Inclusie in de sport is in de praktijk nog vaak een illusie

We vinden als samenleving dat iedereen moet kunnen sporten. Ook mensen met een beperking. De vraag is hoe? Aangepast? Of zoals de huidige beleidstendens voorschrijft: inclusief. Dat is sporten bij de sportclub om de hoek. Maar, hoe inclusief is dat, als je als rolstoelrijder mee moet doen met lopende volleyballers?

Het is een belangrijk streven in diverse sferen van onze Nederlandse maatschappij: inclusie. Naast inspanningen van bedrijven, onderwijsinstellingen en overheidsinstanties bleef de sport niet achter; het Nationaal Sport Akkoord Sport Verenigt Nederland werd in 2018 door ruim honderdvijftig partijen ondertekend. Eén van de zes ambities van het akkoord richt zich expliciet op het creëren van inclusie in de sport voor groepen in de samenleving die uitsluiting van sporten en bewegen ervaren. Zo sporten volgens het akkoord mensen met een beperking, mensen met een lage sociaal-economische status, mensen in armoedesituaties en mensen met een migratieachtergrond significant minder dan andere groepen in de samenleving. Om inclusie te realiseren in de sport zal Nederland een omslag moeten maken van aangepast sporten naar inclusief sporten en bewegen.

In het kader van sport- en beweegactiviteiten voor mensen met een beperking lijkt deze ambitie een paradox te bevatten: hoe goed kunnen sporters met een beperking deelnemen als de setting niet aangepast is aan de beperking en het individuele kunnen? Met andere woorden, zijn aangepaste vormen van sport niet cruciaal voor mensen met een beperking? Met deze vraag als uitgangspunt plaatst het onderzoek ‘Get Tethered- Blind Running as a Lived Experience of Sports Inclusion’ drie kritische noten bij de inclusie van sporters met een beperking in het sportbeleid.

Er bestaat een discrepantie tussen beleid en praktijk

Voor het creëren van een inclusieve sport- en beweegsector in Nederland stelt het beleid dat er een omslag moet worden gemaakt van aangepast sporten naar inclusief sporten. Als we deze ambitie ‘eng’ lezen, betekent dit het wegdrijven en uiteindelijk inruilen van aangepast sporten zodat een inclusieve sportsector ontstaat. Nu is het de vraag of we deze ambitie zo letterlijk moeten nemen.

Uit de dagelijkse praktijk van organisaties die sportinclusie voor mensen met een beperking pogen te bereiken, blijkt dat men helemaal niet streeft naar het inruilen van aangepaste sport. Sterker nog, aangepast sporten en bewegen worden dikwijls aangemoedigd zodat mensen met een beperking aansluiting kunnen vinden bij het sport- en beweegaanbod. Aangepast sporten en bewegen worden in de dagelijkse praktijk juist gezien als inclusie in de sport. Met andere woorden, er bestaat een discrepantie tussen het sportbeleid en de dagelijkse praktijk bij de realisatie van inclusie.

Reguliere sportsetting is ideaal en inclusief?

Als aangepast sporten en bewegen in de praktijk worden ingezet om inclusie in de sport te bereiken, wat maakt een inclusieve sportsetting anders dan een aangepaste sportsetting? Hoewel meningen hierover verschillen, lijkt er een gemeenschappelijk idee te bestaan: een sportsetting is inclusief als zowel sporters met als zonder beperking samen sporten in de bestaande, reguliere sportsetting. Dit betekent dat er bij ‘de sportvereniging om de hoek’ sportaanbod is voor zowel sporters met en zonder beperking. Met andere woorden, een inclusieve sportclub is een equivalent van een reguliere sportvereniging waar sporters met een beperking welkom worden geheten.

De basis van inclusieve sport is dus de reguliere sport die gebouwd is op structuren passend bij sporters zonder beperkingen. Het creëren van inclusie in de sport impliceert dan dat de reguliere sportsetting met de intrede van mensen met een beperking, ideaal en uiteindelijk inclusief is voor íedere sporter. Deze kijk op inclusieve sport presenteert een normatief beeld van sporten en bewegen waar sommige sporters niet per definitie in passen; een sporter met een beperking zal zich moeten aanpassen aan de structuren van de reguliere vereniging waar hij of zij zich reeds uitgesloten van voelt.

De inclusiegedachte in het sportbeleid is dus doordrenkt met normatieve ideeën over sport en sportstructuren, waarop men in het beleid niet reflecteert. Men zou zich moeten afvragen of de structuren van een reguliere sportsetting kunnen worden aanvaard als ideaal en universeel. Kan iedereen zich welkom voelen binnen de reguliere structuren of moeten die reeds buitensluitende structuren zelf drastisch worden aangepakt? Deze kritische reflectie op de inclusiegedachte en haar onderliggende veronderstellingen ontbreekt in het sportbeleid.

Alleen acties en afspraken zijn niet genoeg om zich veilig te voelen

Het sportbeleid formuleert de inclusiegedachte in acties en afspraken om inclusie in de sport te realiseren. Inclusie is dus bereikt wanneer de sportsetting dergelijke afspraken maakt en acties onderneemt. Toch moet men voorzichtig blijven met claims op inclusie.

Voelt een sporter met een beperking zich welkom, gewaardeerd en erkend als de vereniging haar deuren opent, maar de algehele, reguliere structuren van de club niet verandert? Betekent ‘inclusief-zijn’ hetzelfde als ‘inclusief-doen’? Dit ligt niet altijd in elkaars verlengde. Het verlagen van de bar; het weghalen van de drempel bij de deur of het verzorgen van sporthulpmiddelen vertaalt zich niet per definitie in gevoelens van inclusie. Dit vraagt naast het navolgen van het beleid om meer verdieping in elkaars ervaringen en interpretaties.

Voor meer begrip van in- en exclusie in de sport

Om de sport in Nederland inclusief te maken voor mensen met een beperking is een kritische reflectie op het eigen beleid en de eigen structuren van de sportsetting nodig. We moeten ons realiseren dat de deuren openen van de sportsetting zich niet per definitie vertaalt naar een omgeving waarin mensen zich veilig, gewaardeerd en erkend voelen. Alleen reflexief en kritisch zijn op de eigen vanzelfsprekendheden en het bekende kan leiden tot een beter begrip van de dagelijkse in- en exclusiepraktijken. En zo tot een sportomgeving waarin iedereen een leven lang plezier heeft aan sporten en bewegen.

Marit Hiemstra is cultureel antropoloog en docent aan het instituut Culturele Antropologie en Ontwikkelingssociologie van de Universiteit Leiden. Zij deed met haar masterscriptie ‘Get Tethered- Blind Running as a Lived Experience of Sports Inclusion’ (2021) in samenwerking met het Mulier Instituut onderzoek naar de notie van sportinclusie in de nationale en gemeentelijke sportakkoorden en de gevoelens van inclusie bij sporters met een visuele beperking. 

 

Foto: srgpicker (Flickr Creative Commons)

Dit artikel is 993 keer bekeken.

Reacties op dit artikel (3)

  1. Bij een symposium van Holland Dance, was er een mevrouw aanwezig liggend op een rolstoelbed. Haar opmerking was duidelijk. “Zolang mijn gezicht nog kan dansen, wil ik graag dansen. Aan jullie de opdracht om dat mogelijk te maken”. Holland Dance is de Danscompagny in Den Haag, die intensief bijdragen aan Inclusie Dans met het internationale project DanceAble. Lichamen die genieten van beweging, ademhalen met muziek geeft souplesse, elegantie, beweging en dans.

    We geven les om mensen met en zonder een beperking samen laten dansen. We steunen wereldwijd alle dansvormen, waar mensen met een beperking kunnen dansen. Dus om mee te doen, want dans is een toegankelijke bewegingsvorm. Er is geen volk of cultuur zonder ‘eigen’ dansvorm. DanceAble is daarbij een succes voorbeeld. Holland Dance verdient veel meer middelen en mogelijkheden om dans als bewegingsvorm aan te bieden aan iedereen. Vooral het huidige dansonderwijs, heeft dat als moderne opdracht. Studenten opleiden om hun lessen ook mogelijk te maken voor mensen met een beperking. Lets dance together!

  2. Ik ben het eens met het feit dat een kritische reflectie op het beleid en de structuren in de sportsetting. Maar de definitie van de term inclusie kan breder worden geïnterpreteerd. Voor mij betekent inclusie dat iedereen mee kan doen, naar eigen wensen en behoeften. En voor mensen met een beperking kan dat betekenen dat het sportaanbod wordt aangepast, maar ook dat ze sporten in een reguliere setting. De wens is voor ieder individu anders, en vraagt om een andere benadering.

  3. Heb enthousiast kennis genomen van de Sport integratie en de door de overheid aangereikte financiële middelen Het door het NOC*NSF stappenplan is prima hulp middel. Veel is echter aangegeven op uitvoerend vlak . Je ziet ook dat het bij een vereniging gelijk bij een vrijwilliger wordt neergelegd . Deze krijgt met recht alles op het bordje . Moet zelf maar de Sport akkoorden gaan lezen. Het Bestuur neemt geen enkele verantwoordelijkheid. De vrijwilliger kan helemaal niet bij de Nationale Bond terecht, want die zien het als taak voor de verenigingen.. Wat ik niet begrijp is dat het alleen naar de verenigingen gestuurd wordt. Het lijkt me in eerste aanleg een verantwoordelijkheid van de Nationale Bond. Die neem een apart Bestuurslid op in haar Bestuur en deze begeleid de verenigingen. De oude Bestuurscultuur bij de Bond moet worden omgezet in een modern bedrijfsmatig gestuurde Organisatie. Wellicht een taak van het NOC*NSF om vastgeroeste Bonden te stimuleren nieuwe activiteiten Bestuurlijk goed te implementeren

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *