Veelkoppige ongelijkheid vergt veelkoppige aanpak

De toenemende ongelijkheid in Amsterdam is sociaal en politiek ongewenst en vraagt om een antwoord. Dat kan er echter alleen komen als wetenschappers, praktijkprofessionals en beleidsmakers daadwerkelijk over de grenzen van hun domeinen en disciplines heenstappen.

Het vraagstuk van stedelijke ongelijkheid is urgenter dan ooit. We zien dat ongelijkheid in inkomens in een stad als Amsterdam almaar toeneemt en dat sociale en migratieachtergrond de schoolloopbanen van kinderen steeds meer bepalen. Tegelijkertijd stijgt de woonsegregatie in de hoofdstad en kan een grote groep volwassenen maar moeilijk meekomen op de moderne arbeidsmarkt. Daar komt nog bij dat er een opeenstapeling is van gezondheidsproblemen bij mensen die het ook op andere terreinen moeilijk hebben.

Wat de problematiek van ongelijkheid in kansen extra urgent maakt, is dat ze een vertaling vindt in politiek gedrag: een omvangrijke groep burgers toont steeds openlijker zijn ontevredenheid over de veranderende wereld. In woord en daad - politieke sympathie, stemgedrag, gele hesjes – laten ze zien dat ze de overheid niet langer beschouwen als dé institutie om maatschappelijke uitdagingen het hoofd te bieden.

Accumulatie van ongelijkheid

Ongelijkheid in Amsterdam betekent twee dingen: enerzijds dat de stad voor hoogopgeleide professionals steeds interessanter wordt om in te wonen en anderzijds dat ze ontoegankelijker wordt voor kwetsbare en minder draagkrachtige mensen. De resulterende toenemende segregatie heeft ook grote gevolgen voor de kansen van kinderen. Gebleken is dat kinderen in minder goede buurten vaak naar minder goed bekend staande scholen gaan, en dat kinderen uit welvarende gezinnen vaker naar goed bekend staande scholen gaan, zelfs al moeten ze daar soms een flink eind voor omfietsen. De ongelijkheid in onderwijskansen is een voorbode voor grotere sociaaleconomische ongelijkheid later.

Ongelijkheid in onderwijs, arbeidsmarkt, sociale zekerheid, gezondheid en sociale relaties heeft de neiging zich bij dezelfde personen te concentreren. Die accumulatie vindt plaats op drie manieren.

Ten eerste vertaalt een eerder opgelopen achterstand in een bepaald domein zich in verdere achterstand. Iemand die vroeg in zijn schoolloopbaan niet goed kan meekomen, ondervindt daar in zijn verdere (school)loopbaan vaak nadeel van.

Ten tweede stapelt achterstand in een bepaalde levensfase zich in verschillende domeinen op. Mensen in de bijstand hebben vaker gezondheidsproblemen, en vinden moeilijker een prettige woning.

Ten derde is er de tendens dat achterstand in verschillende domeinen niet alleen in een bepaalde levensfase optelt, maar ook gedurende iemands levensloop (en dat ook weer over de verschillende domeinen heen). Vroege gezondheidsproblemen zijn later vaak van negatieve invloed op iemands toegang tot de arbeidsmarkt.

 Multidisciplinaire aanpak nodig, maar nog niet vanzelfsprekend

De complexe combinatie van verschillende vormen van ongelijkheid vraagt om een multidisciplinaire en integrale studie van het ongelijkheidsvraagstuk. Dat is nu nog niet vanzelfsprekend. Onderwijswetenschappers houden zich vooral bezig met onderwijsachterstanden, epidemiologen met ongelijkheid in gezondheid, en stadsgeografen met ruimtelijke segregatie en woningmarkt. Dit levert weliswaar belangrijke expertise op, maar de kennis op diverse terreinen moet veel meer met elkaar worden verbonden om beter te begrijpen waarom achterstanden (en voorsprongen) zich bij dezelfde groepen concentreren.

Leidt toenemende differentiatie op de Amsterdamse woningmarkt tot sterkere sociale en ruimtelijke ongelijkheid? Vergroot schaduwonderwijs de kansenongelijkheid tussen leerlingen? En wat is de relatie tussen maatschappelijke status en gezondheid? Voor een antwoord op die vragen, en om actie te ondernemen om ongelijkheid in de stad terug te dringen, moeten wetenschappers van verschillende vakgebieden, de verschillende domeinen, en de lokale overheid meer samenwerken.

Voor de oplossing van sociale vraagstukken, die meestal veel kennis vergen, is het cruciaal dat wetenschappers in nauw contact treden met het veld. Overigens hebben ook wetenschappers baat bij een nauwere samenwerking, ‘grote’ wetenschappelijke vragen kunnen worden geadresseerd via deelvragen uit het veld.

 Het tweesnijdende mes van netwerkaanpak

Samen tot onderzoeksvragen komen is een uitdaging, en tegelijkertijd een noodzaak om kennis te genereren om sociale vraagstukken aan te kunnen pakken. Om deze samenwerking te faciliteren, is het essentieel om praktische vragen, vanuit het veld of beleid, te vertalen naar bredere ‘academische’ onderzoeksvragen. Daarmee wordt de wetenschappelijke relevantie van concrete vragen vergroot, en de toepasbaarheid van wetenschappelijke kennis versterkt.

Onderzoek naar maatschappelijke thema’s gebeurt steeds vaker in een netwerk van wetenschappers, praktijkprofessionals en beleidsmakers. Een goed voorbeeld van zo’n netwerkaanpak is de Werkplaats Onderwijsonderzoek Amsterdam. Via een constante dialoog tussen onderzoekers, praktijkprofessionals en beleidsmakers biedt deze werkplaats een goede proeftuin voor onderzoek.

Het mes snijdt daarbij aan twee kanten: praktijkprofessionals en beleidsmakers worden gevoed met de laatste wetenschappelijke ontwikkelingen op het gebied van onderzoek en draaien mee in het ontwikkelen, uittesten en bijsturen van nieuwe interventies en instrumenten. Onderzoekers en studenten op hun beurt krijgen toegang tot onderzoekspopulaties en kunnen de bruikbaarheid en relevantie van hun onderzoek direct toetsen in de praktijk. De resultaten vloeien terug in het wetenschappelijke onderzoek en/of vinden hun weerslag in beleid.

Een integrale visie op ongelijkheid in Amsterdam, waarbij nog sterker dan in het bestaande onderzoek vanuit een multi- en interdisciplinair perspectief naar ongelijkheid wordt gekeken, is essentieel om te begrijpen hoe achterstanden ontstaan, welke consequenties ze hebben. Om zicht te krijgen op de nadelen die de lokale gemeenschap ervan ondervindt en hoe onwenselijke ongelijkheden kunnen worden aangepakt.

Gewapend met deze inzichten kunnen wetenschappers, professionals in verschillende domeinen en beleidsmakers kennis genereren om de stad toegankelijk te houden voor alle Amsterdammers.

Herman van de Werfhorst is hoogleraar sociologie aan de Universiteit van Amsterdam, en directeur van het Amsterdam Centre for Inequality Studies. Hij is tevens lid van de Onderwijsraad. Erna van Hest is directeur van de Universitaire Pabo van Amsterdam en coördinator van de Werkplaats Onderwijsonderzoek Amsterdam. De bundel ‘Gelijke kansen in de stad’ is op 16 mei gepresenteerd in debatcentrum De Zwijger in Amsterdam. De bundel is open access te lezen.

Foto: screenpunk (Flickr Creative Commons)