Tv-programma’s over armoede: mixed feelings of poverty porn?

Ons beeld van armoede is deels gebaseerd op de stereotypen die televisiemakers ons voorschotelen in reality-programma’s. Maar het kan anders, want de kijkers en deelnemers aan deze programma’s zijn geen ‘culturele sukkels’.

In 2009 interviewde ik mensen over hun percepties van klassenverschillen (Van Eijk 2011). Jannie, een vrouw die jarenlang in een stomerij had gewerkt en ten tijde van het interview leefde van een uitkering, verwees naar de tv-serie ‘Gooische Vrouwen’ om uit te leggen wat ze bedoelde met ‘kouwe kak.’ Ondernemer Cees wond zich op over sterren zoals Wibi Soerjadi en profvoetballers die rijk worden omdat ze een ‘kunstje’ kunnen maar verder ‘niets bijdragen aan de samenleving’. Bij gebrek aan heel rijke mensen in hun persoonlijke netwerk verwezen respondenten Jannie en Cees naar mensen die ze ‘kennen’ van tv en uit de media.

Poverty porn op televisie

Ik vermoed dat tv en andere media een niet onbelangrijke rol spelen in hoe Jannie, Cees en vele andere mensen zich een beeld vormen van ‘hoe de andere helft leeft’ en daarmee van sociaaleconomische ongelijkheid in Nederland. De vraag is echter wat Nederlandse tv-programma’s ons precies vertellen over mensen die in armoede of rijkdom leven, en meer algemeen over sociaaleconomische ongelijkheid. Wat leren we bijvoorbeeld van het programma ‘Rondkomen in de Schilderswijk’ (RTL4)? Volgens de maker, Peter van der Vorst, geeft het programma een ‘menselijk portret van een van de armste buurten in Nederland’.

Van der Vorst liet zich inspireren door de Britse serie ‘Benefits Street’. Het is relevant de inspiratiebron te melden, omdat over deze serie, die ging over een aantal bewoners van een arme straat in Birmingham, nogal wat ophef ontstond. Kijkers uitten via de sociale media hun afschuw over de deelnemers; sommigen deden zelfs aangifte van delicten die in beeld waren gebracht of bedreigden deelnemers met de dood. Andere kijkers daarentegen keerden zich tegen de sensationele beeldvorming en noemden het poverty porn: uitbuiting van de levens van arme mensen ten dienste van entertainment. De programmamakers zouden een vertekend beeld laten zien van armoede door in te zoomen op werkloosheid, uitkeringsafhankelijkheid, verslavingsproblematiek en criminaliteit, waarmee armoede een individueel probleem wordt in plaats van een gevolg van structurele sociaaleconomische ongelijkheid (zie bijvoorbeeld MacDonald et al. 2014; Wagner 2014).

Armoede en rijkdom geïndividualiseerd

Een belangrijke kritiek op Rondkomen in de Schilderswijk (hierna: Rondkomen) is dat de mensen die we in de serie zien niet behoren tot het ‘precariaat’. Het precariaat - 15 procent van de Nederlanders; de term komt uit het SCP-rapport Verschil in Nederland - betreft een groep ‘die over de hele linie achterblijft’. De hoofdrol in Rondkomen is weggelegd voor Mies en Dirk, die het buurthuis runnen. Wat hun inkomen en vermogen is, weten we als kijker niet, maar we zien een echtpaar dat actief is, veel sociale contacten heeft en verbonden is met publieke instellingen. Ook zien we in Rondkomen geen mensen die dakloos zijn of alleenstaande moeders van allochtone afkomst. Door in een programma over armoede de allerarmsten buiten beeld te houden, kan het programma ertoe bijdragen dat de kijker het armoedeprobleem onderschat: zie je wel, armoede in Nederland bestaat niet.

Een ander punt van kritiek op Rondkomen is dat het armoede construeert als een individueel probleem. Nergens wordt kijker geprikkeld zich te verdiepen in de oorzaken ervan of het verband te zien met toenemende ongelijkheid. De boodschap dat sommige Nederlanders zonder voedsel- en kledingbank, bingo en vrijwilligers niet rond kunnen komen, zou de kijker gemakkelijk ontgaan omdat onze aandacht wordt getrokken naar ‘grappige’ momenten: bewoners vallen, gebruiken verkeerde woorden, schelden en schreeuwen.

Voor kennis over de Nederlanders die aan de ‘goede’ kant van de streep staan, de rijken, kan de kijker terecht bij het programma ‘Hoe heurt het eigenlijk?’ van AVROTROS, gepresenteerd door oud-Quote-redacteur Jort Kelder. Volgens de website onderzoekt het programma ‘alledaagse etiquettekwesties’ zoals hoe we ons dienen te gedragen in het verkeer of te kleden op feestjes, met daarbij de bijna-gelijknamige ‘bijbel’ uit 1938 van Amy Groskamp-ten Have in de hand. De rijke Nederlander wordt getypeerd aan de hand van landgoederen, villa’s, jachten, sieraden, autoverzamelingen en andere dure hobby’s. In Hoe heurt het eigenlijk? wordt welvaart net zo goed geïndividualiseerd als armoede in Rondkomen. Alleen een doorgewinterde socioloog ziet het verband tussen banale vragen over de juiste tafelmanieren en of je nu ‘wc’ zegt of ‘toilet’ en het belang van cultureel kapitaal voor intergenerationele overdracht van economisch kapitaal. Het debutantenbal wordt weliswaar afgeschilderd als een lachwekkende relikwie uit het verleden, maar de rol van gesloten netwerken in de reproductie van ongelijkheid is minder lachwekkend (Dronkers 2000).

Ook een programma als ‘Dubbeltje op zijn Kant’ (RTL4) dat expliciet de economische crisis als bestaansrecht noemt, geeft de kijker de boodschap mee dat ieder zijn sociaaleconomische lot in eigen hand heeft. In het programma worden huishoudens met een financiële schuld geholpen. De deelnemers lijken vooral te behoren tot de door het SCP-benoemde segmenten ‘onzekere werkenden’ en de ‘werkende middengroep’ met vaak laagbetaalde banen en lage of middelbare opleidingen (SCP 2014). Ze krijgen advies van zakenvrouw Annemarie van Gaal en morele steun van presentator en acteur John Williams. De deelnemers worden daadwekelijk geholpen, mits ze een sterk staaltje ‘positieve psychologie’ dulden. Structurele problemen worden wederom verhuld. Werkloosheid en een laag inkomen zijn kwesties van gebrek aan inzet en verkeerde keuzes, zo leren we.

Interesse voor armen hoeft niet gepaard te gaan met minachting

Het is niet moeilijk de klachten van Britse critici omtrent poverty porn ook te uiten voor de genoemde Nederlandse tv-programma’s: sociaaleconomische status wordt sterk geïndividualiseerd door de focus op individuele problemen en leefstijl enerzijds, en het gebrek aan aandacht voor structurele oorzaken van (toenemende) ongelijkheid anderzijds. De oplossing ligt dan voor de hand: programmamakers moeten meer aandacht hebben voor de maatschappelijke context waarin mensen leven. Het gevaar is dan natuurlijk dat geen hond meer kijkt – behalve de sociologen dan misschien.

Bovendien moeten de verhalen van de armen ook verteld worden, vindt Rachel Cooke. Ze trekt een parallel met het boek Nickel and Dimed: On (Not) Getting By in America van auteur en politiek activiste Barbara Ehrenreich (2001). Ehrenreich wilde weten of en hoe het mogelijk is om te leven van de laagstbetaalde banen en gaat undercover als schoonmaker van villa’s, verkoper in een Walmart en bediende in fastfoodrestaurants. Ze laat vooral zien waarom het eigenlijk niet mogelijk is te leven van een uurloon van zes à zeven dollar. Ehrenreichs boek bewijst dat interesse in de levens van de armen niet altijd besmet hoeft te zijn met minachting, aldus Cooke. Dat is waar, maar wat Ehrenreichs boek anders maakt dan veel tv-shows over armoede is dat zij individuele ervaringen aangrijpt om uit te leggen wat er structureel mis is met de Amerikaanse arbeids- en woningmarkt. Jazeker, de verhalen van mensen die in armoede leven moeten verteld worden, maar de manier waarop maakt het verschil tussen informeren en karikaturiseren en stigmatiseren.

Misschien moeten we van programmamakers niet eisen dat ze een waarheidsgetrouw beeld van sociale groepen presenteren, of een accuraat beeld van ongelijkheid. We kunnen wel van hen verlangen dat ze de kijker achterlaten met, in de woorden van een deelnemer aan de reality-show Arm in Nederland? Eigen schuld!, ‘mixed feelings’. In een samenleving waarin zoveel mensen ‘uitgesproken overtuigingen’ hebben, is dat al heel wat.

Gwen van Eijk is criminoloog en stadssocioloog en verbonden aan de afdeling Criminologie aan de Universiteit Leiden. Dit artikel is een ingekorte en bewerkte versie van haar bijdrage aan de bundel ‘Voorbij de hype: naar verklaringen van ongelijkheid in Nederland’, Sociologie 2015 (3/4).

Het hele tijdschrift is hier te lezen.

Foto: Terry Freedman (Flickr Creative Commons)