Koers van decentralisaties wijzigen kost veel moeite

Het jaarboek bij het Tijdschrift voor Sociale Vraagstukken biedt het broodnodige tegenwicht aan de rooskleurige verhalen over zelfredzaamheid. Tegelijkertijd onderschatten de onderzoekers de professionele mogelijkheden om tegen de trend in te gaan, betoogt Peter de Visser, directeur van Incluzio. Hij is tegen een register voor professionals, dat gaat ten koste van hun discretionaire ruimte.

Het jaarboek bij het tijdschrift voor sociale vraagstukken biedt een duidelijk beeld van wat de verschuiving van bevoegdheden van Rijk naar gemeente de facto teweeg heeft gebracht. De onderzoekers merken terecht op dat zelfredzaamheid een hype is geworden.

Dat ben ik met de onderzoekers eens, maar tegelijkertijd vind ik dat zij de onderliggende potentie onderschatten van een beweging die ook duidelijk zichtbaar is om de autonomie van mensen zoveel mogelijk intact te laten en die ingaat tegen de neiging van gemeenten en professionals om zorg vooral hier en nu te leveren.

Zelfredzaamheid is aan inflatie onderhevig

Het te pas en onpas gebruiken van het begrip zelfredzaamheid leidt ertoe dat het aan betekenis inboet. Op ironische wijze tonen de onderzoekers aan dat iemand die om hulp vraagt, net zo zelfredzaam is als degene die niet of nooit gaat.

Hoe voorkom je de inflatie van het begrip, oftewel hoe kan zelfredzaamheid in de praktijk meer inhouden dan een lege huls? Dat doe je níet door de professional met een verkeerde opdracht het veld in te sturen. Of door hem vanuit een bij vele gemeenten kennelijk onbedwingbare drang tot controle af te leiden van zijn kerntaak.

De professional moet geen deel uitmaken van een controlesysteem, maar aandacht schenken aan de mens tegenover hem en met hem een goed en open gesprek voeren. De professional moet met andere woorden in de positie zijn dat hij kan aansluiten bij het leven van de mensen tegenover hem.

Dat wordt problematisch als de professional van de gemeente de opdracht mee krijgt aan zelfredzaamheid te werken. Een opdracht die de professional in gewetensnood brengt. Moet hij doen wat mag of wat nodig is?

Doet hij het eerste, is hij dan nog wel in de positie om aan te sluiten bij het leven van de mens die tegenover hem zit? Het dilemma wordt door de onderzoekers goed neergezet, voor zover het de situatie in de door hen onderzochte gemeenten betreft. Maar welke algemene conclusies mag je daaruit trekken?

Spanning tussen logica’s verdwijnt nooit

Ik ken tal van plaatsen waar de situatie anders is dan die in de onderzochte gemeenten. In Utrecht bijvoorbeeld gaat Incluzio - als uitvoerder van het gemeentelijk beleid - altijd met cliënten in gesprek om te kijken wat er aan de hand is. Of wij wel degene zijn die hen de beste oplossing kunnen bieden, en proberen we te achterhalen wat de achterliggende vraag is, dat is tenslotte de essentie van de Wmo.

Het grote verschil met de in het jaarboek onderzochte gemeenten (Amsterdam, Eindhoven, Leeuwarden, Rotterdam, Sittard-Geleen en Zwolle) is dat de professionals in Utrecht geen uren registreren, niet werken vanuit ingewikkelde arrangementen of indicaties maar vanuit een plan dat samen met de klant wordt opgesteld. Er wordt ook niet afgerekend per klant. De gemeente stelt financiering beschikbaar voor de hele populatie. Daardoor is niet de financiering leidend in de inspanning die geleverd wordt, maar dat wat nodig is in die specifieke situatie op dat moment.

Er zal altijd spanning blijven bestaan tussen de logica van een overheid die de haar politiek toebedeelde taken naar behoren, gecontroleerd, wil uitvoeren en de logica van een burger die geholpen en ondersteund wil worden in zijn deelname aan de samenleving. Ik heb de indruk dat de onderzoekers aan de onvermijdelijkheid van die spanning iets te gemakkelijk voorbijgaan.

Professionele ruimte en verplichte registratie

Ronduit tegenstrijdig is het pleidooi van de onderzoekers om professionals in het sociaal domein te registreren. Met registratie, zoals die in de gezondheidszorg en ook in de jeugdzorg gangbaar is - het BIG-register - creëer je in feite een generiek kader voor sociaal professionals. Als een professional eenmaal is geregistreerd dan kan hij worden verplicht om jaarlijks een training te volgen en daarmee zou dan de professionele kwaliteit zijn gewaarborgd.

Dat is een naïeve gedachte, want of mensen nu geregistreerd staan, of ze braaf elk jaar een opleiding volgen en of ze aan welke andere bureaucratische criteria dan ook voldoen, dan nog weet je niet hoe ze in de praktijk functioneren. Door heel precies te beschrijven wat een professional moet doen om in het register te komen en te blijven en dat vervolgens voor heel Nederland van toepassing te verklaren, ga je bovendien voorbij aan de grote verscheidenheid aan professionals en lokale oplossingen die er zijn.

De focus komt neer op het voldoen aan de criteria van het register en niet op de individuele ontwikkeling van de professional binnen zijn opdracht. Beter zou het zijn om ook hier ruimte te bieden en lokaal op onderzoek uit te gaan bij de uitvoerders. Hoe is reflectie geregeld, hoe selecteren jullie je professionals, hoe leren professionals in de praktijk en is dat geborgd?

Het pleidooi voor een register is niet consistent met de vraag van de onderzoekers om professionals meer ruimte te geven. Met dat laatste ben ik het van harte eens, niet met die controle van bovenaf.

Waar ik ook jeuk van krijg

Samenvattend, het jaarboek vormt een broodnodige tegenhanger voor al die positieve verhalen over zelfredzaamheid, waar ook ik jeuk van krijg. Om die ‘gouwe ouwe’ metafoor maar weer eens van stal te halen: decentralisatie is als een varende tanker, waarvan we de koers willen wijzigen.

De kracht van het jaarboek is dat het ons erop wijst dat het manoeuvreren van een tanker moeite kost en dat gaandeweg verdere bijstelling nodig kan zijn.

Peter de Visser is algemeen directeur van Incluzio, een bedrijf actief in zorg, dienstverlening en sociaal domein.

Foto: kees torn (Flickr Creative Commons)