Nieuwe ontmoetingsplekken zijn van gemeente, niet van de burger

Er is een nieuwe generatie ontmoetingsplekken aan het ontstaan die Huizen van de Wijk worden genoemd en die ‘nieuw welzijn proof’ zijn. Wat is hier zo nieuw aan? Gemeenten en welzijnsorganisaties zijn veelal initiator en sociale professionals moeten er nog altijd de boel bij elkaar houden.

De sociaalfysieke infrastructuur is de laatste jaren in veel gemeenten flink op de schop gegaan. Sinds een jaar of vijf zijn in het kader van bezuinigingen honderden ‘klassieke’ buurthuizen, wijkbibliotheken en andere wijk- en buurtcentra gesloten, veelal onder het mom van: ‘we willen in activiteiten investeren, niet meer in stenen’. Subsidiekranen zijn dichtgedraaid, maatschappelijk vastgoed afgestoten, spelregels herzien en de tijd van ‘u vraagt wij draaien’ is voorbij. Het moet vanuit de wijk, ‘van onderop’, en het liefst zelfgeorganiseerd.

De nieuwe generatie ontmoetingsplekken komt van de gemeenten

Toch komen er recentelijk weer nieuwe ontmoetingsplekken die de uitgangspunten van het nieuwe welzijn fysiek faciliteren. Dikwijls in een bestaand gebouw, maar met een nieuw verhaal. Gemeenten blijven op uiteenlopende wijze sleutelen aan de (nog) bestaande infrastructuur. Deze beleidsimpulsen leggen een paradox bloot: enerzijds pleit het nieuwe elan voor ‘van onderop’, ‘burgerkracht’ en ‘de burger aan zet’, anderzijds worden wel degelijk ‘van boven’ nieuwe strategieën ontwikkeld en nieuwe spelregels en kaders gesteld. We zien dit de laatste jaren in veel gemeenten gebeuren.

Soms gaat het om nieuwe plekken, soms is het een revitalisatie van een voormalig buurthuis of buurtcentrum. En ook in bestaande instellingen, zoals verzorgingshuizen en sportverenigingen, wordt ruimte gemaakt voor ontmoetingen en huiskamerprojecten en krijgen deze plekken zodoende nieuwe maatschappelijke functies. Het karakter en de doelstellingen van de nieuwe generatie ontmoetingsplekken past binnen het nieuwe welzijnsdiscours. Dat wil zeggen dat onder aanvoering van begrippen als zelfredzaamheid, participatie en eigen kracht veel aandacht uitgaat naar het meedoen, zelf doen, zelf organiseren en zelf beheren. Maar, zijn deze nieuwe plekken nou echt van de bewoners of worden ze, gezien alle subsidiestromen en prestatieafspraken, toch geregeerd van bovenaf?

Realiteit is dat de nieuwe concepten voor een nieuwe generatie ontmoetingsplekken zijn ontaard in beleidsopgaven, geïnitieerd door zowel gemeenten zelf als door wooncorporaties en zorg- en welzijnspartijen. De Huizen van de Wijk in Amsterdam Nieuw-West zijn hiervan een goed voorbeeld; sinds 2012 zijn er voor negen wijken zeven sociaalfysieke ‘knooppunten’ ontstaan onder beheer van vier exploitanten, namelijk een typische welzijnsorganisatie, een bewonersorganisatie, een kinderopvangorganisatie en een sociale onderneming. In Rotterdam zullen er onder het Nieuw Rotterdams Welzijn per 1 januari 2016 maar liefst 48 (!) Huizen van de Wijk zijn.

Worstelen met dezelfde dilemma’s als de klassieke buurthuizen

Uit onderzoek van de Wmo-werkplaats Rotterdam blijkt dat zich in de nieuwe ontmoetingsplekken dezelfde dilemma’s en opgaven voordoen als in de klassieke buurthuizen: komt er wel een afspiegeling van de wijk en moet dat überhaupt worden nagestreefd? Hoe zorg je dat iedereen zich welkom voelt? Hoe ‘faciliteer’ je diversiteit; hoe zorg je dat iedereen naar binnen wil komen en zich thuis voelt? Moet, met het oog op prestatiedoelen en targets, iedere bewoner ‘iets doen’ op deze ontmoetingsplek?

