zou de blanke middenklasse positieve rolmodellen aanbrengen. In de plaats van de straatcrimineel toont de hooggeschoolde kenniswerker de weg naar maatschappelijk succes. Sociale mix zou ook het samen leven in diversiteit verbeteren. Ruimtelijke nabijheid stimuleert sociaal contact, wat dan weer voor meer wederzijds begrip en respect zorgt.

Het lijkt allemaal vanzelfsprekend, sociale mix als een hefboom voor stedelijke emancipatie voor achtergestelde groepen en sociale leefbaarheid in moeilijke en diverse wijken. Alleen lijkt het in de praktijk niet echt te werken. Wetenschappelijk onderzoek toont aan dat sociale mix de levenskansen van arme bewoners en het samenleven in diverse stadswijken niet automatisch verbetert. Mensen knopen niet noodzakelijk contacten aan met hun buren, zeker niet als het gaat om groepen die als 'anders' gezien worden. De heterogeniteit van een gemengde wijk dringt niet per se door in het sociale netwerk van haar bewoners. Mensen zoeken hun rolmodellen ook niet noodzakelijk binnen de buurt, maar evenzeer via de media. Bovendien leidt het aantrekken van beter begoeden heel dikwijls tot sociale verdringing van de bestaande arme bewoners. Stijgende woonprijzen duwen net die groepen weg die er voordeel uit zouden moeten halen.

Sociale stijging als alternatief

Het bestrijden van de ruimtelijke concentratie van armoede en sociale achterstelling via een sociale mix-beleid is dus weinig effectief. Daarom pleiten we voor een andere benadering van sociale stadsvernieuwing, namelijk die van de sociale stijging. Terwijl het huidige sociale mix-beleid vooral investeert in bewoners die er nog niet zijn en die, blijkens de cijfers over de verdergaande stadsvlucht van jonge, autochtone gezinnen toch niet van plan zijn om zich blijvend in de stad te vestigen, vertrekt deze benadering vanuit de noden en ambities van de bestaande bevolking om vooruit te komen in het leven. Wat dikwijls omschreven wordt als 'probleemwijken' zijn dan potentiële transitiezones, waar nieuwkomers de kans krijgen zich langzaamaan een plaats te verwerven in de samenleving. Wat telt is niet het aantal arme mensen in die buurt vandaag, maar hoeveel van die mensen vijftien jaar later nog in armoede leven.

Stedelijk beleid moet transitiefunctie erkennen van arme wijken

Het stedelijk beleid moet dus niet tegen beter weten in aansturen op een sociale mix in achtergestelde buurten, maar de transitiefunctie ervan erkennen en met een publieke dienstverlening gericht op wonen, werken, leren en gemeenschapsleven ondersteunen. Cruciaal daarbij is het toevoegen van treden onderaan de maatschappelijke ladder, zodat individuen en groepen stap voor stap hun levensomstandigheden kunnen verbeteren. Dit betekent ten eerste investeren in goedkope huisvesting, zowel in sociale huisvesting als in een kwalitatieve private huurmarkt. Wat werkgelegenheid betreft, dient een economische ontwikkeling gestimuleerd te worden die kwalitatieve en stabiele jobs voor laaggeschoolden genereert. Het stedelijk economisch beleid is te eenzijdig gericht op hoogtechnologische en creatieve sectoren, terwijl werkloosheid zich vooral voordoet bij laaggeschoolden.

Op het vlak van onderwijs moet erkend worden dat scholen nu te weinig emanciperend werken voor kinderen uit achtergestelde gezinnen, die geconcentreerd zitten in de steden. Een hervorming van het Vlaamse onderwijs en doorgedreven onderwijsexperimenten in de steden zijn daarom cruciaal. Tot slot werkt instrumentele vooruitgang in onderwijs en werkgelegenheid enkel als mensen zich ondersteund weten door lokale sociale netwerken van mensen die ze als gelijken beschouwen. De 'selfmade (wo)man' die in zijn eentje uit de achterstelling naar boven kruipt is een fictie. Dit betekent dat zogenaamde concentratiebuurten niet noodzakelijk een probleem zijn. De overheid kan hier beter inzetten op het ondersteunen van zelforganisaties en het vasthouden van de lokaal ontstane nieuwe middenklassers, eerder dan het aantrekken van middenklassers van buiten de stad.

Dit artikel verscheen eerder in De Morgen op 4 december 2010.

De auteurs Stijn Oosterlynck en Elise Schillebeeckx zijn respectievelijk docent stadssociologie en onderzoekster aan Centrum OASeS van de Universiteit Antwerpen. Nick Schuermans is doctor in de sociale geografie en gastdocent aan de Sint-Lucas Hogeschool Brussel. Ze schreven mee aan het boek: Mensen maken de stad. Bouwstenen voor een sociaalecologische toekomst.

Stijn.Oosterlynck@ua.ac.be

Elise.Schillebeeckx@ua.ac.be

Nick.Schuermans@ppw.kuleuven.be

Foto: Bas Bogers