Ook in moderne tijden hebben we behoefte aan leiderschap

We willen allemaal meer vrijheid voor, en gelijkwaardigheid van, het individu, maar ondertussen zoeken we ook naar leiding en ankerpunten. Het zoeken naar leiderschap is de last van de individualisering en modernisering.

Vrijwel niemand is tegen ‘emancipatie’, het bevrijden van individuen uit verstikkende verbanden. Bijna de gehele politiek pleit dan ook vóór modernisering voor minder dwingende arbeidsverhoudingen, minder dwingende gezinsverhoudingen, minder dwingende grenzen van het land en andere bevrijdingen uit de ketenen van het oude, en verstikkende. De school en het werk als keuze, het huwelijk als keuze, religie als keuze en uiteindelijk ook: loyaliteit als keuze. Lang leve de individualisering! Maar de ‘lichte gemeenschappen’ die je daardoor krijgt, hebben een prijs. Want wanneer het om de onbedoelde en vaak negatieve effecten van deze modernisering gaat, dan vraagt de politiek juist om nieuwe ordening, om herkenbaarheid die al te vrije individuen weer een thuis moet bieden.

De last van de modernisering

Het schuurt; roepen dat vrijheid het hoogste goed is en ondertussen kaders willen scheppen om het gevreesde gebrek aan binding een beetje overzichtelijk te houden. Dat wordt bijvoorbeeld zichtbaar in pleidooien voor burgerschap. In lichte gemeenschappen leer je in de dagelijkse praktijk wat goed burgerschap is; thuis of op straat of op school of in de vereniging oefenen mensen zich in idealen articuleren, meningsverschillen oplossen, vergaderen. Maar dat goede burgerschap wordt op het nationale niveau getoetst: je hoeft niet helemaal te weten hoe je vergadert of hoe je geld inzamelt voor een goed doel, maar je moet wel weten wie een vinger in de dijk stak en wie Willem van Oranje was om een goed Nederlands burger te zijn en het inburgerexamen te halen. Dat wringt met de logica van de lichte gemeenschappen.

Het zoeken naar kaders in een wereld waar vrijheid de norm is, dat is de last van de modernisering. Pleidooien voor ‘meer leiderschap’ laten zich tegen deze achtergrond goed begrijpen, het zijn meestal pogingen om degenen die niet met vrijheid heten overweg te kunnen tot de orde te roepen. Het land, de politiek, de stad, een bedrijf heeft behoefte aan ‘meer leiderschap’, omdat er bepaalde cruciale vernieuwingen nodig zijn waarvoor de doorgeslagen individualisten die wij nu eenmaal zijn niet spontaan offers willen brengen.

Leiderschap krijgt meer aandacht naarmate ideologie er minder toe doet

Leiderschap is één van de oplossingen voor sturingsvraagstukken, een onderdeel van een repertoire voor politici, bestuurders en managers. Als deel van het politieke repertoire krijgt leiderschap de laatste tijd meer aandacht naarmate oude, ideologische kaders er minder toe doen. We leven in een mediacultuur, niet in een partijcultuur en geïndividualiseerde kiezers stappen makkelijker over tussen partijen, laten zich minder gelegen liggen aan partijprogramma’s en des te meer aan aansprekende voormannen- en vrouwen. Excuus: vergeet dat -vrouwen, het zijn alleen mannen die in Nederland de dienst uitmaken waar het om leiderschap van politieke partijen gaat. Heteromannen ook, al die lijsttrekkers. En behoorlijk wit ook, nu we het er toch over hebben. En academisch geschoold. En in een ‘Ogert’ pak, met zo’n das expliciet zónder die dikke knoop van Fortuyn. Leg een groepsfoto van alle Nederlandse politieke leiders van vandaag voor aan kinderen uit de Sovjet-Unie en zeg dan nog eens dat ‘ons systeem’ vrijheid produceert.

Achter dit retorische punt schuilt een wezenlijk probleem. Lichte gemeenschappen, gekozen verbanden, gaan niet spontaan samen met democratie. Sterker, democratie lijdt onder keuzevrijheid: mensen gaan verschillen en meningsverschillen nou eenmaal liever uit de weg, en als het even kan lossen ze het conflict liever op via het recht van de sterkste. Individuele vrijheid en politieke verwaarlozing vertonen samenhang: met mij gaat het goed, met de samenleving slecht is de platgetreden samenvatting van die maatschappelijke toestand. Het is de constatering dat er een mismatch bestaat tussen het eigen leven en het collectief, tussen persoonlijk optimisme en sociaal wantrouwen, tussen private opulence and public squalor zoals het ten tijde van Galbraith & Den Uyl heette, toen deze kloof nog in sociaaleconomische termen werd geduid.

Nu lijdt democratie altijd onder de samenleving die voor haar gekozen heeft, dus we moeten er niet apocalyptisch over redeneren. Maar voor alle Nederlandse politieke partijen geldt dat de laatste decennia de interne democratie eerder af- dan toenam. Leiderschap wordt meer en meer gemaakt door een kleine kliek rond de leider. De media stribbelen mee met de lusten en het lijden van de leider, door hem te koesteren wanneer hij probeert de baas te worden, hem te gedogen zolang hij geen fouten maakt en hem neer te sabelen wanneer hij wel fouten maakt. Partijen zelf hebben er zelden veel mee van doen wie de baas wordt, ze mogen in een referendum of tijdens een congres het beeld bevestigen dat in de media en door een kleine club mensen rond de nieuwe leider geschapen is. Het verschil met ‘vroeger’ moet overigens niet te zwaar worden aangezet: Drees noch Kok dacht bij moeilijke beslissingen: tijd voor een belrondje onder de leden. Maar de context is wel een andere; we veronderstellen nu veel geëmancipeerder te zijn dan we onder Drees waren.

Uit sociale bevrijding volgt democratische verwaarlozing

Zie daar hoe de modernisering botst op zijn eigen grenzen. Uit de sociale bevrijding volgt democratische verwaarlozing. Ontideologisering kan misschien betekenen dat ‘arbeid’ en ‘kapitaal’ en ‘kerk’ niet meer de criteria zijn om politiek langs te ordenen, maar het onderhoud van de democratie vergt wel strijd, geen gebabbel. Maar hoe dat te doen? Sturing door anderen dan onszelf vinden we dus slecht, maar als iemand toch af en toe de baas moet zijn, wie onderhoudt dan de structuren waarin we die bazen kiezen? Het is naïef om te veronderstellen dat partijen ooit weer echt gaan leven, de verworven vrijheid biedt ons aardiger én zinvoller tijdsbesteding dan een bezoek aan een partijcongres.

In feite hebben leiders in de politiek in toenemende mate twee mogelijkheden. De ene mogelijkheid is zich te onderscheiden in de media en in oppositie van de zittende macht door ‘anders’ te zijn, waarbij het niet veel uitmaakt ‘hoe’ anders. Het uitgangspunt is dan dat een groot deel van de kiezers áltijd ontevreden is over het beheer van het publieke domein en dus als vanzelf zal neigen naar een alternatief voor de regering. Dit is de kaart waarmee D66 zich de afgelopen maanden behoorlijk in de kijker heeft weten te spelen. Zeg: D66 en de kiezer zegt: onderwijs. Maar vraag de kiezer niet: D66 en wát voor onderwijs, want hij zal zwijgen. En mocht D66 aan de macht raken, dan keren de kansen fluks, want regeren is bloeden in het Nederlandse landschap bezaaid met gefnuikte middenpartijen.

De andere mogelijkheid is het probleem van de democratische verwaarlozing die volgt uit de sociale bevrijding serieuzer nemen. De claim om democratie te verspreiden, moet opnieuw gelegd worden. Patriarchale voorlieden ‘(verzuiling’) en klassenverschillen (‘arm en rijk’) zijn succesvol bestreden. Daarmee lijkt de weg vrij om een ander pad dan dat van je ouders in te slaan, om een eigen weg te vinden. Maar is daarmee de bevrijding gerealiseerd? Nou nee. Want, om maar eens een voorbeeld te noemen, wanneer overheid, werkgevers en al dan niet commerciële dienstverleners niet alleen weten welke dingen je graag koopt en hoe je je vrije tijd doorbrengt, maar ook weten hoe lang je hoogstwaarschijnlijk gezond blijft, ligt je bestemming plotseling niet meer in eigen hand of dat van het noodlot, maar in handen van de mensen die je een baan geven of onthouden, die je een verzekering geven of onthouden, die er op aandringen dat je je levensgewoonten wijzigt. Nieuwe heren, nieuwe onderdanen; niet meer op basis van geboorte of geloof, maar op basis van kennis.

Door big data staat het opnieuw vast waar je ongeveer uitkomt met je leven, net als ruim een eeuw geleden. En het lijkt kiezers misschien niet veel uit te maken. Onder condities van lichte gemeenschappen komt veel sociaal goeds tot stand, maar verwacht van burgers die zichzelf als bevrijd beschouwen geen spontante maatschappijkritiek. Dat die kritiek niet uit de verf komt, komt vooral omdat de hedendaagse politiek amper bij machte is iets te zeggen over de nieuwe breuklijnen in de maatschappij; men is te druk met oude ideologische tegenstellingen of strijd om beelden in de media. Maar het is een kleine stap van het hedendaags individualisme naar een nieuwe dictator, zoals Facebook of een overheid die zich weinig meer aan hoeft te trekken van haar tevreden onderdanen. Berusting kan toch niet de bedoeling zijn? Het vergt opnieuw nadenken over machtsverhoudingen, tussen staat en burger, tussen werkgever en werknemer. Energie en inspiratie om deze 21e eeuwse emancipatie te organiseren, dat is pas voer voor politiek leiderschap.

Menno Hurenkamp is politicoloog en journalist. Hij is hoofdredacteur van S&D, het maandblad van de Wiardi Beckman Stichting, het wetenschappelijke bureau van de PvdA. Dit artikel is ook, integraal, gepubliceerd in IDEE, het politiek wetenschappelijk tijdschrift van D66.

Reacties op dit artikel (1)

  1. Arnold Cornelis beschrijft in ‘Logica van het gevoel’ de drie stappen die de menselijke ontwikkeling tot nu toe kent.
    Eerst kende de mens alleen het ‘natuurlijk systeem’: Significante anderen binnen het gezin, familie, buurt.
    Later kwam daarbij het ‘sociaal regelsysteem’ bij. Significante instellingen die problemen aanpakten waarvoor het ‘natuurlijk systeem’ te klein was: Kerk, gemeente, school, leger, zorgverzekering, politiek.
    Als laatste stap kwam daar de zelfsturende mens. Tussen de andere significante anderen dient deze z’n eigen significante weg te vinden.
    Cornelis stapelt deze systemen in de tijd op elkaar.
    Je kunt ze ook naast elkaar leggen.
    En dan zie je een significante kwantitatieve en kwalitatieve verandering.
    Allereerst is er de constatering dat ieder systeem zijn eigen logica (van het gevoel) kent. En dat je niet zomaar de logica of regels van het ene systeem in het andere systeem kunt toepassen. Want dat geeft (mogelijk) perverse effecten. Daar moet je dus goed voor oppassen.
    De tweede constatering is dat met de komst van ‘de zelfsturende mens’ het aantal relaties tussen al deze systemen toenam van 2 naar 6.
    Anders gezegd: Goed sturen werd minstens drie keer zo moeilijk !
    En de kans op perversiteiten dito zo groot.
    Het is precies dit effect wat niet wordt onderkend.
    En is naar mijn mening de motor is van veel (terechte !)maatschappelijke ontevredenheid.
    Zelfsturende burgers hebben dus significante en evidente redenen om wantrouwend te zijn richting vertegenwoordigers het ‘sociaal regelsysteem’. Leiders of niet.
    Maar wat daar onder aan logica ligt snappen ze zelf niet.
    Net zoals de uitvoerders van het ‘sociaal regelsysteem’.
    Want die houden zich aan de regels.
    En dan gaan de dingen toch goed ?
    Nee, vaak niet dus !
    Zolang (regelsysteem) leiders dit niet snappen blijft het behelpen.
    En moet je je eigen weg wel zoeken.
    (Of je gaat PerVVers stemmen.)

Reageer

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *