‘Ga een vak leren’ is niet altijd het beste advies

De transitie van school naar werk is een belangrijke periode in de carrière. Vaak wordt gedacht dat jongeren met een beroepsspecifieke opleiding een voordeel hebben bij het betreden van de arbeidsmarkt. Maar geldt dat wel voor alle studenten?

Tijdens de studiekeuze krijgen jongeren van hun ouders, familie en vrienden vaak te horen dat ze ‘een vak moeten leren’. Een opleiding die voorbereidt op een bepaald beroep – een specifieke opleiding – zou beter zijn voor de arbeidsmarktkansen dan ‘een opleiding waarvan niemand weet wat je ermee kan’ – een algemenere opleiding. Voor sommige studiekiezers, bijvoorbeeld degenen die een studie sociologie op het oog hadden, is dat niet altijd een al te bemoedigende boodschap om te horen.

Van specifieke opleiding worden positievere effecten verwacht

Dit advies is echter niet volledig uit de lucht gegrepen. Ook binnen de wetenschap is de algemene verwachting dat specifieke opleidingen tot betere arbeidsmarktuitkomsten en school-naar-werktransities leiden. Zo zouden specifieke opleidingen ervoor zorgen dat studenten precies de vaardigheden krijgen die ze nodig hebben in het beroep, waardoor ze in die beroepen vanaf het begin af aan productiever zijn dan studenten met een algemenere opleiding (Becker, 1993).

Ook hebben specifieke opleidingen vaker het imago van moeilijker te zijn dan algemene opleidingen, waardoor werkgevers vaker de voorkeur zouden geven aan studenten met een specifieke opleiding (Reimer et al., 2008). Tot slot geven specifieke opleidingen vaker toegang tot beschermde beroepen, zoals arts, die door die beschermde status vaker goede arbeidsvoorwaarden bieden (Van de Werfhorst, 2011).

Hoe groot het voordeel van een specifieke opleiding is, hangt ook af van de context waarin de opleiding wordt gedaan (Bol & Van de Werfhorst, 2011). Het Nederlandse onderwijssysteem is behoorlijk gedifferentieerd, gestandaardiseerd en beroepsgericht: opleidingsniveaus zijn duidelijk van elkaar gescheiden, een opleiding tot tegelzetter in Breda resulteert in (grofweg) dezelfde vaardigheden als een opleiding tot tegelzetter in Groningen, en werkgevers zijn sterk betrokken bij de inhoud en opzet van opleidingen. Hierdoor weten Nederlandse werkgevers vrij goed waar ze aan toe zijn als ze een opleiding op het CV van hun sollicitanten zien, en daar zouden juist de afgestudeerden met een specifiekere opleiding van moeten profiteren.

Specifiek opgeleiden hebben meer werk- en inkomenszekerheid

Wij onderzochten of een specifiekere opleiding inderdaad leidt tot betere school-naar-werktransities. Om de kwaliteit van de school-naar-werktransitie te beoordelen, is het belangrijk om een langere periode te analyseren, en alle arbeidsmarkttransities die in deze periode plaatsvinden mee te nemen. Vooral in het begin van de loopbaan wisselen afgestudeerden immers – vrijwillig of onvrijwillig – nog regelmatig van baan, op zoek naar de juiste match (Brzinsky-Fay, 2007).

En een tijdelijk contract aan het begin van de loopbaan hoeft niet uit te monden in werkloosheid, maar kan op den duur omgezet worden in een vaste aanstelling. In ons onderzoek analyseerden we daarom de loopbanen van schoolverlaters gedurende tweeënzeventig maanden vanaf het moment van schoolverlaten, en keken we tegelijkertijd naar de arbeidsmarktposities en het inkomen aan de hand van data van het CBS.

Onze analyses bevestigen de theorieën dat specificiteit in het algemeen resulteert in betere school-naar-werktransities. Afgestudeerden van specifiekere opleidingen hebben vaker school-naar-werktransities met hogere niveaus van werkzekerheid en inkomenszekerheid. Ook hebben ze bij school-naar-werktransities minder vaak te maken met inactiviteit, een uitkeringssituatie, of laagbetaald, instabiel flexwerk. Als ze al in flexwerk belanden, zijn dit vaker stabiele tijdelijke contracten met hoge inkomens.

 Maar dit geldt niet voor alle opleidingsniveaus

We zijn eveneens nagegaan of specificiteit op alle opleidingsniveaus eenzelfde positief effect heeft op school-naar-werktransities. Bepaalde opleidingsniveaus zijn sterk verbonden met potentiële werkgevers. Op het mbo en hbo zijn stages bijvoorbeeld een fundamenteel onderdeel van het curriculum, terwijl deze op het wo optioneel zijn. Ook biedt het mbo de mogelijkheid om de beroepsbegeleidende leerweg (BBL) te volgen, waarbij leerlingen een groot deel van hun opleiding op de werkvloer doorbrengen. Tevens coördineert de SBB – Samenwerkingsorganisatie Beroepsonderwijs Bedrijfsleven – de banden tussen mbo-opleidingen en werkgevers. Hierdoor is het goed mogelijk dat specificiteit vooral voordelig is voor opleidingsniveaus waar nauwere banden zijn tussen opleidingen en werkgevers.

Dit zagen we terug in ons onderzoek: afgestudeerden op mbo 4-niveau en hbo-bachelorniveau ervaren de meeste positieve effecten van een specifieke opleiding. Zij hebben bij de overgang van school naar werk meer kans op werk- en inkomenszekerheid en zijn beter beschermd tegen werkloosheid, inactiviteit en precair flexwerk.

Op mbo 2-, mbo 3-, wo-bachelor- en hbo- en wo-masterniveau hebben specifieke opleidingen een zwakker en minder positief effect op school-naar-werktransities. Voor studenten op mbo 2- en mbo 3-niveau beschermen dergelijke opleidingen wel tegen werkloosheid en inactiviteit, maar verkleinen ze tegelijkertijd de kans op heel hoge niveaus van werk- en inkomenszekerheid. Op wo-bachelor- en hbo- en wo-masterniveau heeft specificiteit relatief weinig effect op de kwaliteit van school-naar-werktransities: het beschermt niet tegen werkloosheid of precair flexwerk, en de effecten op werk- en inkomenszekerheid zijn beperkt.

Hoop voor afgestudeerden van algemenere opleidingen

Onze resultaten laten zien dat specificiteit geen universele garantie biedt voor een succesvolle school-naar-werktransitie: alleen schoolverlaters op mbo 4- en hbo-bachelorniveau profiteren echt van een specifiekere opleiding. Voor de overige opleidingsniveaus is ‘het leren van een vak’ dus zeker niet altijd het beste advies dat je kunt krijgen. Aankomend sociologen kunnen hun ouders, familie en vrienden dus met een gerust hart uitleggen dat het volgen van ‘een opleiding waarvan niemand weet wat je ermee kunt’ nog lang niet zo’n slecht idee is.

Lucille Mattijssen is promovendus aan de afdeling Sociologie van de Vrije Universiteit Amsterdam.

Wendy Smits is bijzonder hoogleraar Labour Market Flexibility aan de Universiteit Maastricht en senior onderzoeker bij het Centraal Bureau voor de Statistiek. Dimitris Pavlopoulos is universiteit hoofddocent aan de afdeling Sociologie van de Vrije Universiteit Amsterdam. In het Tijdschrift voor Arbeidsvraagstukken verscheen een langere versie van dit artikel.

 

Foto: Evangeline Shaw on Unsplash

Dit artikel is 1110 keer bekeken.

Reacties op dit artikel (1)

  1. Toen ik jong was had ik geen idee wat ik wilde worden. Iets met kinderen, dus dat werd het ook. Het lukte me om KVJV te doen en toen ging ik maar werken bij een dagverblijf. Na 8 jaar had ik er wel genoeg van. Kinderen zijn levendig maar het werk was wel iedere dag hetzelfde. En opvoeden was toch niet zo leuk dat ik het nog 40 jaar wilde vol gaan houden. Maar wat dan wel? Dan maar iets administratiefs, dus een cursus doen en daarna een opleiding voor telefoniste/receptioniste. Dat heb ik inderdaad circa 10 jaar gedaan en met veel plezier. Door mijn positie als kaderlid voor de SP kwam ik bij allerlei instanties op werkbezoek. Bij de dagopvang voor dakloze mensen kon ik aan de slag als administratief medewerkster/telefoniste. Het contact met dakloze mensen is zo bijzonder, het laat je zien hoe dapper mensen zijn die ‘niets’ meer hebben en nergens welkom zijn.

    Nu wandel ik al meer dan 30 jaar rond in het sociale domein. Daarna nog CMV gaan studeren met als specialisatie dans en beweging. Al meer dan 20 jaar dans ik de Vijf Ritmes en Open Floor, bewegingsvormen voor vitaliteit en verbinding. In het sociale domein nog steeds onbekend, hoewel er in Nederland circa 40 teachers zijn die overal mensen laten dansen. Maar ja, ik ga het niet meer meemaken dat het wel erkend wordt in dit land. Iedere dans vertelt wie je bent, met je eigen lijf.

    Toch is dans de manier van ademhalen waardoor ik er nog ben. Wat de reden is van mijn bestaan weet ik nog steeds niet. Maar ik vermaak me nog wel. Het sociale domein is groot genoeg als vakgebied, dus komt er altijd weer iets nieuws voorbij. Werken zelf is niet zo relevant meer, nog even en het hoeft niet meer. Ik heb veel opleidingen gedaan, trainingen en certificaten, maar er heeft nog nooit iemand naar gevraagd. Geef jongeren de kans om van alles te proberen. Ooit kwam ik iemand tegen die me vertelde de volgende dag naar India te gaan vertrekken op de fiets. Dappere keuze die maar weinig jonge mensen durven te maken. Ze pakken het vliegtuig, maar naar India gaan fietsen vraagt karakter, doorzettingsvermogen, simpel durven te leven en humor. Dan wordt je een volwaardige mens, een aardige en volwassen mens.

    Een sociaal ecologische manier van leven geeft veel meer ruimte dan een economische manier van leven. Die is gericht op opleiding, geld verdienen, een relatie of gezin en het dienen van je baas of bedrijf. Maar de ‘arbeidsmarkt’ laat zien dat velen diep ongelukkig zijn door dat vastgeroeste bestaan. Ze hadden zo graag wat anders met hun leven willen doen. Vrijheid vraagt inzet en discipline, zo is de wijsheid van Gabrielle Roth, de ‘moeder’ van de Vijf Ritmes. Maar wie dat beseft, kan een leven van avontuur en vrijheid wel aan. Dan is er licht op je pad, mensen om van te houden en iets om van te bestaan. So make the world a dancefloor.

Reageer

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *