Pubers staan juist voor elkaar klaar

Vrienden en klasgenoten van pubers worden vaak gezien als bron van negatieve beïnvloeding. Dit is onterecht, ontdekte Loes van Rijsewijk in haar promotieonderzoek: de meeste jongeren helpen elkaar niet de vernieling in, maar staan juist voor elkaar klaar.

Voor mijn onderzoek vroeg ik rond de 1000 jongeren in de eerste en tweede klas van de middelbare school naar de klasgenoten die hen helpen met problemen. Deze methode liet zien welke jongeren vaak als ‘hulpbron’ worden genoemd, welke jongeren van veel anderen hulp ontvangen en wie nu eigenlijk wie helpt.

Iedereen geeft hulp

Als je aan jongeren vraagt of er problemen spelen in hun leven, zal bijna iedereen bevestigend antwoorden. Ze hebben zorgen over hun schoolprestaties, gezondheid, ruzies, of over of ze er wel bij horen op school. Jongeren hoeven hier niet in hun eentje mee te dealen. Voor sommige problemen vragen ze advies aan hun ouders, maar leeftijdsgenoten spelen ook een grote rol bij het bespreken en oplossen van problemen.

Veel jongeren geven aan hulp te ontvangen van leeftijdsgenoten en/of anderen te helpen. Hoewel het vaker meisjes dan jongens zijn die hulp geven en ontvangen, is er verder lastig onderscheid te maken in typische hulpgevers en ontvangers.

Het is niet zo dat jongeren die slechtere schoolcijfers hebben meer hulpbronnen hebben, of dat jongeren die goed in hun vel zitten meer anderen helpen. Dit laat zien dat iedereen is ingebed in het hulpnetwerk en dat niemand daarbuiten valt.

Hulp heeft positieve gevolgen

Wel liggen hulpgevers en ontvangers iets beter in de groep, dan mensen die weinig hulp geven of ontvangen. Hulpgevers en ontvangers worden vaker aardig gevonden en zijn populairder. Zo maakt hulpuitwisseling bijvoorbeeld het maken van vrienden makkelijker. Je laat zien dat je empathisch bent en dat je de ander aardig vindt, of dat je de ander vertrouwt.

Hulp is dus een sociaal smeermiddel. Dit is een interessante bevinding: het vragen om hulp wordt doorgaans als een handeling gezien die de vrager kwetsbaar en afhankelijk maakt. Jongeren gaven in voorgaand onderzoek aan dat ze soms geen hulp vragen, omdat ze daarmee dom en ‘niet cool’ zouden zijn. Mijn onderzoek suggereert dat deze angst ongegrond is.

Daarnaast laat het onderzoek zien dat hulp positieve veranderingen teweeg brengt. Depressieve klachten (bijvoorbeeld je zorgen maken over de toekomst en je down voelen) worden verlicht door hulp van leeftijdgenoten.

Met name hulp van leeftijdgenoten die zelf vergelijkbare klachten ervaren is effectief. Deze leerlingen kunnen worden ingezet als ervaringsdeskundigen. Dit levert ook voordelen op voor de hulpgever zelf. Ook helpers worden minder depressief van helpen. Helpers steken mogelijk wat op van hun eigen adviezen aan anderen.

Niet alle hulp gaat goed

Toch gaat hulpuitwisseling niet altijd goed. Jongeren zijn namelijk selectief in het kiezen van hulpbronnen. Hulp vindt met name plaats tussen vrienden en gelijken. Meiden worden liever geholpen door andere meiden dan door jongens. En jongeren die beide onaardig worden gevonden door klasgenoten helpen elkaar. Hetzelfde geldt voor schoolprestaties en depressieve symptomen.

Dit proces heet similarity attraction: omdat communicatie met gelijkgestemden makkelijker gaat en begrip voor gelijken makkelijker is op te brengen, gaan mensen het liefst om met mensen die op hen lijken.

In de literatuur over jongeren is bekend dat dit proces plaatsvindt bij het vormen van vriendschappen. Mijn onderzoek laat zien dat dit ook voor hulpuitwisseling geldt. Op individueel niveau helpen jongeren gelijken en op klassenniveau zie je dat dit resulteert in gesegregeerde hulpnetwerken, waarin jongeren in groepjes van gelijken hulp uitwisselen.

Hoewel het aan de hand van de similarity attraction een verklaarbaar proces is, is het nog niet wenselijk. Het zou wenselijker zijn als iemand die minder goed meekomt op school hulp ontvangt van iemand die goed is in leren. Of dat jongens eens hulp ontvangen van meisjes. Zo komen jongeren uit hun bubble van informatie en opvattingen die ze vanuit hun kring van gelijken ontvangen en wordt hun kijk op problemen wat breder.

Jongeren als ervaringsdeskundigen

Hulp die over de grenzen van kliekjes van gelijken strekt is effectiever. Een leraar kan dit stimuleren door jongeren met ongelijke kenmerken in de klas te laten samenwerken of naast elkaar te zetten.

Daarnaast loopt de middelbare school over van ervaringsdeskundigen. Jongeren die de eerste twee jaar van de middelbare school een de vergelijkbaar probleem hebben meegemaakt. Deze jongeren kunnen gericht worden ingezet als ervaringsdeskundige om problemen te bespreken en op te lossen. Dit kan het een preventief effect hebben op het ontstaan van risicovolle gedragingen, zoals roken, drugsgebruik en pesterijen.

Socioloog Loes van Rijsewijk werkt als onderzoeker bij Onderzoek, Informatie en Statistiek, Gemeente Groningen. Ze promoveerde aan de Rijksuniversiteit Groningen op het onderwerp ‘Antecedents and consequences of helping among adolescents’

Foto: Bas Bogers (straatfotografie.com)

Dit artikel is 3280 keer bekeken.

Reacties op dit artikel (2)

  1. Dat jongeren hulpvaardig zijn naar elkaar is wat mij betreft niet een opzienbarende ontdekking. Uit informatiezoekgedrag van jongeren blijkt dat eerst de eigen netwerken geraadpleegd worden voordat professionele hulp wordt ingeschakeld ( oudere onderzoeken – ca 30 jaar geleden – tonen dat gewoon aan) JIP’s stonden in dat opzicht te ver af in het signaleren van problemen. De vraag daarbij was altijd manifest of peer hulp jongeren echt verder helpt. Meestal niet dus. Hulpvaardigheid op een school is verder van een andere orde dan in afgescheiden peergroups die zich onttrekken aan de invloed van volwassenen. De context van peergroepen met zwak sociaal/ gedepriveerd gedrag met bijbehorende pikordes nuanceren dit wat al te rooskleurige beeld wat mij betreft nogal. Voor elkaar klaar staan is van alle tijden. De kwaliteit ervan bij experimenterende en de wereld ontdekkende jongeren, vraagt een alerte professionele ondersteunende en pedagogische omgeving .

  2. Dat jongeren er voor elkaar zijn, voor elkaar zorgen, steunen is erg fijn en positief. Wat ik begrepen heb vanuit de systeemopstellingen is dat de peergroup daartegen niet de zorg, steun en begeleiding van ouders/ ouderen kunnen missen. Leeftijdsgenootjes kunnen elkaar vaak niet “opvoeden”, ze kunnen niet vervangen worden door ouders. We zouden er voor moeten oppassen dat de peergoep de ouderrol niet overneemt, ze blijken anders te weinig bedding, te weinig grenzen, te weinig hechting met ouders/opvoeders te krijgen en te willen ontvangen.
    Klaar staan voor de ander is en blijft natuurlijk prachtig…

Reageer

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *