Focus op ‘onze cultuur’ of Nederlandse volksaard brengt ons niet verder

Hoe te reageren op het ‘nieuwe nationalisme’? Met de aanhoudende toestroom van migranten wordt het hoog tijd om scherp te zijn over de vraag wat ons land nu eigenlijk bijeenhoudt, en daarin ook enig zelfbewustzijn te tonen. Maar we moeten ophouden met die overdreven fixatie op ‘onze cultuur’, schrijft Will Tiemeijer.

Lang geleden – we hebben het nu over maart 2020, toen de corona-pandemie nog niet alles overheerste – schreef Wouter Beekers van de ChristenUnie op deze website een essay waarin hij ervoor pleitte een antwoord te formuleren op het ‘nieuwe nationalisme’. Het is nu meer dan veertig jaar geleden dat de Centrumpartij werd opgericht, maar nog steeds reageert de politieke elite met ongemak en zwijgen op de roep van burgers om de nationale eigenheid en identiteit te verdedigen. Dat gaat zo niet langer volgens Beekers. ‘Het nieuwe nationalisme vraagt om nieuwe antwoorden. Die antwoorden mogen we niet aan radicale politici overlaten. Juist van de politieke elite zijn meer dan bezwerende woorden nodig.’

Er werd gereageerd door Menno Hurenkamp en Hans Boutellier, maar daarna viel de discussie stil. Jammer, want de kwestie is te belangrijk om te laten rusten.

Welnu, ik ben geen politicus, maar als onderzoeker bij een deftig instituut als de Wetenschappelijke Raad van Regeringsbeleid (WRR) hopelijk toch ook een beetje onderdeel van de elite. Dus laat ik eens een poging wagen tot een antwoord. In dit stukje doe ik dat slechts kort. Wie de lange versie wil lezen, verwijs ik graag naar mijn recente WRR-studie Project Nederland. Van feitelijke naar gewenste identiteit.

Wat is ‘typisch Nederlands’?

Op zich is de vraag van Beekers terecht. Hoe meer migranten zich vestigen in ons land, hoe pregnanter de vraag wordt wat Nederland nu eigenlijk bijeenhoudt, en waarin al die nieuwkomers moeten integreren. Onderzoek van de WRR laat zien dat in sterk diverse wijken de sociale cohesie minder is, dus er is echt wel een probleem.

Maar met het antwoord dat velen geven op die vraag, gaat het vaak mis, want zij zoeken dat antwoord steevast in de culturele hoek: in ‘het eigene’ van Nederland en haar inwoners, in ‘typische Nederlandse’ kenmerken zoals openheid en tolerantie (al sinds de Gouden Eeuw), een voorkeur voor overleg en consensus (vanwege de strijd tegen het water), een egalitaire cultuur en sterke vrijheidsdrang, enzovoort.

Dit antwoord werkt niet. Ten eerste past lang niet iedere Nederlander in dit stereotype beeld. Ook onder degenen hier al generaties lang wonen, zijn er velen die heel anders van karakter zijn. De ‘gemiddelde Nederlander’ bestaat alleen in de statistieken van het CBS. Ten tweede gelden die kenmerken net zo goed voor onze buurlanden. Geloof of het niet, maar in die landen beschouwen zichzelf óók als open en tolerant, gericht op consensus en compromis, gesteld op vrijheid en gelijkheid, enzovoort. Eigenlijk is er – behalve misschien tradities als de Elfstedentocht – geen enkel kenmerk dat echt uniek is voor Nederlanders…

… op één ding na. Er is een ding dat alle Nederlandse staatsburgers met elkaar gemeen hebben, en hen ook onderscheidt van alle niet-Nederlanders: het gedeelde eigenaarschap van het stukje van de planeet dat ligt ingeklemd tussen de Noordzee, België en Duitsland. Dat is ons hoekje van de wereld, en daar zullen we het samen moeten zien te redden. En we delen ook de gezamenlijke toekomst op dat leefgebied, inclusief alle collectieve opgaven die daarbij horen, zoals het behoud van welvaart en vrijheid en de uitdaging van klimaatverandering.

Mensen hechten zich aan hun favoriete plaatsen

Het is híer dat de grondslag ligt voor verbinding, in deze ruimtelijke en temporele lotsverbondenheid. De psychologie leert namelijk dat als het lukt om door samenwerking de collectieve opgaven die voorvloeien uit deze feitelijke lotsverbondenheid tot een goed einde te brengen, dit ook kan resulteren in gevoelens van verbondenheid. Bovendien hechten mensen zich aan hun favoriete plaatsen. Zij identificeren zich vaak daarmee, en weten zich via die plaatsen weer verbonden met anderen voor wie hetzelfde geldt. Sommige plaatsen hebben ook een speciale betekenis.

De Amsterdamse grachten, de Deltawerken en de Waalsdorpervlakte zijn de zichtbare dragers van een verhaal over wie we zijn, van onze geschiedenis en hoe we met elkaar zijn verbonden. Dat hedendaagse gepraat over een nieuwe tegenstelling tussen somewheres tegenover anywheres is dan ook vooral modieuze retoriek. Voor zover die laatste groep al bestaat, hecht zij zich evenzeer aan plaats en leefomgeving.

Wie willen we zijn?

Dan de vraag hoe we willen samenleven op dat gebied. Ook hier helpt de focus op onze veronderstelde volksaard ons weinig verder. Want Nederlanders zijn niet alleen omschreven als open en tolerant, maar ook als bot en direct. Het is vast niet de bedoeling dat nieuwkomers zich ook die ‘typisch Nederlandse’ botheid en directheid eigen maken. Of de ‘typisch Nederlandse’ gierigheid, koppigheid, of middelmatigheid… Kortom, het gaat niet om onze feitelijke maar om onze gewenste identiteit: wie willen wij zijn?

Als je mij die vraag stelt, zou ik ongeveer het volgende antwoord geven. Van Nederlanders mag worden verwacht dat zij:

  • de Nederlandse taal voldoende beheersen. In de privésfeer mag iedereen de taal bezigen die hij of zij wil, maar in de publieke ruimte is Nederlands de voertaal.
  • zorgen voor hun leefomgeving. Daarbij gaat het niet alleen om het eigen stoepje of de eigen straat, maar ook om de fysieke leefomgeving in bredere zin.
  • rekening houden met elkaar. In ons land moeten veel mensen, die allen gehecht zijn aan hun vrijheid, samenleven op een kleine oppervlakte. Dat lukt alleen als zij bereid zijn tot enig geven en nemen.
  • een bijdrage aan de samenleving leveren, bijvoorbeeld in de vorm van betaald werk, vrijwilligerswerk, of het goed opvoeden van nieuwe generaties Nederlanders.

Er zijn ook een paar dingen die – wat mij betreft –  geen onderdeel uitmaken van de gewenste identiteit. Bijvoorbeeld het vieren van bepaalde tradities en feestdagen, zoals Sinterklaas, Kerstmis of het Suikerfeest. Of mensen dat wel of niet willen doen, is geheel hun eigen zaak. Normatieve druk op dat gebied is ongewenst. Hetzelfde geldt voor de vraag of mensen trots moeten zijn op ons land en haar geschiedenis. Op zich is er niets tegen een gepaste dosis patriotisme, maar de lijm die ons land bij elkaar houdt, ligt uiteindelijk in aardse zaken, te weten de lotsverbondenheid van tijd en ruimte. En uiteindelijk gaat het niet om wat mensen voelen maar om wat zij doen – zoals rekening houden met elkaar, zorgen voor de leefomgeving, bijdragen aan de samenleving.

Project Nederland

Terug naar het punt van Beekers. Natuurlijk moet het antwoord op het ‘nieuwe nationalisme’ niet bestaan uit zwijgen of wegkijken. Maar laten we het antwoord ook niet zoeken in de geculturaliseerde opvatting over een ‘Nederlandse eigenheid’, want dat is een doodlopende weg. Uiteindelijk is het niet een bepaalde ‘typisch Nederlandse’ volksaard of cultuur die ons bindt, maar de lotsverbondenheid die logisch voortvloeit uit het gedeelde leefgebied en de gedeelde toekomst.

Tezamen vormen wij ‘project Nederland’, een langlopende onderneming om met een groot aantal mensen in vrijheid samen te leven op een kleine en kwetsbare delta gelegen aan de Noordzee, en deze delta ook weer in goede staat door te geven aan volgende generaties. Van iedere projectdeelnemer – autochtoon én migrant – mag worden verwacht dat hij of zij een gepaste bijdrage levert aan dat gezamenlijke project. Maar iedereen die naar vermogen zijn of haar steentje bijdraagt, hoort er gewoon bij.

Will Tiemeijer is onderzoeker bij de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid en bijzonder hoogleraar Gedragswetenschappen en Beleid aan de Erasmus Universiteit. Hij is auteur van Project Nederland - Van feitelijke naar gewenste nationale identiteit.

 

Foto: Peter Nijenhuis (Flickr Creative Commons)

Dit artikel is 1225 keer bekeken.

Reacties op dit artikel (2)

  1. Opgegroeid in Fryslân durf ik wel een vraagteken te plaatsen bij je eerste punt. En wettelijk gezien staan de Friezen in hun gelijk, Frysk is de tweede landstaal en mag in het publieke domein gevoerd worden.

    Los daarvan kan ik me in grote lijnen vinden in je stuk. Hoe sta je tegenover zaken als trots op de Grondwet? Of voert dat ook al te ver?

  2. Ad Will Tiemeijers: ‘ Van iedere projectdeelnemer – autochtoon én migrant -mag worden verwacht dat hij of zij een gepaste bijdrage levert aan dat gezamenlijke project. Maar iedereen die naar vermogen zijn of haar steentje bijdraagt, hoort er gewoon bij.’ (laatste alinea).

    Akela wij doen ons best!

Reageer

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *