De overheid ziet werk als de remedie tegen armoede, de realiteit is anders

In tegenstelling tot wat het kabinet beweert, biedt een baan geen bescherming tegen langdurige armoede. Recent SCP-onderzoek laat zien dat rond de helft van de langdurig armen behoort tot een huishouden waar men leeft van loon of winst.

Van de ruim één miljoen armen die Nederland kent is ongeveer de helft langdurig arm, dat wil zeggen gedurende ten minste drie achtereenvolgende jaren. Uit eerder onderzoek kwam naar voren dat uitstroom uit armoede voornamelijk het gevolg was van een groei van het arbeidsinkomen. In een deel van de gevallen kwam dit doordat het huishouden van niet-werkzaam overging naar werkzaam of doordat het aantal werkenden binnen het huishouden steeg (respectievelijk negen en tien procent). Een meer voorkomende reden was dat een lid van het huishouden een beter betaalde baan had gevonden of meer uren was gaan werken (drieëndertig procent). En tot slot stroomde vijftien procent uit doordat er in het huishouden een werkende partner bij was gekomen.

Toch is een baan geen garantie

Maar werk is geen wondermiddel tegen armoede. Dit blijkt wel uit het grote aantal werkende (langdurig) armen. De kans voor werkenden op (langdurige) armoede is de laatste jaren bovendien toegenomen. In de periode 2007-2013 steeg het totale aandeel armen onder de werkenden van drie en half naar bijna vijf procent. Binnen die arme groep groeide het aandeel langdurig armen van zo’n vijfenveertig naar ruim vijftig procent.

Het toegenomen armoederisico voor werkenden lijkt vooral een voortvloeisel te zijn van de toenemende flexibilisering van de arbeidsmarkt. Zoals bekend is het aantal zelfstandigen in de afgelopen periode flink gegroeid, wat vrijwel geheel is toe te schrijven aan de zzp’ers. Het aantal zzp’ers steeg van minder dan 700.000 in 2005 naar één miljoen in 2015. Tegelijkertijd is voor werknemers het vaste dienstverband steeds minder gebruikelijk geworden: in 2005 had 83 procent een vast contract, tien jaar later ging het nog maar om 74 procent (CBS, 2016). Zowel zelfstandigen als werknemers met een flexibele arbeidsrelatie hebben een verhoogd armoederisico (Olsthoorn 2015; SCP/CBS 2014: 66) en daarmee ook een verhoogde kans op langdurige armoede.

Gedwongen tot kleine, onzekere en laagbetaalde banen

De regering gaat ervan uit dat een werkende ten minste het minimumloon verdient. Dit houdt in dat hij of zij een voltijdbaan moet hebben of een parttime baan met een hoger uurloon. Lang niet iedereen kan hier echter aan voldoen. Door problemen met hun gezondheid, een laag opleidingsniveau of wegens zorgverplichtingen zijn veel mensen gedwongen tot het aanvaarden van kleinere, vaak ook onzekere of laagbetaalde banen. De zzp’ers zijn verder afhankelijk van wat er aan opdrachten binnenkomt.

Of een inkomen op het niveau van het wettelijk minimum überhaupt voldoende is, hangt af van het aantal mensen dat ervan rond moet komen. Met name gezinnen met een niet-westerse achtergrond lopen een disproportioneel grote kans op langdurige armoede, ook wanneer zij werk als belangrijkste inkomensbron hebben. Hier lijken meerdere factoren een rol te spelen. Ten eerste is het kindertal in deze gezinnen vaak hoger dan in autochtone huishoudens met kinderen. Bovendien besluit de moeder na de geboorte van de kinderen vaker om te stoppen met werken, wat tot een daling van het huishoudensinkomen leidt. Dit speelt bij vrouwen met een Turkse of Marokkaanse achtergrond overigens meer dan bij vrouwen van Surinaamse, Antilliaanse of Arubaanse komaf (Van der Vliet et al., 2014). Tot slot is ook de kwetsbare arbeidsmarktpositie van hun partner van belang: niet-westerse migranten hebben vaker een laag opleidingsniveau en zijn oververtegenwoordigd onder de werknemers met een tijdelijk dienstverband.

