De druk op het sociaal domein neemt toe. Gemeenten worstelen met stijgende zorgkosten, personeelstekorten en complexe maatschappelijke vraagstukken, terwijl de roep om preventie, participatie en wijkgericht werken steeds luider klinkt. Tegelijkertijd wordt in een heel andere hoek – die van de archeologie – nagedacht over een nieuwe maatschappelijke rol. Sinds Nederland in 2024 het Verdrag van Faro (Europees verdrag De waarde van cultureel erfgoed voor de samenleving van de Raad van Europa uit 2005) ondertekende, staat de vraag centraal: wat kan erfgoed betekenen voor de samenleving van nu?
Die twee werelden lijken op het eerste gezicht ver van elkaar te liggen. Archeologie roept beelden op van opgravingen, rapporten en regelgeving rond bouwen en ruimtelijke ontwikkeling. Het sociaal domein draait om zorg, ondersteuning en participatie. Toch blijkt uit een verkennend onderzoek dat juist hier verrassend veel aanknopingspunten liggen.
Van behoud naar betekenis
Het Verdrag van Faro (Raad van Europa 2005) stelt niet het erfgoed zelf centraal, maar de waarde die erfgoed heeft voor mensen en gemeenschappen. Erfgoed krijgt betekenis doordat mensen ermee aan de slag gaan, er verhalen aan ontlenen en zich ermee verbonden voelen. Voor de archeologie betekent dit een verschuiving: niet alleen beschermen en documenteren om wetenschappelijke redenen, ook ruimte maken voor maatschappelijke betekenis.
Een belangrijk inzicht is dat de kracht van archeologie niet zozeer ligt in zorg, maar in welzijn
Dat roept meteen vragen op. Wat levert archeologie concreet op voor inwoners? En belangrijker nog: kan archeologie bijdragen aan actuele maatschappelijke opgaven, zoals eenzaamheid, sociale uitsluiting of het versterken van gemeenschappen?
Om die vragen te verkennen, zijn gesprekken gevoerd met 21 deskundigen uit het sociaal domein, de financiële sector en de archeologie. Denk aan wethouders, beleidsmedewerkers, projectleiders en adviseurs.1 Hun oordeel is opvallend eensgezind: ‘Jullie hebben de tijdgeest mee.’
Welzijn in plaats van zorg
Een belangrijk inzicht uit de gesprekken is dat de kracht van archeologie niet zozeer ligt in zorg, maar in welzijn. Archeologie is geen vervanging voor individuele ondersteuning of behandeling, maar kan wel bijdragen aan sociale betrokkenheid, activering en zingeving. Precies die elementen krijgen binnen het sociaal domein steeds meer aandacht.
Gemeenten kijken nadrukkelijker naar alternatieve manieren om welzijn te bevorderen, met oog voor de kwaliteit van de leefomgeving. Daarbij verschuift de aandacht van individuele problematiek naar collectieve aanpakken: samen dingen doen in de wijk, ontmoeting stimuleren, inwoners activeren. Erfgoed – en dus ook archeologie – speelt in die leefomgeving een belangrijke rol. Het vertelt iets over de geschiedenis van een plek en kan mensen verbinden met hun buurt.
Deelname aan archeologische activiteiten, zoals lokale opgravingen, publieksprojecten of onderzoek naar de geschiedenis van de wijk, sluit hier goed op aan. Het zijn laagdrempelige, betekenisvolle activiteiten die ontmoeting en samenwerking stimuleren. Bovendien kunnen ze bijdragen aan preventie: mensen raken minder geïsoleerd, voelen zich meer betrokken en ontwikkelen nieuwe vaardigheden.
Waarom juist lokaal?
Het sociaal domein en de archeologie zijn beide sterk lokaal georganiseerd. Gemeenten zijn verantwoordelijk voor de uitvoering van onder meer de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo), de Jeugdwet en de Participatiewet, en zijn tegelijkertijd bevoegd gezag voor archeologie. Bovendien spreekt archeologie veelal lokaal het meest aan en richten publieksactiviteiten zich al vaak op de buurt of de regio. Dat maakt de gemeente een logische plek om verbindingen te leggen.
Archeologie kan onderdeel worden van een bredere sociale infrastructuur, naast buurthuizen, wijkteams en welzijnsorganisaties
De gesprekspartners benadrukken wel dat het dan moet gaan om een andere vorm van archeologische praktijk dan we vaak kennen uit de bouw- en ontwikkelwereld. De zogenoemde Malta-archeologie2, die plaatsvindt onder grote tijdsdruk omdat ‘archeologie in de weg zit’, kan zeker bijdragen aan activering en werkervaring. Maar voor welzijn en preventie werkt een rustiger setting beter: projecten zonder harde deadlines, waarin relaties kunnen groeien en deelnemers zich langdurig kunnen verbinden.
Juist op wijkniveau liggen hier kansen. Archeologie kan onderdeel worden van een bredere sociale infrastructuur, als samenwerkingspartner van buurthuizen, wijkteams en welzijnsorganisaties.
Wet- en regelgeving
Een veelgehoorde vraag is: mag dit eigenlijk wel? Er is geen specifiek wettelijk kader dat samenwerking tussen archeologie en het sociaal domein regelt. Volgens de geïnterviewden is dat echter geen doorslaggevend probleem. Voor collectieve activiteiten gericht op welzijn en preventie van sociale problematiek (eenzaamheid) zijn de wettelijke eisen beperkt of afwezig. Vrijwilligers betrekken, samen activiteiten organiseren en bewoners activeren, kan binnen bestaande kaders.
Dat wordt anders wanneer archeologie zou worden ingezet voor individuele zorgtrajecten. Dan gelden er strengere regels. Maar juist daar ligt volgens de meeste gesprekspartners niet de grootste meerwaarde van een samenwerking met de erfgoedsector. De collectieve benadering – gericht op welzijn, participatie en preventie – is niet alleen inhoudelijk logisch, ook juridisch is dit het meest kansrijk.
Financiering grootste hobbel
Waar wel bijna iedereen over struikelt, is financiering. Er is geen structurele geldstroom voor participatieve erfgoedpraktijken met een maatschappelijk doel. Dat vraagt om creativiteit en investeringsbereidheid. Denk aan het combineren van gemeentelijke middelen, fondsen en subsidies, of het benutten van principes als sociale inkoop, waar gemeenten al mee werken en mee kunnen experimenteren.
Sociale inkoop is ook wel bekend als Social Return on Investment (SROI). Hierbij zijn aannemers van werken of projecten verplicht om een klein percentage van hun ontvangen aanbestedingsbedrag (of subsidie) in te zetten voor een maatschappelijk doel. Het kan gaan om het aanbieden van (tijdelijk) werk aan mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt (werkervaring), maar als het maatschappelijke doel niet binnen een project uitvoerbaar is, kunnen opdrachtnemers alternatieven zoeken, zoals investeren in een lokaal welzijnsproject.
Maatschappelijke vraagstukken vragen soms om partners buiten de gebaande paden
Ook opperden geïnterviewden dat de archeologische sector zelf het initiatief zou kunnen nemen, bijvoorbeeld door een eigen fonds op te zetten voor maatschappelijke projecten. Bestaande regelingen, zoals het Innovatiefonds bij de Stichting Reuvens of de Regeling Publieksarcheologie van het Cultuurfonds (tot en met 2029), kunnen mogelijk helpen om pilots van de grond te krijgen.
Van verkenning naar praktijk
De open en constructieve houding van de gesprekspartners leverde veel concrete suggesties op. Niet als blauwdruk, maar als uitnodiging om te experimenteren. De kernboodschap: wacht niet op perfect uitgewerkte kaders, maar begin klein. Zoek in de eigen gemeente een partner in het sociaal domein en ontwikkel samen een pilot.
Voor beleidsmakers en uitvoerenden in het sociaal domein biedt dit kansen. Archeologie kan een onverwachte, maar waardevolle bondgenoot zijn in het werken aan welzijn, preventie en sociale samenhang. Niet als doel op zich, maar als middel dat mensen verbindt met elkaar en met hun leefomgeving.
Misschien is dat wel de belangrijkste les van deze verkenning: maatschappelijke vraagstukken vragen soms om partners buiten de gebaande paden. Wie het sociaal domein wil vernieuwen, doet er goed aan ook in de grond te kijken.
Archeologie en welzijn in de praktijkEen paar jaar geleden wandelden, los van elkaar, twee jonge mensen binnen bij de sectie archeologie van Erfgoed Zeeland (Middelburg). Ze vroegen: ‘Mag ik meedoen met archeologisch onderzoek? Een stage doen?’ Erfgoed Zeeland is een semi-overheidsorganisatie en een erkend leerbedrijf en biedt stages op verschillende onderwerpen en studieniveaus. De organisatie vroeg dus wat ze precies wilden en voor welke opleiding de stage was. Het lag anders. Zij waren beiden uitgevallen op school en zaten thuis. Leerplicht was al actief, individuele jeugdzorg werd al ingezet. Zij vroegen niet om nog meer zorg of dagbesteding, maar om iets te kunnen doen vanuit hun passie voor geschiedenis en archeologie en zo weer plezier terug te vinden. Bij Erfgoed Zeeland lagen allerlei archeologische vondsten op tafel: van 60.000 jaar oude vuurstenen werktuigen tot porseleinen scherven uit de vorige eeuw. Die moesten goed gedocumenteerd worden en de jongeren konden aan de slag. Eén van hen bleek heel creatief te zijn. Zij leerde archeologische vondsten te tekenen: op papier én digitaal, volgens de regels van de archeologische wetenschap. Al snel kon zij zelfstandig aan de slag. Met veel resultaat, voor Erfgoed Zeeland én voor zichzelf. Haar tekeningen zijn van blijvende waarde voor de archeologie en zij heeft zelf ervaren dat ze ertoe doet. Zorg heeft Erfgoed Zeeland niet geleverd. Wel is rekening gehouden met hun situatie, bijvoorbeeld door nooit druk op hen te leggen. Inmiddels zijn beide jongeren nadere stappen aan het zetten om hun leven verder op te bouwen. |
Monique van den Dries is als universitair hoofddocent en onderzoeker verbonden aan de faculteit archeologie van de Universiteit Leiden. Heleen van Londen is universitair docent bij de vakgroep archeologie van de Universiteit van Amsterdam. Martijn van Poecke is adviseur publieksarcheologie bij Erfgoed Zeeland.
Noten:
1 Onderzoek van de Universiteit Leiden, Universiteit van Amsterdam en de stichting Erfgoed Zeeland: rapport Archeologie en het sociaal domein. Een verkenning van samenwerking voor een toekomstige participatieve praktijk van Monique van den Dries, Heleen van Londen, Martijn van Poecke, 2025, Universiteit Leiden, doi.org/10.13140/RG.2.2.11139.36642, hdl.handle.net/1887/4297175
2 Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed (Raad van Europa, 1992), ook bekend als het Verdrag van Malta. Nederland tekende dit verdrag in 2007, waarna archeologisch onderzoek bij infrastructurele projecten de verantwoordelijkheid werd van de gemeente, die het als verplichting kan opleggen aan projectontwikkelaars en andere bodemverstoorders.