Jeugdgevangenis wordt niet veel beter van nog meer wroeten ‘tussen de oren’ van jongeren

Jaap Nagtegaal zegt in een reactie op de Utrechtse lector Jo Hermanns dat de Justitiële Jeugdinrichtingen er steeds beter in slagen om jongeren te behandelen. Jo Hermanns repliceert: Nagtegaal baseert zich op onjuiste cijfers en vergelijkt groepen die niet met elkaar kunnen worden vergeleken.

 

Jongeren in Justitiële Jeugdinstellingen (JJI) worden steeds beter behandeld, althans dat suggereert Jaap Nagtegaal, projectleider en onderzoeker bij Justitiële Jeugdinrichting De Hunnerberg in een reactie op mijn artikel: Opsluiten is slecht, niets doen is beter, en begeleiden is best.

Nagtegaal onderbouwt zijn betoog door te wijzen op de afnemende recidive bij de groep die het langst en meest uitgebreid behandeld worden (de ‘PIJ-jongeren’). Bij hen zou je het best kunnen zien wat JJI’s allemaal kunnen, als ze maar de tijd krijgen. De recidive in die groep zou nu onder de 40 procent zou liggen.

Dalende trend is vooral kwestie van blijmoedigheid

Op Nagtegaals betoog valt wel een en ander af te dingen. Ten eerste klopt het door hem zonder bronvermelding genoemde recidivecijfer niet. Uit recente gegevens van het Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum van het ministerie van Veiligheid en Justitie (WODC) blijkt dat de algemene recidive van PIJ-jongeren sinds 2000 nauwelijks veranderd is. Ze varieert rond de 50 procent, een cijfer dat vergelijkbaar is met dat van de andere groepen in de JJI’s. Het recidivecijfer verschilt overigens sterk per jaar. De PIJ-uitstromers uit 2007 recidiveerden bijvoorbeeld extreem veel, 60 procent, terwijl de uitstromers in 2008 weer op het gemiddelde van de jaren daarvoor recidiveerden. Het is kortom wel erg optimistisch om van een dalende trend te spreken, gelet op de meerjaren-ontwikkeling.

Maar zelfs al zouden de positieve ontwikkelingen die Nagtegaal in de Justitiële Jeugdinrichtingen meent te kunnen signaleren inderdaad correct zijn, dan nog leveren ze minder bijdragen aan een betere ontwikkeling van de jongeren dan mogelijk is. Een recidivevermindering van 10 procent heeft maar een marginaal effect op de maatschappelijke veiligheid. En dat is nu precies wat ik probeerde duidelijk te maken. De echte oplossingen voor deze jongeren liggen namelijk niet in de JJI’s, maar erbuiten. De JJI’s zouden met hun jongeren de blik meer op ‘buiten’ moeten richten in plaats van alsmaar ‘tussen de oren’ van de jongeren te wroeten zoals een van hen het zo treffend beschreef.

Een vergelijking die helemaal niet kan

Een tweede, meer technisch, bezwaar betreft het door Nagtegaal gemaakte onderscheid tussen subgroepen: kortverblijvers versus langer verblijvende PIJ-jongeren. Dat kan in zo’n vergelijking helemaal niet. Dit wordt in het WODC-rapport over de PIJ-jongeren (Kemp, 2012) mooi verwoord: ‘Vergelijking tussen recidivecijfers van jongeren met een voorlopige hechtenis, jeugddetentie en PIJ-maatregel is slecht mogelijk. Deze groepen jongeren verschillen van elkaar ten aanzien van het soort delicten dat zij plegen, etniciteit, sekse, leeftijd en de problematiek die zij laten zien. Deze factoren zijn ook van invloed op de mate van recidive. Om de groepen werkelijk met elkaar te kunnen vergelijken, zal hiervoor gecorrigeerd moeten worden en zelfs dan is de vraag of de vergelijking rechtmatig is. Dit soort onderzoek is tot op heden nog niet uitgevoerd.’

Over cijfers kan altijd getwist worden, maar de interpretatie van de PIJ-recidivecijfers door Nagtegaal  is wel erg selectief.

Ik deed geen aanval op de Justitiële Jeugdinrichtingen

Nagtegaal ziet wel iets in de door mij voorgestelde wraparound-aanpak, maar brengt als bezwaar naar voren dat dit niet voor alle jongeren zou werken. Daarin krijgt hij van mij volledig gelijk. Er zullen altijd jongeren zijn zich voor alle hulp afsluiten. Dat laat onverlet dat goed onderbouwd kan worden dat de wraparound-aanpak voor de jongeren die wel ‘iets’ willen, veel betere recidivecijfers kan opleveren dan de huidige aanpak. De meeste jongeren zijn, zoals blijkt uit voorbeelden uit andere landen, op deze manier wel goed te helpen. Het is een wat merkwaardige redenering om een effectieve behandeling aan alle jongeren te onthouden omdat een klein deel van hen daar niet zou profiteren.

Het is jammer dat de reactie van Nagtegaal zo defensief is. Kennelijk is mijn tekst ervaren als een aanval op de JJI’s. Wie de tekst goed leest, zal het met hem oneens zijn. Ik deed suggesties om het werken in de Justitiële Jeugdinrichtingen te verbeteren. Niet om het af te breken.

Jo Hermanns was tot voor kort lector Werken in Justitieel Kader van Hogeschool Utrecht (HU)

Referentie:

Kempkes, M. (2012). Overzicht van onderzoek naar de PIJ-maatregel tussen 2006-2011 Den Haag: WODC.

 

 

Dit artikel is 968 keer bekeken.

Reacties op dit artikel (2)

  1. Behandelen in jeugdinrichting werkt

    Hierboven schrijft Hermanns opnieuw over de verbetering die volgens hem nodig is in de jeugdinrichtingen. Hij reageerde daarmee op mijn artikel over de gunstige ontwikkeling van de recidivecijfers bij de jongeren met een PIJ-maatregel.
    Meedenken over verbeteringen in de keten die gezamenlijk werkt aan recidivevermindering is welkom. Ik nodig Hermanns uit om mee te denken over de maatregelen en interventies voor de grote groep preventief gehechte jongeren die kort in de jeugdinrichting geplaatst wordt. Bij deze grote groep moet verbetering mogelijk zijn.

    Ernstige recidive of algemene recidive
    Hermanns laat in zijn eerste artikel weten dat meer dan de helft van de jongeren binnen twee jaar opnieuw een ernstig delict (ernstige recidive) pleegt. In zijn repliek gaat hij in op de wijze waarop ik de recidive cijfers presenteer. Hermanns verwijst in zijn repliek naar cijfers over de algemene recidive. Om de verwarring over cijfers weg te nemen, staan hier nogmaals de cijfers over algemene en ernstige recidive (WODC).

    Vertrokken PIJ-jongeren 2-jaars recidive
    algemeen ernstig
    % %
    2009 44,2 39,3
    2008 58,7 52,4
    2007 60,1 52,4

    Gem. van 01 t/m 06 54,5 49,2

    In 2009 zien we een verandering. Ik schijf deze positieve ontwikkeling toe aan de kwaliteitsverbeteringen in de behandeling. Onder andere is sinds 2007 ingezet op een zinvol behandelprogramma met dagelijks school of werk, erkende gedragsinterventies en intensivering van de nazorg voor de jongeren met een PIJ-maatregel.

    De algemene en ernstige recidive bij de grote groep preventief gehechte jongeren
    (zie onderstaande tabel) die jaarlijks de inrichtingen verlaat, is gemiddeld genomen hoger dan de jongeren die vertrekken met een PIJ-maatregel. Bij de groep preventief gehechte jongeren zien we de afgelopen jaren geen verandering.

    Vertrokken jongeren preventief 2-jaars recidive
    algemeen 2-jaars recidive
    ernstig
    % %
    2009 58,9 53
    2008 56,5 50,8
    2007 56,7 51,8

    Gem. van 01 t/m 06 56,7 52,1

    Inhoudelijke bezwaren van de vergelijking

    Natuurlijk kleven er inhoudelijke bezwaren aan de vergelijking tussen preventief gehechte jongeren en de jongeren met een PIJ-maatregel. Ik denk dat een vergelijking als het gaat om recidive cijfers echter zeer relevant is omdat bij beide groepen de risico’s op recidive worden ingeschat. Bij jongeren die een PIJ-maatregel opgelegd krijgen wordt juist een hoger risico op recidive verwacht. Behandeling als PIJ-maatregel wordt niet voor niets opgelegd

    Het is te verwachten dat er bij de groep preventief gehechten over het algemeen een lager risico op recidive is. Dit risico speelt een belangrijke rol bij de afwegingen van de rechter. Jongeren met een lager risico wordt jeugdreclasseringstoezicht en begeleiding opgelegd. Daarnaast kan een ambulante behandelinterventie worden verplicht.

    Kijkend naar de huidige recidivecijfers bij de twee zo verschillende groepen zijn opvallend. Ondanks de als lager ingeschatte risico’s, doet de groep preventief gehechte jongeren het minder goed dan de jongeren met een PIJ-maatregel.

    Kort verblijf

    Het is in mijn ogen vreemd dat Hermanns de recidive van de grootste groep jongeren, de kort verblijvende preventief gehechte jongeren, toeschrijft aan het werk in de jeugdinrichting. Deze jongeren vertrekken namelijk al snel uit de inrichting met een schorsing van de preventieve hechtenis. In de Hunnerberg in Nijmegen bleek de afgelopen jaren dat de helft van de preventief geplaatste jongeren korter dan 1 maand in de jeugdinrichting verblijft.

    Hermanns beweert dat het werken in de inrichtingen te weinig op de toekomst gericht is. Ik zie dagelijks hoe het werk in de jeugdinrichting gericht is op een betere en meer kansrijke toekomst buiten de inrichting. Een te snel vertrek werkt echter averechts. Tijd is bij enkelen nodig voor betere diagnostiek. Tijd kan ook helpen om de motivatie te vergroten voor passende vervolgtrajecten. Is er slechts beperkte of oppervlakkige motivatie voor het begeleidingsplan, dan leidt een snelle schorsing regelmatig tot nieuwe recidive.

    Verbetering is mogelijk

    In mijn eerste reactie op het artikel van Hermanns heb ik aangegeven dat juist bij de grote groep preventief gehechte jongeren veel winst te behalen is. In zijn artikelen richt Hermanns zich, in mijn ogen, te veel op verbetering van de kwaliteit van de werkwijze in de inrichting.
    Ik denk dat er meer winst te behalen is bij de inschatting van de risico’s bij preventief gehechte jongeren. Onderzoek naar de groep recidiverende jongeren die een korte preventieve hechtenis hebben gehad zou antwoord kunnen geven op de vraag waarom de begeleiding en het toezicht na een korte periode in de jeugdinrichting weinig effect lijkt te hebben.

    Omdat de recidivecijfers bij de groep preventief gehechte jongeren hoog zijn en omdat deze groep jaarlijks bestaat uit bijna 1500 jongeren, heeft 10 % recidivevermindering bij deze groep een groot effect. Het gaat bij de groep van 2009 bijvoorbeeld om 818 jongeren die binnen twee jaar opnieuw verdacht of veroordeeld zijn wegens een nieuw delict (algemene recidive). Het verminderen van de recidive in deze groep met 10% had concreet dus ruim 80 minder slachtoffers gegeven en een zelfde vermindering van het aantal rechtszaken opgeleverd.

    De verbeteringen van Hermanns zijn gericht op het werken in de jeugdinrichting.
    Het is in 2009 voor het eerst dat het cijfer van de PIJ-jongeren voor ernstige recidve onder de 40 % komt. Er is reden voor optimisme, omdat er veel verbeteringen zijn doorgevoerd die bijdragen aan dit resultaat.

    Ik nodig Hermanns graag uit aan tafel om mee te denken over mogelijk nieuwe verbeteringen. Wellicht kunnen we dan de begeleiding, tijdens en na een korte detentie van preventief gehechte jongeren, mede met zijn ideeën, verder verbeteren.

    Jaap Nagtegaal is projectleider & onderzoeker in JJI de Hunnerberg in Nijmegen.

Reageer

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *