De vraag wie recht zou moeten hebben op een uitkering – vaak aangeduid als deservingness – raakt aan de kern van het debat over sociaal beleid. Het gaat om solidariteit, verantwoordelijkheid en rechtvaardigheid. Onderzoek laat zien dat mensen hierbij verschillende overwegingen maken, zoals hoe behoeftig iemand is, in hoeverre iemand zelf invloed heeft op zijn situatie, en of iemand eerder heeft bijgedragen aan het sociale zekerheidsstelsel (Van Oorschot, 2006; Larsen, 2006; Meuleman et al., 2020).
Deze criteria helpen verklaren hoe mensen oordelen over recht op ondersteuning. Tegelijkertijd blijft vaak onduidelijk wat mensen daar precies mee bedoelen. Veel bestaand onderzoek werkt met vooraf vastgestelde categorieën, waardoor verschillen in de eigen betekenis van mensen onder de oppervlakte blijven.
Mensen kunnen het eens zijn met een bepaalde stelling, maar om totaal verschillende redenen
Recente kleinschalige kwalitatieve studies laten zien dat burgers heel uiteenlopende ideeën kunnen hebben over wie ‘recht heeft op steun’ (zie bijvoorbeeld Heuer & Zimmerman, 2020; Laenen et al., 2019; Nielsen et al., 2020). Twee mensen kunnen het bijvoorbeeld even sterk eens zijn met een bepaalde stelling, maar om heel verschillende redenen: de één vanuit economische overwegingen, de ander vanuit morele of culturele overtuigingen. Omdat het tot nu toe steeds om kleinschalige onderzoeken ging, was echter onduidelijk in hoeverre dit ook geldt voor de bredere bevolking.
Patronen in opvattingen
In dit onderzoek bracht ik daarom op een kwantitatieve manier in kaart welke verschillende betekenissen mensen geven aan het vraagstuk van deservingness, en hoe deze samenhangen met hun sociale achtergrond.
Er vallen patronen te identificeren in hoe opvattingen over deservingness samenhangen met andere politieke standpunten
Met behulp van een innovatieve statistische analysemethode (Correlationele Klasseanalyse, CCA) identificeerde ik patronen in hoe opvattingen over deservingness samenhangen met andere politieke standpunten. De analyse is gebaseerd op een enquête onder leden van het Nederlandse representatieve LISS-panel (n = 2.131).
Wanneer mensen reageren op een stelling als ‘Het is niet eerlijk dat mensen uitkeringen ontvangen waaraan ze niet hebben bijgedragen’, is het niet eenduidig wat zij daar precies mee bedoelen. Om die betekenis te achterhalen, onderzocht ik hoe antwoorden op dergelijke vragen samenhangen met opvattingen over onder meer economische herverdeling, etnocentrisme, sociaal wantrouwen en religieuze overtuigingen. Daarnaast keek ik naar verschillen in inkomen, opleiding, arbeidspositie, mediavoorkeuren, politieke voorkeur, leeftijd en gender.
Vijf betekenissen van deservingness
Uit de analyse komen vijf duidelijk te onderscheiden betekenissen van deservingness naar voren. Belangrijk om op te merken hierbij is dat elke betekenis zowel ruimhartige als restrictieve opvattingen over deservingness bevat: het verschil zit niet in hoe streng mensen zijn, maar in waarom. Op deze pagina zijn de verschillende betekenissen gevisualiseerd, en hier en hier zijn de sociale achtergronden ervan te vinden.
De eerste betekenis betreft ‘conventioneel conservatief versus progressief’. Van de mensen in het representatieve LISS-panel geeft 20 procent deze betekenis aan deservingness. Hier heeft deservingness een brede ideologische betekenis: het bevat een pakket van economische opvattingen, etnocentrisme, religie en sociaal wantrouwen. Deze betekenis weerspiegelt de klassieke links-rechts tegenstelling en komt voor in alle lagen van de samenleving.
Bij de tweede betekenis (‘wantrouwen in etnische anderen’, 19 procent van de panelleden) staat deservingness vooral in verband met etnocentrisme en sociaal wantrouwen, en nauwelijks met economische of religieuze opvattingen. Respondenten hebben gemiddeld een lagere sociaaleconomische positie en stemmen relatief vaak populistisch-rechts. Ze zijn ook vaker wat ouder, man en hebben een voorkeur voor lowbrow media.
Bij de derde betekenis (‘economisch (anti-)chauvinisme’, 22 procent) wordt deservingness vooral gezien als een economisch vraagstuk, met name over immigranten. Hierbij staat centraal wie toegang zou moeten krijgen tot schaarse publieke middelen, en onder welke voorwaarden. Deze mensen zijn gemiddeld hoger opgeleid, welgestelder en ze hebben een voorkeur voor highbrow media en mainstream politieke partijen.
Bij de vijfde betekenis draait het om solidariteit met de gemeenschap
Bij de vierde betekenis (‘morele herverdeling’, 16 procent) staat economische herverdeling centraal, maar expliciet ingebed in morele en religieuze overtuigingen. Etnische en/of sociale vertrouwenscriteria spelen hier nauwelijks een rol. Relatief veel respondenten zijn zelf afhankelijk van een uitkering en stemmen vaker links. Tezamen toont dit dat het vraagstuk hier draait om een morele kijk op economische herverdeling.
Tot slot, bij de vijfde betekenis (‘traditionele tegenover inclusieve solidariteit’, 23 procent) draait het om solidariteit met de gemeenschap. Die gemeenschap kan exclusief worden opgevat (etno-cultureel) of juist inclusief en open voor iedereen. Economische overwegingen spelen nauwelijks een rol. Respondenten zijn hier sociaal divers, maar relatief vaak religieus. Dit tweeslachtige karakter zien we ook terug in politieke voorkeuren: mensen met een inclusieve solidariteitsopvatting stemmen vaker links of christelijk (zoals de ChristenUnie) en zijn gemiddeld hoger opgeleid, terwijl aanhangers van de meer traditionele gemeenschapsnotie vaker populistisch of oud-rechts stemmen en lager opgeleid zijn.
Genuanceerder beeld
Dit onderzoek laat zien dat mensen met ogenschijnlijk vergelijkbare opvattingen over deservingness in werkelijkheid heel verschillend kunnen denken. Slechts een minderheid benadert het vraagstuk vanuit de klassieke progressief-conservatieve tegenstelling. De meeste mensen geven er een andere, minder vanzelfsprekende betekenis aan.
De uiteenlopende betekenissen sluiten aan bij bredere ideeën over hoe sociale zekerheid zou moeten werken
Deze uiteenlopende betekenissen sluiten aan bij bredere ideeën over hoe sociale zekerheid zou moeten werken. Solidariteitsgerichte opvattingen passen bij verzorgingsstaten die collectieve verantwoordelijkheid centraal stellen, terwijl economisch-nationalistische benaderingen aansluiten bij systemen die sterk gericht zijn op productiviteit en nationale grenzen.
Daarmee laat dit onderzoek zien dat zulke fundamentele ideeën niet alleen terug te vinden zijn in beleid of politieke systemen, maar ook in hoe burgers zelf nadenken over wie recht heeft op steun. Dat biedt een genuanceerder beeld van de verdeeldheid in opvattingen over sociale zekerheid.
Gevolgen voor reacties
De resultaten laten bovendien zien dat mensen niet alleen verschillen in hun oordeel over of iemand steun verdient, maar ook in hun interpretatie van de criteria daarvoor. Die verschillen hangen samen met de betekenis die zij aan deservingness geven. Wie het vraagstuk vooral moreel benadert, ziet behoeftigheid vooral als een kwestie van solidariteit en zorg voor anderen. Anderen interpreteren hetzelfde criterium juist economisch, als een vraagstuk van het verdelen van schaarse middelen in een internationaal concurrerende context.
Moreel georiënteerde burgers zijn ontvankelijker voor argumenten over solidariteit en verantwoordelijkheid
Dit heeft duidelijke gevolgen voor hoe mensen reageren op sociaal beleid. Zelfs wanneer zij het eens zijn over het uitgangspunt wie recht heeft op steun, kan de onderbouwing van beleid bepalend zijn voor hun steun. Moreel georiënteerde burgers zijn ontvankelijker voor argumenten over solidariteit en verantwoordelijkheid, terwijl economisch georiënteerde burgers eerder reageren op onderbouwingen die wijzen op koopkracht, productiviteit of bescherming tegen economische risico’s.
Tot slot wijst deze studie op de waarde van vervolgonderzoek dat deze betekenissen expliciet meeneemt. Dat geldt zowel voor landenvergelijkend onderzoek naar verschillende verzorgingsstaten als voor studies die kijken hoe burgers reageren op beleidsinformatie over gevoelige thema’s binnen de sociale zekerheid. Door aandacht te hebben voor deze onderliggende betekenissen wordt beter zichtbaar waarom ogenschijnlijk vergelijkbare burgers zo uiteenlopend reageren op dezelfde voorstellen.
Thijs Lindner is postdoc in de politieke sociologie bij het team Policy, Politics & Society aan de Erasmus School of Social and Behavioural Sciences.
Foto: Kindel Media via Pexels.com