AFSCHEID NICO DE BOER In Memoriam

Er zijn niet zoveel welzijnsdenkers meer. De term is in onbruik geraakt. Een paar decennia terug barstte het nog van de welzijnsdenkers. Hans Achterhuis was een welzijnsdenker, Paul Kuypers, Kees Schuyt bij tijd en wijle zeker ook, en nog zo wat van die namen. Ze afficheerden zichzelf misschien niet zozeer als welzijnsdenker, maar met hun geschriften, analysen en opinies betraden ze het brede terrein van het welzijn en het welzijnswerk regelmatig. Het was een onderwerp, een topic, zeker in de jaren dat het kabinet-Den Uyl welzijn als hoeksteen van het progressieve beleid had uitgeroepen. De belangstelling verflauwde toen de ideologische hoogconjunctuur van de jaren zeventig vervloog, de subsidiestromen droog vielen en het welzijnswerk uit de voorhoede van de intellectuele belangstelling verdween.

Nico de Boer (1955), die op 10 oktober overleed nadat de ziekte ALS hem twee-en-half-jaar geleden bij de lurven had genomen, heeft eigenlijk nooit meegedaan aan deze terugtrekkende beweging. Hij is in zeker opzicht zijn vak (de andragogie) trouw gebleven en voortdurend gefascineerd geweest door de vraag hoe burgers de regie over hun eigen levens en leefomstandigheden ter hand  kunnen nemen en hoe professionals en professionele organisaties daar een rol in konden vervullen. Dat was de rode draad in zijn werk. Daarbij was hij uitermate kritisch over de institutionele deken die door een fatale mix van een overgereguleerde verzorgingsstaat en bedrijfsmatig productdenken over het welzijnsterrein, tegenwoordig sociaal domein, was gelegd. Zijn pleidooi was om die deken af te schudden en de rollen om te draaien en het welzijnswerk te gaan zien als faciliterend bedrijf voor de kracht van burgers. In juni 2019, in een indrukwekkend afscheidstukje als boekenredacteur van het Tijdschrift voor Sociale Vraagstukken, waar hij in vijftien jaar zo’n 500 boeken voor signaleerde, omschreef hij dat als volgt:

Het zal u niet zijn ontgaan dat in die besprekingen een lijn zat, namelijk die van het burgerperspectief. Kort gezegd: de burger verdient in het sociaal domein een prominentere plek. De afgelopen decennia zijn staat en professies (en in zekere zin markt) in het sociale de dominante partijen geworden, in wisselende verhoudingen. De institutionele macht van burgers steekt daar wel heel mager bij af. Dat moet anders. Het sociale verbeter je anno 2019 niet in de eerste plaats door een slimmere staat of beter toegeruste professionals, maar door burgers een sterkere positie te geven. In de spreekkamers, in de buurt, in de instellingen, aan de beleidstafels en in de institutionele ordening. ‘Burgerkracht’ dus, gelijk de titel van het roemruchte pamflet dat ik daarover in 2011 met mijn maat Jos van der Lans schreef. Dat is geen pleidooi tégen de staat of tégen professionals (en zelfs niet tegen de markt) maar een pleidooi voor andere verhoudingen, met de burger veel meer als initiatiefnemer, opdrachtgever, eigenaar.

Dat pleidooi heeft velen aangesproken. Het is anno 2019 bijna niet meer voor te stellen, maar in 2011 toen het essay Burgerkracht. De toekomst van het sociaal werk in Nederland werd gepubliceerd door de Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling bestond het begrip burgerkracht niet. In opdracht van de RMO schreven we een essay met als werktitel 'de institutionele logica van het welzijnswerk'. Maar we waren journalist genoeg om te beseffen dat we met zo’n titel niet veel lezers zouden trekken. Nadat we de nodige mogelijkheden de revue hadden laten passeren kwam Nico ineens met de term Burgerkracht op de proppen. Een raar woord, maar het klonk wel meteen goed. Een kleine inspectie via Google leerde dat de term alleen voor kwam bij de beschrijving van een bevrijdingsbeweging ergens in het zuiden van Mexico. Dus konden we hem met gerust hart gebruiken, we hebben hem nog een paar keer in de tekst terug laten komen (want het woord stond er aanvankelijk helemaal niet in) en op de kaft gezet. Wie nu ‘burgerkracht’ googelt heeft in 0,49 seconden 70.000 treffers.

Dat was niet voorzien en het wil ook helemaal niet zeggen dat de gedachte die er achter zit ook praktijk geworden is. Integendeel, het begrip werd zonder veel uitleg gebruikt in beleidsnota’s over de ‘transformatie’ van het sociaal domein en diende nogal eens als vlaggenstok voor een ordinaire aftocht van een bezuinigende overheid, die burgerkracht opvatte als minder professionele inzet van professionals en grotere zelfwerkzaamheid van burgers. Burgerkracht is een soort beleidsreligie geworden. Die realiteit leverde Nico (en mij) regelmatig het verwijt op dat wij een antiprofessionele agenda voor stonden en kwetsbare burgers aan hun lot zouden overlaten. Kritiek die tot in nauw bevriende kringen te beluisteren viel.

Wie zich ook maar een moment in de loopbaan van Nico de Boer heeft verdiept weet dat dat verwijt onheus is, en Nico kon zich er ook behoorlijk boos over maken. Meer dan menig andere welzijnsdenker heeft hij zich in alle hoeken van de sociale sector opgehouden, en er is geen werksoort geweest, geen beleidstrend of nieuwe aanpak waar hij sinds begin jaren tachtig van de vorige eeuw niet over geschreven heeft.

Nico de Boer was een begenadigd schrijver; hij schreef graag, goed en zorgvuldig. Hij hoorde tot het bijzondere slag Nederlanders dat op de lagere school plezier had in dictees. Maar in al die schrijverij  bleef hij toch altijd andragoog, het vak dat sinds 1985 al weer uit het Academisch Statuut is geschrapt, maar waarin hij met goed gevolg een universitaire studie had voltooid. Officieel was de andragologie de wetenschap die de vorming en ontwikkeling van volwassenen bestudeerde, maar in de praktijk van de jaren zeventig was het toch vooral de wetenschap die de emancipatie van burgers wilde bevorderen. Het ging over emancipatie van patiënten (in de psychiatrie), van bewoners (in de stadsvernieuwing), van vrouwen (overal), van bijstandstrekkers, van gastarbeiders en alle andere miskende en misdeelde doelgroepen die ontdaan van de oude verzuilde omgeving om politieke en beleidsmatige aandacht vroegen. Het welzijnswerk leverde de professionaliteit om daar uiting aan te geven, andragogen de theoretische, wetenschappelijke en vooral ook ideologische onderbouwing.

Toen Nico de Boer in 1982 afstudeerde in de Theoretische en Historische Andragologie was het festival der emancipatie echter over zijn hoogtepunt heen, de crisis had toegeslagen, het ideologische tij was aan het keren en voor andragogen was er geen droog brood te verdienen. Maar Nico kon schrijven. Hij werd gevraagd om zitting te nemen in de redactie van het tijdschrift Marge, waar zijn talent al snel ontdekt werd en hij zijn eerste betaalde baan vond. Hij speelde een belangrijke rol in de fusie van Marge met het Welzijnsweekblad en het Welzijnsmaandblad, waaruit het TSS voortkwam, het Tijdschrift voor de Sociale Sector, de voorganger van het Tijdschrift voor Sociale Vraagstukken en de website www.socialevraagstukken.nl. In 1989 werd hij hoofdredacteur van het Welzijnsweekblad en TSS.

Zo werd de andragoog welzijnsjournalist. Niet een journalist die stukjes schrijft, maar een journalist die zoekt naar trends, analyseert, de achtergronden van het beleid in beeld brengt, en eigenlijk nooit dat emancipatieperspectief van de opgedoekte andragogie kwijt is geraakt. Dat gebeurde ook niet toen hij begin jaren negentig, na een wat minder gelukkige periode als hoofdredacteur, voor zichzelf begon. Hij afficheerde zich als beleidschrijver, een tot dan niet bestaand soort tekstprofessional, waarmee hij in bevriende kringen wel wat verwondering wekte: is er iets saaier denkbaar dan beleidschrijven? En wat moet Nico de Boer, toch bepaald geen saaie persoonlijkheid, daar in hemelsnaam mee?

Maar Nico kon doorvragen. Hij kon leidinggevenden van zorg- en welzijnsinstellingen dwingen om precies te zijn over wat ze nu wilden bereiken, en hij kon dat helder en overzichtelijk op papier overbrengen. Met die gave heeft hij niet alleen vele organisaties vooruit geholpen, maar ook alle hoeken en gaten van de brede sector leren kennen. Plus de geschiedenis: want in 2002 schreef hij Een tikkie tekort, de geschiedenis van de psychiatrie in West-Friesland, zijn geboortestreek, een indringend boek dat overloopt van verhalen van professionals en met veel oog voor de weerloze positie van patiënten.

Zijn kritische houding over wat hijzelf betitelde als de ‘institutionele logica’ en het uitwerken van ‘het burgerperspectief’ ontwikkelde hij in twee stappen. Rond de eeuwwisseling ontpopte hij zich als deskundige van het wijkgerichte werken. In opdracht van het ministerie van Binnenlandse Zaken deed hij onderzoek naar de vraag of de invasie in de wijk van professionals er niet toe zou leiden dat ze elkaar in de weg zouden lopen en hoe dat moest worden voorkomen. De resultaten maakten van hem een wijkgericht-werken-expert die overal in het land zijn verhaal mocht kon doen. Willem Stam, destijds voorzitter van het Landelijk Platform Buurt- en wijkbeheer (LPB), waar veel wijkprofessionals aan verbonden zijn, grapte ooit dat Nico de Boer in zijn eentje ‘het wetenschappelijk bureau van de LPB’ vormde.

Een tweede stap  zette hij toen hij (samen met Jan Willem Duyvendak) in opdracht van de WRR een beschouwing schreef over het welzijnswerk als onderdeel van een groter adviesproject over de verzorgingsstaat. In het hoofdstuk ‘Welzijn: een  verweesde sector’ zette hij uiteen hoe welzijnswerk was voortgekomen uit burgerinitiatieven maar in de loop van de afgelopen decennia was opgezogen in de staat en daarna uitgevent was richting gemeenten en markt. In deze beschouwing beproeft hij voor het eerst het begrip ‘institutionele logica’ als analytische categorie, die de grondslag vormde voor het beroemde (voor sommigen beruchte) essay over burgerkracht uit 2011.

In dit project vonden Nico en ik elkaar (overigens waren we toen al 25 jaar schrijvende collega’s en vrienden). Ik was na mijn publicaties over de bureaucratisering van de publieke sector (Ontregelen, 2008) en een ander soort Eropaf-professional (Eropaf!, 2010) toe aan een zelfde stap als waar Nico naar op zoek was: wat is in de context van een transformerende verzorgingsstaat een grondslag voor zoiets als sociaal werk? Het antwoord daarop bedachten we overigens niet zelf, daarvoor interviewden we (eigenlijk met name Nico) zo’n veertig mensen die al jaren als onderzoeker, professional, beleidsmaker of politicus met deze vraag worstelden. Het resultaat was dus het RMO-essay Burgerkracht. De toekomst van sociaal werk in Nederland, niet veel later (in 2013) uitgewerkt in de wat minder bekende maar al wat omvattender Platform31-publicatie: Burgerkracht in de wijk. Sociale wijkteams en de lokalisering van de verzorgingsstaat en in 2014 in het boek Decentraal. De stad als sociaal laboratorium.

In het enorme institutionele en financiële geweld dat met de decentralisaties en de transformatie van de verzorgingsstaat gepaard is gegaan is de term burgerkracht (zoals het wel vaker gaat) dus een eigen leven gaan leiden. Het begrip wordt te pas en te onpas gebruikt, van naïeve gelovigen en (in toenemende mate) door critici, die er een smeermiddel in zien voor een terugtredende overheid en een afbraak van oude verzorgingsstaatarrangementen. Al die discussies en niet in de laatste plaats de ergernis erover brachten Nico tot het voornemen om er dan maar eens echt grondig studie van te gaan maken in de vorm van een proefschrift. Hij wilde de geschiedenis van de brede sociale sector, waaronder het welzijnswerk, herordenen als een geschiedenis waarin een door burgers geïnitieerd project in een proces van modernisering (een mix van professionalisering, institutionalisering en bureaucratisering) een eigen leven is gaan leiden en de energie blokkeert om tot andere vormen van ondersteuning, solidariteit en saamhorigheid te komen, terwijl daar onmisbare bouwstenen in te vinden zijn om tot een levensvatbare verzorgingsstaat te komen. Wat hij zocht is een soort derde weg, niet de weg van de overheid, niet de weg van de markt, maar de weg waarin burgers gefaciliteerd door professionals weer greep krijgen op hun eigen wereld.

Misschien is dat een romantische droom, misschien was het een koppige echo van de oude emancipatie-andragogie, maar het blijft doodzonde dat Nico de Boer het denken over de verzorgingsstaat niet met zijn analytisch vermogen, zijn ervaringen, zijn verhalen, zijn scherpzinnigheid  en zijn onderzoeksdrang verder kleur zal gaan geven. Twee-en-half jaar geleden werd bij hem de niets ontziende ziekte ALS geconstateerd. Die klap kwam hard aan. Hij heeft niet meteen de pijp aan Maarten gegeven, begin dit jaar verscheen bij het LSA nog een fraai essay van hem over de teloorgang en heruitvinding van wijkraden.

Maar langzaam maar zeker sloopte de ziekte zijn lichaam. Die onttakeling bereikte echter nooit zijn karakter, en al helemaal niet zijn geest. Hij opereerde de laatste maanden bij tijd en wijle onverminderd scherp op twitter, waar hij iets deed wat de meeste van ons al lang opgegeven hebben, namelijk het bloed onder de nagels halen van klimaatontkenners. Zijn vrienden en naasten hebben dit jaar heel wat uren met hem doorgebracht, trieste uren, zeker, maar net zoveel vrolijke en beschouwende. Ik kan me geen gesprek met hem herinneren zonder grap, geen ontmoeting zonder vrolijkheid. Hij hield de regie over zijn leven en toen hij de grens van het onaanvaardbare zag aankomen over zijn dood. Hoewel hij niet in de hemel geloofde (na de dood is er Het Grote Niets) zag hij zijn naderende afscheid als een luchtballon waar hij elke dag weer een touwtje van doorsneed, tot hij na het laatste koord op donderdag 10 oktober ons definitief ontsteeg. Eeuwig jammer, want hij had ons als welzijnsdenker nog zoveel te vertellen. En als vriend, als partner, als vader, als opa. Als Nico de Boer.

Jos van der Lans is cultuurpsycholoog en publicist. Hij werkte bij het tijdschrift Marge toen Nico de Boer in 1984 toetrad tot de redactie. Dat was het begin van een langdurige vriendschap en vruchtbare samenwerking.

Dit artikel is 3600 keer bekeken.

Reacties op dit artikel (3)

  1. gecondoleerd. Nico heeft mij enorm geinspireerd om nog een tandje bij te zetten op het gebied van burgerkracht.

  2. Beste Jos,
    Enorm bedankt voor deze mooie nagedachtenis aan Nico. Hij was een groot denker en schrijver over sociale vraagstukken en hij was kritisch over welzijnsorganisaties en hun professionals die hun oren teveel lieten hangen naar de lokale overheden, ten koste van hun authentieke verbondenheid met de vraagstukken van bewoners. Ook ik heb machteloos moeten toezien hoe het begrip burgerkracht misbruikt werd om ontwrichtende bezuinigingen in het sociale domein te legitimeren. Nico had het hart op de goede plek en was een warm inspirator voor sociale professionals en voor mij in mijn werk bij de afdeling professionalisering van Movisie. Zijn laatste optreden voor het Krachtproeffestival in Heerenveen krijgt een ereplaats in de geschiedenis van het opbouwwerk in Nederland.

  3. Beste familie van Nico, gecondoleerd met het overlijden van Nico.
    Als studente Andragologie heb ik Nico leren waarderen als assistent van Hans Achterhuis.
    Ik heb in zijn begeleidende werkgroep op een zeer positieve wijze kennis gemaakt met de
    ‘Markt van Welzijn en Geluk’.
    Als jonge enthousiaste assistent wist hij me te motiveren en inspireren om me in de sociale filosofie te verdiepen.
    In de laatste jaren heb ik colleges van hem gevolgd over de participatie maatschappij.
    Nico heeft overtuigend duidelijk gemaakt dat het concept van kabinet Rutte niet kon functioneren.
    Dank je wel Nico voor je helder gedachtegoed, ik zal het met me mee dragen,
    Het ga je goed in de spirituele wereld, rust zacht,
    Bine

Reageer

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *