Jeugdzorg: kabinet moet kiezen tussen grenswerk of schadeherstel

Het kabinet-Jetten wil de aanspraken op de jeugdzorg beperken en tegelijkertijd sturen op de effectiviteit ervan. Zonder robuuste lokale teams betekent dit volgens expert Friso van Doesburg dat jeugdzorg straks vooral te laat komt.

Dat de jeugdzorg geen duizenddingendoekje is, lees je steeds vaker in beleidsstukken. Ook professionals hebben er de mond vol van. Het nieuwe kabinet wil kennelijk niet achterblijven en schrijft dat de jeugdzorg te vaak wordt ingezet voor wat eigenlijk geen zorgproblemen zijn. Scheiding en schulden bijvoorbeeld horen volgens Jetten cum suis in het sociaal domein thuis. Echter, als we armoede, prestatiedruk, woningcrisis, schulden en gezinsstress niet effectief ondervangen in de wijkvoorzieningen en het onderwijs komt de rekening uiteindelijk bij de jeugdzorg terecht.

 Te laat en gefragmenteerd

Een tikkeltje verbaasd was ik dat de coalitie van D66, VVD en CDA van plan is juist daar grenzen te trekken. Een minder toegankelijke jeugdzorg gaat namelijk vooral ten koste van gezinnen die toch al kwetsbaar zijn. In de voortgangsrapportage Aanpak wachttijden staat een citaat van een ouder dat je niet meer loslaat: ‘Als we sneller hulp hadden gekregen, had er van alles voorkomen kunnen worden.’

Wachttijden zijn geen logistiek probleem, maar symptomatisch voor een stelsel dat vaak te laat en gefragmenteerd is, en weinig oog heeft voor de omgeving.

Het doel is dat alle gemeenten gaan werken met multidisciplinaire lokale teams die zelf hulp leveren

Robuuste lokale teams zijn bedacht als het vertrouwde gezicht dichtbij. Laagdrempelig, integraal, met mandaat om basishulp te bieden en specialistische expertise in te schakelen. Samen met ouders en jeugdigen moeten lokale teams bepalen wat nodig is en het netwerk activeren.

Vier obstakels

Het kabinet zet stevig in op deze lijn. Het doel is dat alle gemeenten gaan werken met multidisciplinaire lokale teams die zelf hulp leveren. Met behulp van een door de Verenigde Nederlandse Gemeenten (VNG) ontwikkeld Richtinggevend kader zijn meerdere gemeenten er al sinds 2024 mee aan de gang. Ze blijken telkens op vier obstakels te stuiten.

  • Toegang en vindbaarheid

Lokale teams zijn per gemeente anders georganiseerd, en daarmee verschilt ook hun toegankelijkheid. Het Richtinggevend Kader erkent dat de vorm per gemeente kan verschillen, maar vindt wel dat de kernfunctionaliteiten overal geborgd moeten zijn. Een overzichtsstudie van het Nederlands Jeugdinstituut (NJi) toont evenwel aan dat de toegankelijkheid van (passende) hulp lang niet overal even goed geregeld is. Ook is onduidelijk of alle burgers met opvoed- en opgroeivragen het wijkteam even gemakkelijk weten te vinden.

  • Versnippering en rolverwarring

Het NJi vat ook een ander, hardnekkig probleem scherp samen. Vraagverheldering, planvorming, doorverwijzing en hulpverlening lopen in veel teams dwars door elkaar heen, waardoor definities en prestaties van gemeenten slecht vergelijkbaar zijn. Dat is problematisch voor de vergelijking van data, en voor de sturing. Wie is wanneer verantwoordelijk, en wie blijft naast het gezin staan?

Meer verantwoordelijkheid zonder menskracht is geen hervorming, maar overbelasting

  • Professionele capaciteit en expertise

De Werkpakketten stevige lokale teams van de VNG benoemen expliciet dat de jeugdzorg onder financiële druk staat en te kampen heeft met krapte op de arbeidsmarkt. Dat wringt met de eis in het nationale Programma Toekomstscenario kind- en gezinsbescherming dat lokale teams intensiever betrokken worden bij gezinnen met onveiligheid en complexe problematiek. Meer verantwoordelijkheid zonder menskracht is geen hervorming, maar overbelasting.

  • Financiering en prikkels

In een technische briefing aan de Tweede Kamer over De stand van de jeugdzorg 2025 staat vermeld dat het aantal jeugdigen met jeugdzorg tussen 2015 en 2024 met 24 procent is toegenomen. In diezelfde periode stegen de kosten met 125 procent. Ruim 90 procent van de gemeenten besteedde meer aan de jeugdzorg dan begroot. Dat is de context waarin lokale teams moeten verankeren. De VNG pleitte in haar Richtinggevend kader voor een meer samenhangende, structurele en voorspelbare financiering.

Zorgen

Gelet op de voorgenomen koers van het kabinet, bestaan er drie grote zorgen over het wel en wee van de jeugdzorg.

Ten eerste wil het kabinet de lichte (opvoed)ondersteuning niet langer collectief organiseren en financieren. Verder wil het voortbouwen op de ontwikkeling van laagdrempelige basishulp in lokale teams en op de versterking van de sociaalpedagogische basis.

Snijden in lichte ondersteuning zonder expliciet alternatief betekent in praktijk meer druk op huisartsen, scholen en crisisketens, en meer instroom in zwaardere zorg.

Ten tweede wil het kabinet meer sturing op uitkomsten en alleen bewezen effectieve jeugdzorg vergoeden. Dat streven is verdedigbaar, vooropgesteld dat definities, gegevens en verantwoordelijkheden op orde zijn. Daar valt nu nog wel wat te verbeteren. De technische briefing van begin dit jaar eindigt niet voor niets met de oproep om te investeren in datakwaliteit. Ook maant het de regering om tempo te maken met het formuleren van heldere definities.

Problematisch is dat de vereiste samenwerking niet overal hetzelfde niveau heeft

Zolang we niet consistent meten wat lokale teams doen, schieten we met uitkomstensturing vooral gaten in de romp van de uitvoering.

Ten derde wordt het takenpakket van lokale teams uitgebreid met activiteiten rond veiligheid en het medisch domein, zonder harde garanties voor meer capaciteit en samenwerking. Ongeveer 40 procent van de toegang tot jeugdhulp loopt via de medische verwijsroute. Samenwerking tussen lokale teams, huisartsen en jeugdartsen is derhalve cruciaal. Problematisch is dat de vereiste samenwerking niet overal hetzelfde niveau heeft.

Vroeg of laat

In de technische briefing vinden de opstellers ervan – de Nederlandse Zorgautoriteit en de Jeugdautoriteit - dat het kabinet ervoor moet zorgen dat alle gemeenten over een stevig lokaal team kunnen beschikken. Een team met een minimumniveau aan pedagogische basisvoorzieningen, om al te grote lokale verschillen te voorkomen. Die ambitie kan alleen worden waargemaakt met structurele financiering, heldere opleidingsroutes, realistische caseloadnormen en vooral minder wisselende projectlogica.

Tot slot. Het kabinet zegt te willen samenwerken met medeoverheden op basis van duidelijke afspraken over taken en financiering van de jeugdzorg. Dat doe je niet door lichte ondersteuning weg te snijden, maar door robuuste lokale teams op te tuigen, met helder mandaat, voldoende menskracht en een sterke sociaalpedagogische fundering.

Het zojuist aangetreden kabinet-Jetten moet zich met andere woorden niet beperken tot de vraag wat wel of niet onder de jeugdzorg valt. Het moet ook nadenken over hoe het de samenleving zo kan organiseren dat jeugdzorg niet of nauwelijks nodig is. De keuze is met andere woorden: kiest het kabinet voor grenswerk aan de voorkant of herstel van schade aan de achterkant?

Friso van Doesburg is jeugdzorginsider en jeugdexpert. Hij is schrijver van het boek Grondhouding, een uitgave van S2uitgevers, waarvan het eerste exemplaar op 12 maart 2026 wordt overhandigd aan Ahmed Aboutaleb, voorzitter van Jeugdzorg Nederland

 

Foto: CMRF Crumlin (Flickr Creative Commons)

Dit artikel is 1185 keer bekeken.

Reacties 1

  1. Toerusting en uitvoerbaarheid lokale teams

    Het wetsvoorstel kent lokale teams een centrale rol toe bij de toegang tot en toeleiding naar jeugdhulp. Vanuit het perspectief van het voorkomen van kindermishandeling onderschrijven wij het belang van een herkenbaar en laagdrempelig aanspreekpunt voor jeugdigen en gezinnen. Tegelijkertijd constateren wij dat de huidige uitvoeringspraktijk nog niet overal voldoende is toegerust om deze verantwoordelijkheid zorgvuldig en veilig te dragen.

    1. Huidige toerusting

    In veel gemeenten functioneren reeds lokale teams onder de Jeugdwet. De kwaliteit, deskundigheid, mandatering en capaciteit van deze teams varieert echter aanzienlijk tussen gemeenten.

    De beoogde centrale positie in het wetsvoorstel betekent dat het lokale team in toenemende mate verantwoordelijk wordt voor:
    • triage en vraagverheldering
    • veiligheidsbeoordeling
    • besluitvorming over opschaling
    • regievoering in het vervolgtraject

    Deze combinatie maakt het lokale team feitelijk tot poortwachter van passende en tijdige hulp. Die rol kan alleen verantwoord worden uitgevoerd wanneer structureel aan randvoorwaarden wordt voldaan. Op dit moment is dat nog niet overal het geval.

    2. Gesignaleerde knelpunten

    a. Veiligheidsdeskundigheid
    Lokale teams zijn veelal generalistisch ingericht, terwijl beoordeling van (dreigende) kindermishandeling specialistische expertise vereist op het gebied van risicotaxatie en veiligheidsplanning. Onvoldoende expertise vergroot het risico op onderschatting van onveiligheid of te late opschaling.

    b. Normdruk door voorliggendheid van lichte hulp
    Het wettelijk vastleggen dat lichtere hulp voorliggend is, kan in de praktijk leiden tot terughoudendheid bij opschaling. Bij veiligheidsproblematiek kan hierdoor vertraging ontstaan terwijl snelle interventie noodzakelijk is.

    c. Capaciteit en caseload
    Een centrale toegang vergroot het aantal contacten en beoordelingen. Zonder passende caseloadnormen bestaat het risico dat vraagverheldering en veiligheidsanalyse onvoldoende diepgaand plaatsvinden.

    d. Rolverdeling in de keten
    De versterkte positie van lokale teams ten opzichte van andere verwijzers vraagt om heldere afspraken over regie, besluitvorming en verantwoordelijkheid, met name in relatie tot onderwijs, huisartsen en veiligheidsketenpartners.

    e. Toetsbaarheid en kwaliteitsborging
    Wanneer lokale teams beslissend worden in opschaling, moet hun handelen aantoonbaar voldoen aan de norm van verantwoorde hulp. Hiervoor ontbreken nog vaak uniforme kwaliteitskaders, structurele supervisie en eenduidige escalatiecriteria.

    3. Noodzakelijke randvoorwaarden

    Om de taken zorgvuldig en uitvoerbaar te laten zijn, achten wij de volgende randvoorwaarden noodzakelijk:
    1. Minimumnormen voor deskundigheid
    Structureel beschikbare expertise op het gebied van kindermishandeling, huiselijk geweld, psychiatrie, LVB en juridische kaders.
    2. Heldere veiligheidsroute
    Expliciete criteria voor opschaling waarbij veiligheid altijd prevaleert boven het uitgangspunt van lichte hulp.
    3. Beheersbare caseload en tijd voor onderzoek
    Professionals moeten voldoende tijd hebben voor kindgesprekken, netwerkverkenning en monitoring.
    4. Eenduidige regionale samenwerkingsafspraken
    Heldere regieverdeling met onderwijs, medische verwijzers en veiligheidsketen.
    5. Structurele kwaliteitsborging
    Verplichte intervisie, supervisie, periodieke toetsing en leren van incidenten.
    6. Beschikbaarheid van vervolghulp
    Toegang zonder beschikbare passende hulp leidt tot wachttijd in plaats van ondersteuning en vergroot risico’s voor kinderen.

    4. Passendheid vanuit het perspectief van preventie van kindermishandeling

    Het wetsvoorstel beoogt passende en tijdige hulp. Vanuit het perspectief van het voorkomen van kindermishandeling is tijdigheid cruciaal. Vertraging in herkenning of opschaling vergroot aantoonbaar het risico op voortduring of verergering van onveiligheid.

    Daarom is het essentieel dat de versterking van lokale teams niet alleen organisatorisch wordt vormgegeven, maar ook inhoudelijk wordt geborgd. Een systeem waarin lichte hulp structureel voorliggend is zonder expliciete veiligheidswaarborgen kan leiden tot uitstel van noodzakelijke bescherming.

    Een wettelijk verankerde centrale toegang kan bijdragen aan vroegsignalering, mits tegelijkertijd wordt geborgd dat:
    • veiligheid leidend blijft in besluitvorming
    • specialistische expertise direct beschikbaar is
    • opschaling niet afhankelijk wordt van lokale organisatorische of financiële overwegingen

Reageer

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *