Grensoverschrijdend gedrag, dat gaat toch over cliënten die je bedreigen, uitschelden of aanvallen? Over je baas die handtastelijk wordt op een kerstborrel, of die collega die vervelende, seksueel getinte opmerkingen blijft maken terwijl je al duidelijk hebt gezegd dat je diegene helemaal niet leuk vindt? Grensoverschrijdend gedrag gaat over agressie op de werkvloer en de #metoo-beweging van de afgelopen jaren? Toch?
Waar het akelig weinig over gaat: de hulpverlener die de grens over gaat
Jazeker: grensoverschrijdend gedrag over al die dingen. En over meer. We herkennen, denk ik, allemaal de voorgaande situaties. Maar waar het akelig weinig over gaat, is die van de andere kant, namelijk de hulpverlener die de grens over gaat. En dan specifiek die van enige seksuele aard. Heimelijke gevoelens voor een cliënt die steeds erger worden, een flirterig appje net na werktijd, misschien zelfs wel een stiekeme relatie: hulpverleners doen dat toch niet?
Erotisch lichamelijk contact
Blijkbaar wel. Begin jaren tachtig zou ruim 20 procent van de huisartsen en ruim 36 procent van de maatschappelijk werkers erotisch lichamelijk contact hebben gehad met een patiënt, tegenover 3,5 procent en 13,5 procent voor daadwerkelijk seksueel contact. In uitgebreider onderzoek binnen de bredere beroepsgroep (denk aan de beroepen binnen de verzorging, verpleging, huisartsen, fysiotherapeuten, geestelijke gezondheidszorg) zou dit percentage tussen de 3 en de 10 procent liggen. Tussen de 38 en de 52 procent van ons, hulp- en zorgverleners, kent een collega die seksueel contact heeft gehad met een patiënt (Roozen-Vlachos & Weenink 2023).
We delen steeds meer van onze eigen ervaringen en de (kwaliteit van de) relatie wordt belangrijker
En toch heeft het voor mijn gevoel in mijn directe werkomgeving nooit gespeeld. Gek toch? In het in 2023 uitgekomen boek MeToo in de zorgrelatie van Selini Roozen-Vlachos en Jan-Willem Weenink komt naast eerdergenoemde percentages naar voren dat de meningen behoorlijk kunnen verschillen over wat kan en niet kan vanuit een hulpverlenersrelatie én dat we collectief onze ogen sluiten voor grensoverschrijdend gedrag van onze collega’s. Daarin maken zij globaal gezien een onderscheid tussen personen die moedwillig, berekenend en met drang/dwang te werk gaan en zelfs seksueel geweld plegen, en zij die op een glijdende schaal terechtkomen, iets wat uiteindelijk kan leiden tot (seksueel) grensoverschrijdend gedrag. Ik wil het vooral hebben over die tweede groep.
Professionele nabijheid
Ik heb er al eens eerder over geschreven: de verschuiving van professionele afstand naar professionele nabijheid. Vanuit de presentiebenadering en de herstelvisies komen we dichter bij onze cliënten te staan. We delen steeds meer van onze eigen ervaringen en de (kwaliteit van de) relatie wordt belangrijker. Gelijkwaardigheid is het uitgangspunt.
Het trippelt weleens over het randje van wat nog als professionaliteit uit te leggen valt
Over het algemeen weten we die betrokkenheid in balans te houden. En toch trippelt het weleens over het randje van wat nog als professionaliteit uit te leggen valt. Waar een zorgverlener toch wat te dichtbij is gekomen en er langzaamaan meer is gaan spelen dan de zoveelste hulpverleningsrelatie. Het gaat dan vaak om dingen als het delen van privé-contactinformatie, te amicaal en te ‘lichamelijk’ met elkaar omgaan, bepaalde gesprekken niet in het dossier durven of willen opnemen, je bezitterig gedragen tegenover een cliënt, je anders kleden omdat je weet dat je een afspraak met diegene hebt of extra veel tijd aan diegene besteden. Als je bij het lezen van deze tekst aan iemand denkt, of probeert weg te redeneren dat het echt niet zo is in jouw geval, zit je waarschijnlijk precies op het juiste spoor.
Risicofactoren
Er is een aantal redenen en risicofactoren te bedenken die maken dat zorgverleners uiteindelijk het roer niet meer kunnen omgooien, al is hier geen eenduidig of allesomvattend antwoord op te geven. Zo ontstaat grensoverschrijdend gedrag waarschijnlijk sneller of vaker binnen langdurige zorgrelaties of situaties waarin je afgezonderd raakt van collega’s en er veel een-op-een-contact is. Persoonlijkheidstrekken als impulsiviteit of de neiging om anderen te willen ‘redden’, worden in het boek genoemd.
Ingaan op de avances van een cliënt is echt not done. Het mag niet, het mag nooit
Daarnaast zou falende zelfregulatie een rol spelen, bijvoorbeeld door (problematisch) middelengebruik – 10 tot 15 procent van ons kampt daar ooit een keer mee – of door een emotionele toestand. Met dat laatste worden persoonlijke problemen en life events bedoeld, die de balans en het emotioneel evenwicht verstoren (Roozen-Vlachos & Weenink 2023).
Het is, denk ik, echt niet wereldschokkend dat we eens anders-dan-puur-cliëntgebonden gevoelens voor iemand krijgen. Stel dat je eenzaam bent en een boel emotionele bagage meedraagt. Je partner heeft je net verlaten voor een ander. Jouw cliënt van wie je vindt dat hij er goed uitziet, laat duidelijk merken dat hij jou eigenlijk wel wat leuker vindt dan alleen als zijn hulpverlener. Hij praat je de hemel in.
Als hulpverlener kun je én al die dingen ervaren én is het aan jou om te allen tijde als een verantwoordelijke professional te blijven handelen. Ingaan op de avances van die cliënt is echt not done. Voor de duidelijkheid: het mag niet, het mag nooit.
Go with the flow
Ik heb ook een vrij losse, persoonlijke manier van begeleiden en maak vaak zat een uitzondering of loop net even wat harder. Ik hou van de informele go-with-the-flow-style en ben snel een vertrouwd gezicht aan wie mensen bijna alles vertellen of met wie ze een geintje durven maken. Ik besteed veel tijd aan een goede relatie. Daar moet ik wel bij zeggen dat dit voor mij al gauw de norm is. Ik trek geen cliënten voor en gedraag me dus niet anders in één specifieke situatie. Ondanks die ad hoc hands-on-aanpak doe ik eigenlijk nooit zomaar wat. Ik kan mijn handelen en werkwijze altijd uitleggen.
Achteraf gezien had ik veel eerder moeten ingrijpen en moeten overdragen
Ik ben persoonlijk nooit verliefd geweest op een cliënt. Wel had ik er een die verliefd op mij werd. Iets wat ik in mijn achterhoofd denk ik al wel wist, maar wat ik aan de kant geschoven heb. We waren zó goed bezig. Omwille van dat proces heb ik mijn ogen gesloten. Achteraf gezien had ik veel eerder moeten ingrijpen en moeten overdragen.
Waar ik zelf weleens tegenaan kon lopen, is het gevoel dat ik met sommige cliënten in een ander leven best vrienden had kunnen zijn. Het natuurlijke verloop dat iemand uit de zorg gaat, of als iemand met wie het goed ging na een terugval terugkomt, kon en kan me best eens raken. Ook ik heb weleens last van tegenoverdracht. Overdracht gebeurt als de cliënt ervaringen uit het verleden op de hulpverlener projecteert, positief of negatief. Bij tegenoverdracht is er sprake van triggers die onbewuste (emotionele) reacties of patronen bij de hulpverlener naar boven halen (Psychosenet 2025). Maar: ik heb mezelf heel goed in check en ik kan hier heel eerlijk over praten. Ik blijf altijd reflecteren en ik vind open communicatie met collega’s ontzettend belangrijk.
Geheimen
En daar ligt denk ik de key. Dit onderwerp is zó taboe. We willen het niet weten en als er toch iets aan het licht komt, wijzen we liever met een veroordelend vingertje. We durven er al helemaal geen gesprek over aan te gaan als het ons zelf dreigt te overkomen. Er zijn tal van redenen waarom collega’s zwijgen, als ze het al opmerken. Geheimen zijn een voedingsbodem voor ellende.
Ik ben ervan overtuigd dat er veel meer voorkomen kan worden. Zou het voor ons állemaal niet veel vruchtbaarder zijn om hierin collectief het roer om te gooien? Want elke grensoverschrijding is er één te veel.
Marieke Bourgonje is verslavingsdeskundige.
Foto: Jack Sparrow via Pexels