De huidige Amsterdamse Huizen van de Wijk worstelen elk in verschillende mate met deze vraagstukken en ze slagen er met wisselend succes in om de huizen echt ‘van de wijk’ te laten zijn. Iedere wijk is sociaal-demografisch compleet anders en iedere aanbieder heeft weer zijn eigen visie. Ook het beleid en bestuur zijn vaak zoekende. En de verantwoording blijft een heikel punt, zeker ook omdat alle Huizen onderling zo verschillend zijn. Hoe meet je eigenlijk alle maatschappelijke inzet? Hoe weet je wat werkt? En hoe bewijs je dit?

Wat al deze verschillende nieuwe plekken gemeen hebben is de onmisbaarheid van de sociale professional. Uit onderzoek blijkt dat hij of zij nog steeds nodig is voor verbindende en procesmatige ondersteuning, het aanboren van financiële bronnen én voor het behoud van het publieke karakter van ontmoetingsplekken. Zeker nu met de wijzigingen van de AWBZ naar de Wmo het publiek op ontmoetingsplekken nog diverser wordt.

‘Parels’ van zelfbeheer zijn verworden tot bedevaartsoorden
Naast deze nieuwe generatie ontmoetingsplekken nemen bewoners in toenemende mate, met zeer wisselend succes overigens, het beheer over van een buurthuis of van een andere ontmoetingsplek. Gemeenten formuleren ook steeds vaker actief beleid ter ondersteuning en facilitering van zelfbeheerinitiatieven. Bekende ‘parels’ als buurtcentrum de Meevaart en de Noorderparkkamer in Amsterdam, De Nieuwe Jutter in Utrecht en de Leeszaal West in Rotterdam zijn verworden tot bedevaartsoorden voor politiek en beleidsmakers in de stad. Onbetwistbaar bijzondere plekken, maar er gebeurt zoveel meer in de stad. Juist nu veel beleidsaandacht gaat naar voorbeeldprojecten en subsidiestromen naar de ontmoetingsplekken die ‘nieuw welzijn proof’ zijn, is het voor gemeenten, welzijnspartijen en sociale wijkteams des te belangrijker om ook de bestaande kleinschalige, buurtgerichte plekken in de gaten te houden.

Vergeet de bestaande, kleinschalige ontmoetingsplekken niet

Want wie goed kijkt, ontdekt in iedere stad en dorp een al bestaande sociaalfysieke infrastructuur van de meest uiteenlopende ontmoetingsplekken: inloophuizen voor bepaalde groepen, zoals patiënten, daklozen of ouderen, sportkantines, diaconale projecten, buurtcafés, wijksteunpunten en buitenruimten als pleinen, wijktuinen en speeltuintjes. Het idee van een ‘huiskamer’ past, als metafoor, bij deze plekken om de hoek. Deze infrastructuur van fijnmazige, informele plekken en netwerken is voor bewoners van grote betekenis. De 'huiskamers' fungeren dikwijls als een tweede thuis en zijn, juist door hun kleinschaligheid en nabijheid, bij uitstek plekken waar publieke vertrouwdheid kan ontstaan. Dat ligt toch gecompliceerder wanneer op wijkniveau vanuit één fysieke locatie bewoners, zelforganisaties en een veelheid aan maatschappelijke functies worden gebundeld. Het vergroten van de eigen zichtbaarheid en het vormen van ‘netwerken van huiskamers’ kunnen een passend antwoord zijn op het nieuwe beleid.

David ter Avest is als onderzoeker van het lectoraat Dynamiek van de Stad van de Hogeschool InHolland verbonden aan de Wmo-werkplaats Rotterdam. Dit artikel is gebaseerd op het onderzoeksrapport ‘Betekenisvolle ontmoetingsplekken. Nieuwe strategieën en hernieuwde tactieken’, Wmo-werkplaats Rotterdam, 2015.

Foto: Frank Louwers (Flickr Creative Commons)