RECENSIE Xandra van Gelder las “Identiteit”

De Westerse mens (m/v) leeft in ongekende luxe. Economisch gaat het goed – ook al zitten we in een kleine dip - de gezondheidszorg functioneert op hoog niveau, de democratie floreert, de pers is vrij, het onderwijs staat op een hoog peil en oorlogen teisteren alleen verre oorden. Toch zijn we banger en ontevredener dan ooit. Hoe kan dat?

In ‘Identiteit’ analyseert de Belgische psychoanalyticus Paul Verhaeghe hoe het neoliberalisme de moderne mens vormt. Of beter gezegd: vervormt. Het heilig geloof in de zegeningen van ‘de markt’ leidt ertoe dat we egoïstische, calculerende burgers worden die louter aan zichzelf denken en begrippen als solidariteit en medeleven overboord gooien.

Hielden politiek, religie, economie en kunst elkaar tot voor kort in evenwicht. Tegenwoordig is de economie zaligmakend. Mens, bedrijf en maatschappij hebben nog maar één doel: de productie maximaliseren. Wie groeit wordt beloond, wie stilstaat – of erger krimpt – doet niet mee.

De auteur heeft de huidige worsteling met identiteit als uitgangspunt gekozen. ‘Onze’ identiteit is onderwerp van een heftig debat. Bestaat zij eigenlijk wel? Zo ja, waar bestaat zij uit? Wie mag haar dan wel hebben en wie niet? Verhaeghe verzet zich tegen de gedachte dat identiteit iets is dat iedereen bij de geboorte krijgt. Identiteit ontstaat in relatie tot de buitenwereld. Mensen willen bij een groep horen en zich tegelijk onderscheiden. In die voortdurende wisselwerking ontstaat een - deels gemeenschappelijke - identiteit.

Groepen delen een Groot Verhaal waarin de waarden en normen van die groep verankerd zijn. Zowel dat Grote Verhaal als de identiteit veranderen voortdurend onder invloed van de maatschappelijke ontwikkelingen waarbij de heersende ideologie vanzelfsprekend alles bepalend is.

Halverwege de vorige eeuw nemen wetenschappers de invloedrijke positie van de religieuze leiders over. Hun dogma is een heilig geloof in de vooruitgang. Alles kan beter. De mens die genoeg zijn best doet, maakt van zichzelf een succes. Bovendien is er de zekerheid dat die vooruitgang meetbaar en controleerbaar is. Meten is weten, wordt het nieuwe dictaat.

Rond de eeuwwisseling, wordt de druk op individu maximaal. Er is nog maar één optie: jij moet het maken! Ieder van ons krijgt de dwingende opdracht uniek te zijn. We moeten ons allemaal onderscheiden: authentiek, origineel en autonoom zijn gewenste kwaliteiten. ‘Voorbij de hoogste sport van de ladder’, schrijft Verhaeghe, ‘wacht een penthouse als aardse variant op het hemels paradijs waar we eindelijk dat kunnen worden wat we oorspronkelijk waren: namelijk het evenbeeld van God.’ Aan de andere kant van het spectrum, in de sociale woningbouw, verkeren de mensen die het niet maken. Wie slaagt heeft dat aan zijn eigen inzet te danken. Dus is het logisch degenen die niet excelleren ook voor het eigen lot verantwoordelijk te stellen. De loser is een product van het eigen falen. Hij gaat wanhopig op zoek naar ‘anderen’ die hij de schuld kan geven van zijn mislukking. De moderne mens is een meester in het aanwijzen van degene die schuldig is aan enig ongeluk: het is De Ander die hem dwarszit of Het Systeem dat blokkeert.

Dat schuldgevoel leidt tot angst, stress en ziekte. Tal van modeziektes – stoornissen zoals Verhaeghe dat noemt – uiten zich in het psychiatrisch spectrum. De psychoanalyticus haalt fel uit naar zijn eigen beroepsgroep. Die heeft nauwelijks oog voor de mens en zijn eigen verhaal, maar houden zich vooral bezig mensen te leren hoe zij zich volgens de nieuwe idealen moet gedragen. Gedragstherapie en pillen zijn zaligmakend.

De kracht van zijn boek is dat hij niet stopt bij zijn beschrijving van de identiteit, maar overtuigend aantoont dat het neoliberaal ideaal is doorgedrongen in alle haarvaten van ons dagelijks leven. Alles is een markt geworden: school, universiteit, ziekenhuis, bedrijf en overheid. Met bijbehorende jargon van scoren en uitblinken: topscholen, toponderzoekers, topleraren en topziekenhuizen.

Want, dat is integraal onderdeel van het moderne dictaat, kwaliteit is meetbaar. We leggen ieder individu – en elk bedrijf – langs een meetlat en stellen dan ‘objectief’ en ‘onomstreden’ vast wie de top haalt en wie niet.

Verhaeghe gelooft niet in de onfeilbaarheid van het meten. Het slimme individu gaat dat gedrag – en resultaat – vertonen dat de meter wenst. Ziekenhuizen en scholen worden door de meetindustrie verleid om alleen die patiënten en leerlingen aan te nemen die makkelijk te repareren zijn en hoog scoren. Ingewikkelde gevallen moeten elders aankloppen.

Zijn hoofdstukken over bedrijfsleven en de overheid zijn hilarisch en herkenbaar. In elk bedrijf, of het nu een ziekenhuis, universiteit of fabriek is, ontstaat een identieke groep managers Zoals Verhaeghe schrijft: ‘Een toename van topdownmanagement is trouwens een wezenlijk onderdeel van elke neoliberale werking: een neoliberale organisatie creëert steevast een niet productieve toplaag, wiens voornaamste functie erin bestaat zichzelf in stand te houden via het controleren van anderen, met als resultaat een groeiende regelgeving.’ Dat leidt tot een voortdurend uitdijende administratieve rompslomp en een overdaad aan controlemechanisme. Wat weer tot gevolg heeft dat werknemers elkaar beconcurreren. ‘Teamgeest verdwijnt razendsnel,’ concludeert Verhaeghe, ‘met als typisch symptoom de noodzaak van ‘teambuilding’ niet zelden – o ironie – in toepasselijke vorm van survival (of-the-fittest) weekends.’

Het neoliberaal denken houdt evenzeer huis in het onderwijs. Lastige kinderen zijn ziek, denk aan de modeziekte ADHD, en worden rustig gehouden met pillen. Bescheidenheid – tot voor kort een deugd – is ongewenst. Wie niet meekomt, krijgt een kanjertraining waarin hij leert voor zichzelf op te komen.

Een van zijn kernpunten is dat met de opkomst van het neoliberalisme de ethiek is verdwenen. Het gaat immers alleen nog om het individu en niet meer om het belang van de groep. In een interview verklaarde Verhaeghe: ‘Ethisch gezien is er geen verschil tussen losgeslagen jongeren die Londense winkels plunderen of Britse parlementariërs die sjoemelen met onkostennota’s. Die laatste verdedigen zich met het argument dat het niet tegen de regels was wat ze deden. Het was volstrekt onethisch, maar niet verboden. Wij zijn een intrinsieke ethiek kwijtgeraakt. En we hebben die vervangen door contracten en regels.’

De kracht van het boek ligt in de analyse. Zijn betoog is minder overtuigend als hij zoekt naar de oplossingen. Het is duidelijk dat hij nog zoekend is. Gezien de opbouw van zijn oeuvre, met ‘Liefde in tijden van eenzaamheid’ (1998) en ‘Het einde van de psychotherapie’ (2009) verwacht ik dat zijn volgende boek handvaten biedt om het neoliberalisme grondig te veranderen.

Paul Verhaeghe, Identiteit, Bezige Bij,  ISBN: 978 90 234 7303 9  € 19.90

Xandra van Gelder is politicoloog en journalist. Zij schrijft o.a. voor Het Parool.