Waarom meer geld naar zorg geen oplossing is

Meer geld naar de zorg – in deze vorm – is volgens Bas Laan van de Rabobank geen duurzame oplossing. Hij acht een transformatie van het zorgstelsel noodzakelijk.

Door vergrijzing en bevolkingsgroei blijft de vraag naar zorg bij ongewijzigd beleid toenemen. En dat moet opgevangen worden in een zorgstelsel dat al onder druk staat. Vanuit die ontwikkelingen luidt de primaire reflex van zorginstellingen, brancheverenigingen en stelselpartijen in de zorg dat er meer geld nodig is. Beredeneerd vanuit het huidige zorgstelsel geen onlogische reflex. Ons waardevolle zorgstelsel barst uit zijn voegen, dus moet de portemonnee verder open. Maar wat als meer geld naar de zorg niet de oplossing is, maar eerder een probleem blootlegt? Wat als meer geld de fundamentele transitie in de zorg niet versnelt, maar eerder remt?

Vanuit de huidige verdeling tussen ziektegelden en preventie, liggen er kansen

Begin juli 2025 is er een akkoord gesloten over het Aanvullend Zorg- en Welzijnsakkoord (AZWa). Op het eerste oog een indrukwekkend pakket maatregelen. Maar wie tussen de regels doorleest, ziet dat het AZWa met name miljarden investeert in het efficiënter organiseren van de aanbodzijde van de zorg. Het verminderen van de vraagzijde van de zorg is relatief beperkt in omvang. Daarmee wordt het bestaande zorgstelsel vooral geoptimaliseerd en niet zozeer getransformeerd.

Na het Integraal Zorgakkoord (IZA) in 2022, worden er opnieuw extra miljarden gereserveerd om de uitdagingen in de zorg te ondervangen. Boven op de in 2024 al aan zorg uitgegeven 113,5 miljard euro, én boven op de in 2030 extra begrote Wlz-budgetstijging van 5,5 miljard euro.1

Meer geld voor minder gezondheid

Het verdienmodel in onze gezondheidszorg is gericht op het behandelen van ziekte. Circa 77 procent van onze zorguitgaven landt in de Zorgverzekeringswet (cure) of in de Wet langdurige zorg (care). Slechts 2,5 procent investeren we in preventie: gericht op het verbeteren van gezondheid, het voorkomen van ziektebeelden en het stimuleren van vitaliteit.2 De vraag is of extra gelden in deze verhouding een aantoonbare bijdrage gaan leveren aan het verbeteren van onze gezondheid, of dat het vooral besteed wordt aan het blijvend behandelen van al ontwikkelde ziektebeelden.

Wel is er beweging op het gebied van preventie. In juni verscheen de Kamerbrief van voormalig staatssecretaris Karremans over het ontwikkelen van een investeringsmodel voor preventie.3 Een dergelijk investeringsmodel is nodig omdat het nu nog onvoldoende lukt om investeringen in preventie vooraf te relateren aan besparingen later. Vanuit de huidige verdeling tussen ziektegelden en preventie liggen hier kansen, en dit is een stap in de goede richting.

De term ‘gezondheidszorg’ is niet passend ‒ ‘ziekenzorg’ zou sprekender zijn

Tegelijkertijd legt de beperkte investering in preventie een fundamenteel probleem bloot. We investeren ontzettend veel geld en arbeidsinzet in het behandelen van ziektebeelden wanneer deze eenmaal ontwikkeld zijn. En dit behandelen we vervolgens succesvol met zeer hoge professionaliteitsstandaarden. Dat is waardevol. De term ‘gezondheidszorg’ is echter niet passend ‒‘ziekenzorg’ zou sprekender zijn, omdat we ons hoofdzakelijk daarop richten en vooral daarvoor betalen. Miljarden voor ziekenhuizen, hoogopgeleid zorgpersoneel en dure medicijnen zijn vanzelfsprekend, terwijl het voorkomen van ziektebeelden door leefstijlinterventies en gezondheidsbevordering ondergewaardeerd blijft.

Psychosociale oorzaken

Daarbij is het de vraag in welke mate inwoners binnen ons zorgstelsel even effectief geholpen worden. In een recent gepubliceerde praktijkhandleiding van het Nederlands Huisartsen Genootschap wordt geconstateerd dat één op de drie huisartsconsulten geen medische, maar een psychosociale oorzaak kent.4 Dit betreft problemen zoals schulden, eenzaamheid of woningnood. In zulke gevallen zijn inwoners doorgaans beter geholpen door zorg en ondersteuning binnen het sociale of zelfs fysieke domein. Toch belanden deze mensen vaak bij de huisarts of bij andere zorgverleners. Dit betekent dat er zorggelden ingezet worden voor problemen die buiten het zorgstelsel om worden veroorzaakt, terwijl de zorgcapaciteit al onder druk staat.

Jaarlijks zitten meer dan honderdduizend zorgprofessionals ziek thuis of wisselen ze van werkgever

Gelukkig groeit het aantal initiatieven waarin de zorg en het sociaal domein elkaar beter weten te vinden. Een illustratie hiervan is Welzijn op Recept. In plaats van een medisch recept, verwijst de huisarts een inwoner door naar een welzijnscoach. Het belang van de verbinding tussen de zorg en het sociaal domein wordt opnieuw benadrukt in het AZWa. Verder helpen digitale triage en samenwerking tussen zorg- en welzijnsorganisaties om inwoners sneller op de juiste plek te helpen. Deze beweging verdient versnelling en structurele ondersteuning.

Lichtpunten

Een ander probleem waarom meer geld naar de zorg geen automatische oplossing vormt, zit in het fundament van de zorg zelf: het arbeidsintensieve businessmodel. De zorgsector heeft al jaren te maken met een hoog verzuim. Uit recent onderzoek blijkt dat het verzuim in de ouderenzorg in het eerste kwartaal van 2025 maar liefst 9,7 procent bedroeg.5 Verlooppercentages van 15 tot 20 procent zijn niet ongewoon in de zorg.

Concreet betekent dit dat jaarlijks meer dan honderdduizend zorgprofessionals ziek thuiszitten of van werkgever wisselen. De belangrijkste redenen zijn de hoge werkdruk, de inhoud van het werk en ontevredenheid over de organisatie. Opvallend is dat de financiële beloning slechts bij één op de vier werknemers als reden genoemd wordt.6 Meer geld voor beloning lijkt hier niet de belangrijkste knop te zijn om aan te draaien.

Gelukkig zijn er lichtpunten. Ondanks de aanhoudende uitdagingen binnen de zorgsector, weten zorginstellingen ook goede resultaten te boeken en het verzuim en het verloop structureel te verlagen. Bovendien lukt het een deel van de zorginstellingen om het jaar financieel goed af te sluiten met voldoende marges om te kunnen investeren. Dit laat zien dat verandering binnen de zorg mogelijk is. Daarbij was 2024 een relatief goed jaar voor zorginstellingen.7 En hoewel iedere zorginstelling op zichzelf uniek is, staan ze veelal voor dezelfde opgaven. Het is daarom belangrijk dat er voldoende aandacht en mogelijkheden zijn om succesvolle lessen tussen zorginstellingen te blijven delen.

Groeiende mismatch

Desondanks blijft er sprake van een groeiende mismatch tussen de vraag- en de aanbodzijde in de zorg. Het gevolg is een vicieuze cirkel: een relatief kleinere groep zorgprofessionals moet een alsmaar groter wordende groep inwoners van zorg voorzien. Ook als de arbeidsbesparende maatregelen uit het AZWA maximaal effectief zijn. Het AZWA voorspelt 100.000 arbeidsplekken te kunnen besparen door onder andere inzet van artificial intelligence (AI) en reductie van administratieve tijdsbesteding. Die belofte zou een prestatie van formaat zijn en de zorg ademruimte geven.

Sluiten we rond 2030 weer een nieuw bestuurlijk akkoord, om de aanbodzijde wederom te optimaliseren?

Tegelijkertijd wordt het tekort in de zorg in 2034 geraamd op 266.000 arbeidsplekken. Betekent dit dat we rond 2030 weer een nieuw bestuurlijk akkoord gaan sluiten, om de aanbodzijde wederom te optimaliseren? Hoe duurzaam is dat eigenlijk?

Extra complicerend

Er zijn goede voorbeelden van zorginstellingen waar het optimaliseren van de aanbodzijde een bijdrage levert aan de werknemerstevredenheid. Dat biedt perspectief. Tegelijkertijd geldt voor de zorg dat meer aanbod tot meer vraag kan leiden.8 En dat laatste is juist het probleem. Extra complicerend is dat middelen die voortkomen uit bestuurlijke akkoorden zoals het AZWA, (deels) incidenteel zijn en zich niet altijd lenen voor structurele doeleinden.

Verder beloont ons zorgstelsel de behandeling van ziekte op basis van volume maal prijs. Beloning op basis van uitkomstmaten of waardes, zoals het gezond houden van patiënten, is nog niet vaak van toepassing. Zolang deze prikkel bestaat, is er voor zorginstellingen een stimulans om in te spelen op de toenemende vraag naar zorg. Zeker als de aanbodzijde verruimd wordt door arbeidsbesparende maatregelen. Wel zijn er goede voorbeelden van zorgverzekeraars die experimenteren met nieuwe bekostigingsvormen. Er zijn voorbeelden waarin de tarieven stijgen naarmate het volume daalt. Dergelijke experimenten verdienen verdere verkenning.9

Nederlandse concurrentiepositie onder druk

In 2024 werkt bijna één op de zeven mensen uit de beroepsbevolking in de zorg. Dagelijks leveren zij fantastisch werk met passie voor hun vak om anderen vooruit te helpen. Maar als we niks veranderen, groeit dit aantal tot één op de vier werknemers in 2040.10 Dat getuigt van maatschappelijke betrokkenheid, maar toont een ander probleem. Vanuit economisch perspectief is de zorg een niet-productieve sector: het genereert geen directe economische output zoals industrie, handel of technologie dat doen. Daarbij is de zorg gericht op ziekte en niet op gezondheid. Dat is per definitie niet productief.

De paradox: hoe meer we investeren in het huidige zorgstelsel, hoe verder we vastlopen

Wel levert de zorg natuurlijk een grote indirecte bijdrage aan de economie door inwoners beter te maken, waardoor zij (weer) kunnen werken. Maar elke extra zorgmedewerker betekent dus ook één minder in sectoren die onze internationale concurrentiepositie bepalen – sectoren die nu al onder druk staan door globalisering, technologische versnelling en concurrentie uit China en Amerika. Daarbij wordt de zorg voor een deel gefinancierd uit belastinggelden afkomstig uit deze producerende sectoren. Dat betekent dat de zorgsector in toenemende mate afhankelijk is van de prestaties van producerende sectoren die ook te maken hebben met een arbeidsmarkttekort. En met een krimpende beroepsbevolking en een groeiende niet-beroepsbevolking dwingt ons dat na te denken over de grenzen van ons huidige zorgmodel en de impact ervan op onze economische toekomst.

Vitale samenleving

Aan de buitenkant van ons zorgstelsel zien we volle wachtkamers, voldoende werkgelegenheid in de zorg met hardwerkende, gepassioneerde zorgprofessionals en stijgende uitgaven. Aan de binnenkant zien we een stelsel dat is vastgelopen en moet gaan herijken. Juist voor de meest kwetsbaren in de samenleving zullen we altijd zorg beschikbaar moeten stellen. We kunnen deze (groeiende) groep alleen blijven helpen als we erin slagen de zorgvraag op andere plekken terug te dringen.

De paradox wordt hierdoor duidelijk: hoe meer we investeren in het huidige zorgstelsel, hoe verder we vastlopen. We staan dus op een kruispunt. Er is geen grotere portemonnee nodig, maar een duurzamer gezondheidszorgstelsel waarin gelden zo effectief mogelijk landen. Zolang we de onderliggende principes van ons zorgstelsel niet veranderen, gaan extra miljarden het verschil niet maken. Er is dus een nieuw perspectief nodig. En misschien ligt dé oplossing voor de zorgsector niet binnen, maar juist buiten de sector. In een gezonde leefomgeving, in het onderwijs, werk en inkomen en in de sociale cohesie. In de vitale samenleving.

Bas Laan is sectormanager gezondheidszorg bij de Rabobank. Hij helpt zorginstellingen en ondernemers om de transformatie van zorg te realiseren en fungeert als strategisch sparringpartner om schaarse financieringsmiddelen daar in te zetten waar de toegevoegde waarde voor de samenleving het grootst is.

 

Foto: Pixabay via Pexels.com