Participatiesamenleving vraagt om bescheiden bestuur

De tendens naar meer lokale samenwerking is wellicht een beweging naar een ‘participatiesamenleving’. Maar dan niet zoals het kabinet deze voor ogen heeft: van bovenaf opgelegd, met het doel te bezuinigen. Wel als het gaat om ‘sociale ambachtelijkheid’ en bescheiden bestuur.

De institutionele inrichting van de verzorgingsstaat heeft de afgelopen decennia ingrijpende veranderingen ondergaan. Publieke instellingen - zorg, zekerheid, wonen, onderwijs - zijn verzelfstandigd en in een marktcontext geplaatst. Gemeenten kregen nieuwe verantwoordelijkheden toebedeeld, eerst op terreinen als bijstand en maatschappelijke ondersteuning en binnenkort ook ten aanzien van jeugdzorg, langdurige zorg en arbeid voor mensen met beperkingen (de Participatiewet).

Gaandeweg ontwikkelt zich uit deze institutionele herzieningen een nieuw speelveld van actoren, dat zich in wisselende constellaties bezighoudt met het maken en uitvoeren van lokaal sociaal beleid. Dit speelveld wordt aan de ene kant overschaduwd door ‘gulzig bestuur’ dat krampachtig zoekt naar nieuwe methodieken om de greep op de sociale werkelijkheid te herstellen.1 Door zich steeds indringerder te bemoeien met de leefwereld van de burgers achter de voordeur, in de wijken, op de arbeidsmarkt en in hun vrije tijd. Dit alles met het doel om ons land hernieuwd op te stuwen in de economische vaart der volkeren. Het is de participatiesamenleving die het kabinet voor ogen lijkt te hebben.

We zien echter aan de andere kant ook ook de ontwikkeling van initiatieven die zich juist geheel van de knellende banden van de oude institutionele kaders willen bevrijden, zoals ‘vrijwillige associaties’ in de zorg; veelal kleinschalige maar soms ook rap uitdijende sociale verbanden van (oudere) burgers die hun eigen zorg beogen te regelen.2

Lokale praktijken worden kortom ofwel ondergeschikt gemaakt aan een nationaal streven naar lijfsbehoud, ofwel gedwongen tot een radicale exit-optie. Economisch nationalisme versus bangig cultureel lokalisme. De vraag is nu of hier iets tussen ligt, en of zo’n ‘derde weg’ wijst op de mogelijkheid van een meer bescheiden bestuur.

Liever bescheiden dan gulzig bestuur

Inderdaad, we zien nieuwe praktijken: pogingen om nieuwe bruggen te slaan tussen nationale instituties en lokale sociale initiatieven. In mijn optiek is dit een teken van betekenisvolle verandering, die op een soort van emerging governance wijst: bestuur dat niet van bovenaf is gearrangeerd maar ontstaat vanuit de praktijk van samenwerking. Of om met Richard Sennett te spreken: van crafting practises3,een term die benadrukt dat het gaat om een zekere ‘sociale ambachtelijkheid’. Functionarissen, organisaties en burgers werken vanuit verschillende kennisposities samen om verbindingen te smeden tussen nationale institutionele oplossingen en lokale sociale problemen. En daaruit ontstaan crafting communities, gemeenschappen die op ambachtelijke wijze lokale sociale problemen willen oplossen, met daarbij een scherp oog voor de samenhang met het wijdere institutionele veld. Het zijn zulke crafting communities die het lokale landschap steeds meer gaan sieren.

Waar gulzig bestuur is te begrijpen als een streven om verlies van maatschappelijke maakbaarheid te repareren, met hierop gerichte institutionele interventies, is bescheiden bestuur te duiden als een poging op verstandige wijze om te gaan met het verlies aan maakbaarheid. Dit laatste is precies wat gebeurt in crafting communities.

Niemand kan voor zichzelf zorgen

Bescheiden bestuur vergt allereerst een andere, nieuwe visie op zorg en zorgarrangementen. De introductie van neoliberale beginselen in de context van een statelijk gewaarborgd recht op zorg moet worden afgewezen als een doodlopend spoor. Zoals Abram de Swaan het ooit fraai heeft geformuleerd: ‘Niemand kan voor zichzelf zorgen. Wat mensen kunnen is zorgen dat anderen voor hen zorgen.’4 De klassieke verzorgingsstaat was een toonbeeld van dit vermogen om zorg te arrangeren, maar nu dit mechanisme in zijn voegen kraakt, zal opnieuw moeten worden nagedacht over het ‘zorgen dat anderen zorgen’. Uitgangspunt daarbij kan niet anders dan de wederzijdse afhankelijkheid van mensen zijn, en dus niet hun (vermeende) autonomie.

Daarbij dienen zich twee sporen aan: de toenemende opties voor transnationale zorg en zekerheid, bijvoorbeeld te regelen via internationale CAO’s, en de lokale opties voor kleinschalige arrangementen zoals broodfondsen van zzp’ers in Nederland. Vooral van dit laatste zien we al meer radicale voorbeelden in het buitenland, zoals in Berlijn waar een lokale zorggemeenschap zelf ‘belasting’ heft om onderlinge zorg te financieren. Voor beide sporen geldt dat ze in behoedzame bestuurlijke processen van ‘kneden en boetseren’ uitgevonden worden, waarbij steeds ook de samenhang met de vigerende traditie van nationale zorgarrangementen in ogenschouw moet worden genomen. Dat is duidelijk iets  anders dan de zorg voor anderen die het kabinet ons op wil leggen.

Revitaliseer de intrinsieke waarden van dienstverlening

Een tweede kwestie die vraagt om bescheiden bestuur betreft het omgaan met het verlies aan gezag. Tegenover de gulzige benadering, gericht op het verwerven van ‘ouputlegitimiteit’ (gezag op basis van meetbare prestaties), richt een meer bescheiden strategie zich op het proces van publieke dienstverlening. De toegenomen complexiteit en morele ambiguïteit van publieke dienstverlening vragen om een nieuw soort, sterker op samenwerking gerichte dienstverleners. Herstel van het belang van ‘het proces’ duidt dan ook allereerst op revitalisering van de intrinsieke waarden in dienstverleningspraktijken als zorgen, onderwijzen, volkshuisvesten, bankieren.7 Gezag ontstaat uit ontzag voor de schoonheid van het spel. Dit vraagt om een stringente afbouw van de niet-ironische, extrinsieke prestatie-indicatoren en afrekenmechanismen, ten gunste van verantwoording in termen van waarachtige geestdrift voor het ‘spel van dienstverlening’.

En koester de dynamische en pluriforme samenleving

In de derde plaats zal bescheiden bestuur terughoudend staan tegenover beleidsprojecten die erop gericht zijn van bovenaf een civil society te ‘bouwen’. Het streven naar risicoloze en wrijvingsloze zones, ontdaan van ongerief en spanning, cultureel homogeen en sociaal geordend, steriliseert het innovatievermogen van de samenleving. De uitdaging moet veeleer zijn de pluriforme en dynamische samenleving te koesteren en in balans te brengen met het bestaande patroon van sociale instituties. Interessante maatschappelijke initiatieven van onderop zijn er volop. De nieuwe sociale media maken vormen van zelforganisatie mogelijk die voorheen ondenkbaar waren, zoals de opkomende burenhulp via Marktplaats-achtige sites op internet. Het gaat niet aan deze nieuwe dynamiek in het keurslijf te dwingen van bestaande institutionele formats. Eerder zal gezocht moeten worden naar wegen om de kracht van de samenleving toe te laten tot de traditionele politiek-bestuurlijke bolwerken. Ook dit vergt bestuurlijke arbeid die eerder experimenteel, behoedzaam en voorlopig is, dan rigoureus en opdringerig.

Maatschappelijke noodzaak van een bescheiden bestuur zal alleen maar toenemen

Crafting communities zijn de bestuurlijke voertuigen die ontstaan vanuit samenwerking op bovenstaande gebieden. Daarbij gaat het soms om kortstondige netwerken, uitgelokt door een concreet probleem of incident, maar steeds vaker ook om duurzame sociale verbanden, werkend aan de ontwikkeling van nieuwe maatschappelijke initiatieven, de innovatie van dienstverleningspraktijken, en de beïnvloeding van beleid en instituties. Dit alles vergt een behoedzame en geduldige aanpak, een ‘ambachtelijke’ aanpak zou men kunnen zeggen. De ambachtsman werkt vanuit een globale schets, maar heeft geen blauwdruk voor zijn handelen. Hij laat zich leiden door de voortdurende wisselwerking tussen ideeën en materie, is voorbereid op onvoorziene gebeurtenissen en obstakels, vermijdt rigoureuze oplossingen en perfectionisme, en weet daarbij op tijd te stoppen, om zo te voorkomen dat eerdere inspanningen weer teniet worden gedaan. Daarbij wordt de ambachtsman gevoed door een aantal specifieke deugden, waaronder bescheidenheid (‘imperfectie’), inlevingsvermogen, geduld, moed en toewijding.

Voorwaar een fraai beeld van de mogelijkheid van meer bescheiden bestuur. Tegengeworpen zou kunnen worden dat dit beeld vooral wordt ingegeven door romantisch wensdenken. Dit doet echter geen recht aan de constatering dat de maatschappelijke noodzaak ervan alleen nog maar verder zal toenemen. Verbeten ontkennen helpt doorgaans niet een moeilijk verlies te dragen. De loutering moet komen van het inzicht dat de laatmoderne samenleving, in zijn globaallokale dynamiek, veel beter af is met bescheiden beleidsverwachtingen en een dito bestuur. Een bestuur dat de ontvouwing van nieuwe sociale interdependenties opzoekt en benut, in plaats van kaapt en inzet voor haar eigen managementprobleem, een bestuur dat de intrinsieke logica van dienstverleningsprocessen koestert, in plaats van kapot regelt met instrumentele recepten.

Willem Trommel is hoogleraar beleids- en bestuurswetenschappen aan de Vrije Universiteit Amsterdam. Dit artikel is een geactualiseerde en verkorte versie van het hoofdstuk dat hij schreef voor het boek ‘Bouwplaats lokale verzorgingsstaat’, H. Bosselaar en G. Vonk (red.), Den Haag: Boom Juridische uitgevers, 2013.

 

Noten

1 Trommel, W.A. (2009). Gulzig bestuur. Den Haag: Uitgeverij Lemma.

2 Voor een overzicht: Oosterhout, T. van, & Boekholdt, M. (2013). Burgerinitiatieven in de zorg. Ongepubliceerd paper. Amsterdam: Vrije Universiteit.

3 Sennett, R. (2008). The Craftsman. New Haven: Yale University Press. Sennett, R. (2012). Together:The Rituals, Pleasures and Politics of Cooperation. New Haven: Yale University Press.

4 Swaan, A. de (1982). De mens is de mens een zorg. Amsterdam: Meulenhoff, p. 32.

5 Foucault, M. (2004). Breekbare vrijheid: De politieke ethiek van de zorg voor zichzelf. Amsterdam: Boom.

6 Zie ook Dohmen, J. (2007). Tegen de onverschilligheid: Pleidooi voor een moderne levenskunst. Amsterdam: Ambo.

7 MacIntyre, A. (1981). After Virtue. London: Duckworth.

 

Reacties op dit artikel (4)

  1. Goed verhaal met een mooie schets van werken in en aan de #participatiemaatschappij. En gelukkig wordt er al langer op plaatsen zo geëxperimenteerd. Nieuwe structuren, minder institutioneel en meer ontstaan vanuit de behoefte die de specifieke plek heeft. Het vraagt ook andere kwaliteiten van ‘wijkwerkers’ om in deze netwerkverbanden te opereren. Staan voor wat zich openbaart als nodig en dat goed aangehaakt op de anderen met elkaar laten gebeuren. Eigen verantwoordelijkheid nemen vanuit een bewust en doorvoeld beeld van wat nodig is én de eigen positie daarin. Wij van @_WAAR_Procesbegeleiding nodigen wijkwerkers in breedste zin vh woord uit juist die kwaliteiten eens op te zoeken en in te zetten. Interesse? Zie link naar onze blog of mail ons.

  2. Trommels’ boodschap is duidelijk. Bestuurders, wees bescheiden, maar ook weer niet te want er moet worden geïnvesteerd in (gekneed en geboetseerd aan) transnationale en lokale opties. En dat is nog niet zo eenvoudig. De “vigerende traditie” moet immers ook steeds in ogenschouw worden genomen, onder gelijktijdige “revitalisering van de intrinsieke waarden van dienstverleningspraktijken” en koestering van de dynamiek en de pluriformiteit in de samenleving, met in het achterhoofd dat “neoliberale beginselen een doodlopend spoor zijn”. Zie al die ballen maar eens in de lucht te houden! Uiteraard, juist daarvoor is die ambachtelijkheid van zo groot belang. Tot zover is zijn pleidooi heel wat interessanter en specifieker dan dat van de gedoe-democratie van Plasterk en De Nieuwe Democratie van Schinkel.
    Maar Trommel doet er nog een schepje bovenop. En daarvan vraag ik me af of iedereen dat wel voldoende in de gaten heeft. Bij mijn weten richt hij zich voor het eerst ook expliciet tot de verantwoordelijke besturen van onderwijsinstellingen (inclusief die van zijn eigen instelling, neem ik aan), van zorginstellingen (ziekenhuizen, verplegings- en verzorgingshuizen), van woningbouwcorporaties, maar zeker ook tot de bestuurders van ondernemingen. Het is naar mijn idee een urgente en bijzonder pregnante vraag of deze laatste categorie, die zich lijkt te koesteren in onmatigheid, open staat voor de oproep tot ambachtelijke bescheidenheid. Een sociaal vraagstuk van de eerste orde lijkt me.

  3. ‘Gezag ontstaat uit ontzag voor de schoonheid van het spel. Dit vraagt om een stringente afbouw van de niet-ironische, extrinsieke prestatie-indicatoren en afrekenmechanismen, ten gunste van verantwoording in termen van waarachtige geestdrift voor het ‘spel van dienstverlening’.’ Als moeder van een zoon met een verstandelijke handicap krijg ik het toch aardig benauwd van dit soort taal en het artikel. Het lijkt wel een fascinerend experiment van professionals, bestuurders en deskundigen.

Reageer

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *