Komt een vrouw met beginnende dementie bij de balie van een huisarts om een afspraak te maken. ‘Alleen maandag tussen negen en twaalf kunt u bellen voor een afspraak, mevrouw.’ ‘Maar ik ben er nú toch...’
Pijnlijke stilte.
Voor de vrouw verandert haar huisartsenpraktijk in een doolhof van regels in plaats van een plek voor zorg.
Dit verhaal, gedeeld tijdens een bijeenkomst met mensen met dementie en hun mantelzorgers in Amsterdam, staat niet op zichzelf. Overal in Nederland lopen mensen met (beginnende) dementie tegen vergelijkbare hindernissen aan. Bij werkzaamheden verdwijnen zonder waarschuwing bushaltes, digitale loketten bieden geen fysiek alternatief, en fatbikes en bakfietsen razen over toch al smalle stoepen en fietspaden. Fysieke obstakels (in gebouwen, looproutes en verkeer) en sociale obstakels (zoals een moeilijk te begrijpen houding, communicatie en onbegrijpelijke informatie door bijvoorbeeld het gebruik van koptelefoons) grijpen voortdurend in elkaar. Pas wanneer professionals en gemeenten beide dimensies samen bekijken, kunnen zij deze belemmeringen daadwerkelijk wegnemen.
We ontwikkelden een meetinstrument dat bewoners, professionals en beleidsmakers laat zien waar het wringt
Juist dit soort alledaagse obstakels vormde de aanleiding voor ons onderzoek. Want hoewel het begrip ‘dementievriendelijke buurt’ steeds vaker opduikt in beleidsstukken, informatiebrieven van gemeenten en zelfs in de media, ontbreekt vaak een manier om systematisch te analyseren of een buurt daadwerkelijk dementievriendelijk is. Sterker nog, zelfs de aanduiding ‘dementievriendelijk’ blijkt in de praktijk nog onvoldoende concreet. Hierdoor tasten gemeenten in het duister en missen zij zicht op waar het goed gaat en waar niet.
Om deze reden startte de Werkplaats Sociaal Domein Den Haag en Leiden een innovatieproject, met aanvullende middelen van het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (Werkplaatsen Sociaal Domein samenwerking Zorg Sociaal 2024-2025). Samen met Alzheimer Nederland vertaalden we het conceptuele model van dementievriendelijkheid van de Wereldgezondheidsorganisatie naar de praktijk en ontwikkelden we een meetinstrument dat bewoners, professionals en beleidsmakers laat zien waar het wringt.
Stap voor stap grip verliezen
Nederland vergrijst in rap tempo. Naar schatting wonen er vandaag 300.000 mensen met dementie in ons land; in 2040 zijn dat er volgens het Nivel ruim een half miljoen (Van der Heide e.a. 2024). Die groei vertaalt zich niet alleen in aantallen, maar vooral in een toenemend aantal mensen dat in het dagelijks leven stap voor stap grip verliest. Zodra het geheugen hen in de steek laat, komt niet alleen de zelfstandigheid onder druk te staan; dat geldt ook voor het gevoel van veiligheid, eigenwaarde en verbondenheid. Zeven op de tien Nederlanders met dementie woont nog thuis, vaak met een partner op leeftijd of met hulp van een volwassen kind dat mantelzorg combineert met werk en gezin.
Wanneer de omgeving niet meebeweegt, groeien kleine fricties uit tot grote obstakels
Wanneer de omgeving niet meebeweegt, groeien kleine fricties uit tot grote obstakels. Een huisarts die alleen telefonisch afspraken inplant, een bushalte zonder zitbankje, een supermarkt die het assortiment verplaatst of een buurt die onherkenbaar verandert: wat voor anderen een detail is, bepaalt voor iemand met dementie of hij of zij nog kan meedoen.
Juist hier ligt de kern van de impact op het leven met dementie. Het gaat niet alleen om functioneren; het gaat mede om blijven deelnemen aan het dagelijks leven. Onderzoek laat zien dat sociale participatie een van de weinige factoren is die samenhangt met langzamer cognitief verval en meer ervaren kwaliteit van leven. Wanneer iemand stopt met naar de winkel gaan, de bibliotheek niet meer bezoekt of sociale activiteiten vermijdt, neemt niet alleen de eenzaamheid toe, maar verdwijnt ook het gevoel onderdeel te zijn van de samenleving. Dementievriendelijkheid gaat daarmee in de eerste plaats over het behouden van rollen: buur, vrijwilliger, klant, vriend.
Graadmeter voor inclusieve buurten
Precies daar komt het concept dementievriendelijkheid in beeld. Een dementievriendelijke buurt vermindert niet alleen de spanning voor degene die vergeet, verdwaalt of aarzelt, maar verlicht ook de druk op mantelzorgers. Elke herkenbare looproute, elke buschauffeur die wacht tot iemand zit, elk bordje bij de kassa met ‘Geef me de tijd’ helpt mensen om zelfstandig te blijven functioneren.
Veel gemeenten omarmen het begrip, maar worstelen met de vraag wat nu precies werkt
Door te meten hoe de fysieke en sociale omgeving functioneren, maken gemeenten de stap van intentie naar uitvoering. De maatschappelijke impact hiervan zit niet alleen in systemen, maar juist in het dagelijks leven. Een buurt waarin mensen elkaar herkennen en ondersteunen, voorkomt dat kleine problemen escaleren tot sociale terugtrekking. Mantelzorgers ervaren minder druk wanneer hun omgeving meebeweegt. En gemeenten die investeren in begrijpelijke informatie, toegankelijke openbare ruimte en sociale inclusie, versterken niet alleen de positie van mensen met dementie, maar van alle kwetsbare bewoners. Dementievriendelijkheid blijkt daarmee geen nichebeleid, maar een graadmeter voor inclusieve buurten.
Veel gemeenten omarmen het begrip, maar worstelen met de vraag wat nu precies werkt. Een eenduidige uitleg én meetbaarheid zijn essentieel: pas wanneer duidelijk is waar je staat, kun je gericht verbeteren. Zo krijgen zij inzicht in waar investeringen van een bankje tot training van personeel daadwerkelijk verschil maken.
Dementievriendelijkheid: wat is dat dan?
De Wereldgezondheidsorganisatie (WHO 2021) onderscheidt tien domeinen van dementievriendelijkheid, waaronder buitenruimte, vervoer, huisvesting, sociale participatie en communicatie. Op buurtniveau krijgen deze domeinen een concrete invulling. Denk aan duidelijke kleurcontrasten bij voordeuren, voorspelbare busdiensten, herkenbare looproutes en kleinschalige buurtactiviteiten. In een literatuurstudie werkten we per domein tientallen van deze kenmerken uit (Verdoes, Dikken & Van Hoof 2026). Zo ontstond er een gedeeld begrippenkader dat verder gaat dan abstracte beleidswoorden.
Voorbeelden van dementievriendelijkheid zijn er in de praktijk al volop, maar ze blijven vaak onder de radar omdat ze zelden systematisch worden bekeken vanuit het perspectief van mensen met dementie. Denk aan supermarkten in Friesland en Noord-Holland waar medewerkers getraind zijn om signalen van verwarring te herkennen en rustig te helpen, en aan een bibliotheek die prikkelarme ochtenden organiseert. Of aan een buurt in Brummen waar vaste looproutes zijn gemarkeerd met herkenbare kleuren en symbolen. Ook buurtinitiatieven zoals geheugencafés of vrijwilligers die meelopen naar afspraken dragen bij aan een omgeving waarin mensen zich zekerder voelen. Wat ontbreekt, is niet zozeer actie maar samenhang en zichtbaarheid: hoe deze losse initiatieven samen het verschil maken in het dagelijks leven.
Beleving van mensen in beeld
Toen we deze tien domeinen van de Wereldgezondheidsorganisatie concreet hadden uitgewerkt, begonnen we met de ontwikkeling van de Dementia-Friendly Cities & Communities Questionnaire (DFCCQ). Vanuit 473 mogelijke items bleven er, via internationale expertbeoordeling en gesprekken met mensen met dementie en mantelzorgers, uiteindelijk slechts 74 vragen over. Deze vragen meten zowel de fysieke als de sociale omgeving en sluiten aan bij de leefwereld van mensen zelf.
De relevantie van een instrument zoals de DFCCQ zit ’m in het in beeld brengen van de beleving van mensen zelf. Naast het predicaat ‘dementievriendelijke gemeente’, waarin het beleid en de intentie van de gemeente getoetst wordt op dementievriendelijkheid, kan de gemeente met de DFCCQ de beleving van de mensen zelf toetsen. Gemeenten krijgen door het gebruik van de DFCCQ een nulmeting die feilloos laat zien waar papieren ambities botsen met de beleving van bewoners. Een ambtenaar kan op basis van beleidstukken concluderen dat de buurt toegankelijk is: de bushalte ligt dichtbij en informatie is beschikbaar. Maar iemand met dementie ervaart iets anders: de halte is moeilijk te vinden en een online loket biedt geen echt contact. Met onze vragenlijst kan er dus nog gerichter gewerkt worden aan een dementievriendelijke samenleving.
Voor gemeenten betekent dit: niet langer sturen op aanwezigheid van beleid, maar op ervaren toegankelijkheid en participatie
Juist dit verschil maakt de impact zichtbaar. De DFCCQ laat zien waar beleid nog niet landt in het dagelijks leven. Daarmee verschuift de focus van voorzieningen hebben naar voorzieningen die werken. Voor gemeenten betekent dit een fundamentele verandering: niet langer sturen op aanwezigheid van beleid, maar op ervaren toegankelijkheid en participatie.
Ook voor onderzoekers opent de vragenlijst nieuwe mogelijkheden. Omdat de items zijn gekoppeld aan internationale domeinen, kunnen buurten met elkaar worden vergeleken en kunnen zij van elkaar leren. Zo groeit de DFCCQ uit tot meer dan een meetinstrument: het wordt een gesprekstool die beleid aanscherpt, professionals verbindt en bewoners activeert.
Samenwerking medisch en sociaal domein
Een belangrijke voorwaarde voor echte impact ligt in de samenwerking tussen het medisch en het sociaal domein. In de praktijk opereren deze werelden nog te vaak naast elkaar; zorgprofessionals richten zich op diagnose en behandeling, terwijl gemeenten en welzijnsorganisaties zich bezighouden met participatie en leefomgeving. Voor mensen met dementie vallen deze werelden echter samen in het dagelijks leven. Juist daarom vraagt dementievriendelijkheid om verbinding. Huisartsen, wijkverpleegkundigen en casemanagers signaleren waar mensen vastlopen, terwijl gemeenten, woningcorporaties en welzijnsorganisaties de omgeving kunnen aanpassen.
Wanneer deze partijen informatie delen en samen optrekken, ontstaat er een completer beeld van wat er nodig is. De DFCCQ kan hierin een brugfunctie vervullen: het instrument brengt ervaringen uit het dagelijks leven systematisch in kaart en maakt ze bespreekbaar voor alle betrokken partijen. Door deze samenwerking te versterken, verschuift de aanpak van losse interventies naar een gezamenlijke verantwoordelijkheid voor de leefomgeving. Dat maakt het mogelijk om niet alleen symptomen te begeleiden; ook de context waarin mensen leven, is dan daadwerkelijk te verbeteren.
Wat nu?
In 2026 start het project 'Buurt aan Zet van scan tot effect', gesteund door Alzheimer Nederland. Zes contrasterende buurten beginnen met een DFCCQ-nulmeting en zullen we volgen tijdens hun ontwikkeling naar dementievriendelijkheid. Met wandelinterviews, fotografie en proceslogboeken krijgen cijfers betekenis in verhalen.
Dit artikel begon met een vrouw die vastliep in een systeem. Door te meten vanuit het perspectief van mensen met dementie wordt zichtbaar waar de buurt helpt en waar zij belemmert. Daarmee wordt ‘dementievriendelijk’ meer dan een sympathiek ideaal: het wordt een concrete route naar buurten waarin mensen niet vastlopen, maar kunnen blijven meedoen. En precies daarin ligt de echte impact: niet in beleid op papier, maar in buurten waar mensen zich gezien, begrepen en ondersteund voelen in hun dagelijks leven.
Van beleid naar praktijk
Een ander voorbeeld komt uit Veldhoven. Met behulp van 175 vrijwilligers werkt SWOVE (zie swove.nl) daar samen met de gemeente en diverse organisaties. Hier wordt dementievriendelijkheid vormgegeven vanuit ontmoeting en ondersteuning dicht bij huis. SWOVE organiseert laagdrempelige activiteiten, biedt informele ontmoetingsplekken en ondersteunt zowel mensen met dementie als hun mantelzorgers met advies en praktische hulp (zie de openingsfoto). Iedereen kan er binnenlopen met vragen of voor contact, waardoor drempels verdwijnen en mensen zich gezien voelen. Beide voorbeelden laten zien dat dementievriendelijkheid ontstaat in de wisselwerking tussen fysieke en sociale omgeving. Niet één maatregel maakt het verschil; het gaat om de combinatie van herkenbare plekken, toegankelijke ondersteuning en een gemeenschap die weet hoe zij kan handelen. Juist die samenhang maakt dat mensen met dementie zich onderdeel blijven voelen van hun buurt. |
Jeroen Dikken en Joost van Hoof zijn respectievelijk associate lector en lector bij het lectoraat Urban Ageing aan De Haagse Hogeschool.
Foto: Alzheimer Nederland
De vertaalslag van beleid naar praktijk wordt zichtbaar in buurten waar dementievriendelijkheid al concreet vorm krijgt. In