Activering naar betaald werk is niet altijd de oplossing

Het is ook maar de vraag of activering altijd de manier moet zijn om mensen uit de armoede te halen, zoals het kabinet stelt. Uitkeringsgerechtigden bijvoorbeeld, hebben bovengemiddeld vaak met langdurige armoede te maken. In 2013 had bijna een kwart van alle uitkeringsontvangers een inkomen onder de armoedegrens. Van die armen leefde bijna zeventig procent ten minste drie jaar achtereen in die situatie. Voor deze groep is het zaak eerst vast te stellen wat de achterliggende oorzaak van de lange armoededuur is.

Zijn er gezondheidsproblemen of hebben zij zorgverplichtingen jegens kinderen of familieleden? Zijn er andere omstandigheden die de armoedesituatie bestendigen en die arbeidsdeelname in de weg staan, zoals schuld- of verslavingsproblematiek? Zijn er factoren die hen voor een werkgever minder aantrekkelijk maken, bijvoorbeeld hun leeftijd (te jong of juist te oud), verouderde kennis, te weinig werkervaring, een (zichtbare) handicap? Pas nadat dit soort vragen is beantwoord, kunnen maatregelen worden getroffen om de weg richting arbeidsmarkt te effenen.

Voorkomen is beter dan genezen

Om langdurige armoede te voorkomen is snel ingrijpen bij ‘nieuwe’ armoede geboden. De kans om uit armoede te geraken neemt namelijk vlug af. Na een jaar armoede daalt de kans op ontsnapping drastisch, van zestig naar twintig procent. Nog weer een jaar later ligt die kans op minder dan tien procent. De afname van de noodzakelijke beroepsmatige en sociale vaardigheden voor de arbeidsmarkt, het toegenomen isolement en de daaruit voortvloeiende berusting lijken hier debet aan. En dit speelt zich af in de marge van een arbeidsmarkt waar gezonde en hoogopgeleide jongeren staan te trappelen om toe te treden.

Al met al zijn er genoeg redenen om niet te snel te wijzen naar werk als panacee tegen (langdurige) armoede. Het komt weinig voor dat er uitstroom uit armoede plaatsvindt zonder het vinden van een (andere) baan, maar betaald werk betekent niet automatisch dat men niet-arm is of weer snel tot de niet-armen zal behoren.

Jean Marie Wildeboer Schut en Stella Hoff werken als onderzoeker bij de afdeling Arbeid en Publieke Voorzieningen van het Sociaal en Cultureel Planbureau.

 

Referenties:

CBS (2016). Arbeidsdeelname; kerncijfers. Den Haag/Heerlen: CBS.

Hoff, S. (2010). Uit de armoede werken. Omvang en oorzaken van uitstroom uit armoede. Den Haag: SCP.

Olsthoorn, M. (2015). Flexible employment, precarious employees? Job-, employer and institutional explanations for numerical flexibility, and its relation to precarious employment. PhD Thesis, Amsterdam: University of Amsterdam.

SCP/CBS (2014). Armoedesignalement 2014. Den Haag: SCP/CBS

Vliet, R., van der, Gijsberts, M, & Dagevos, J. (2014). Veranderingen in de gezinssituatie en de arbeidsmarktpositie van vrouwen. In: W. Huijnk, M. Gijsberts en J. Dagevos (red.), Jaarrapport Integratie 2013. Participatie van migranten op de arbeidsmarkt. Den Haag: SCP.

Wildeboer Schut, J.M., Hoff, S. (2016). Een lang tekort. Langdurige armoede in Nederland. Den Haag: SCP.

 

Foto: schermpeter42 (Flickr Creative Commons)

Dit artikel is 2708 keer bekeken.

Reacties op dit artikel (1)

  1. Een van de belangrijkste zaken die steevast overal over het hoofd worden gezien, is het niet hebben van een rijbewijs, en dus ook niet van een auto.
    Meer dan 90% van de werkadressen is alleen bereikbaar met een auto. Zonder auto kun je er dus niet komen. Ikzelf kan daar wel een boek over schrijven. Dat dan vervolgens niemand leest.

    Ongeveer 1 miljoen volwassenen heeft geen rijbewijs. Als je dan op een gegeven moment boven de 50 bent, en werkloos, blijkt dat veel lotgenoten ook geen rijbewijs hebben.
    Maar de politici in Den Haag denken dan dat je zonder vervoer ergens op een industrieterrein kunt komen, of ergens bij een boer in de polder.
    In Den Haag staan ze al tientallen jaren buiten de realiteit. Al die elite-partijen.

Reageer

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *