Weg met de gelijkheid, leve het verschil

Bestuurskundige Paul Frissen vindt dat we afscheid moeten nemen van het onhaalbare gelijkheidstreven. Het roept ressentiment op en het leidt tot paternalisme. Frissen pleit voor een politiek van verschil en tolerantie, in tegenstelling tot een door de staat opgelegd emancipatiestreven.

Dat Nederland altijd een land van minderheden is geweest, zou doen vermoeden dat verschil en ongelijkheid de belangrijkste verschijningsvormen in en van het publieke domein hier te lande zijn. Niets is minder waar, de verzorgingsstaat is doordesemd van het gelijkheidsbeginsel. Dat beginsel werkt zowel negatief als positief. Negatief omdat het de overheid verbiedt om burgers ongelijk te behandelen, en positief omdat het de overheid verplicht de materiële gelijkheid van burgers te bevorderen. Iedereen heeft recht op onderwijs dat past bij zijn inzet en talent, en hetzelfde geldt voor de aanspraak op bescherming tegen risico’s en een gegarandeerd minimum. Ook heeft iedereen recht op een betaalbare woning.

Verschil moet worden opgeheven

De waarde van gelijkheid berust op een beeld van de normaliteit. Een theorie die alle mensen voor gelijk houdt, heeft een norm die een mens een mens maakt. Immers, als alle mensen gelijk zijn, kunnen ze niet ook allemaal verschillend zijn. Er moet dus een gemeenschappelijke set van karakteristieken zijn –biologisch, intellectueel, cultureel, sociaal- die het mens-zijn bepaalt. Van de Franse filosoof Michel Foucault weten we dat in het dominante discours de normaliteit wordt geproduceerd. Het is de meerderheid die de normaliteit definieert en die het verschil en de afwijking als problematische verstoringen van het dominante discours uitsluit.

Voor de waarde van gelijkheid is uniformiteit de norm. Niets is zo bedreigend als het precedent. Daarom zetten we het onvolmaakte apart, en geven we het een eigen categorie. De gedachte dat een burger tegen zijn eigenbelang handelt, fouten maakt en zichzelf beschadigt, is ondenkbaar en onaanvaardbaar voor wie van gelijkheid houdt. Het verschil is al snel onvolmaakt en moet worden opgeheven om het perfecte, de toestand zonder oneffenheden, te bereiken. Niets of niemand mag zich buiten het discours van de gelijkheid begeven. Integratie is de norm. Wat buiten het discours staat, is eigenlijk onbestaand want het kan geclassificeerd noch geteld worden. In zijn anders-zijn is het verschil wezenlijk obsceen want in de kern anders en ongekend.

In het gelijkheidsstreven is het verschil ongrijpbaar en onbegrijpelijk. Het roept ressentiment op. Wie verschilt, moet gelijk worden gemaakt, wie meer heeft, moet afgeven. Het spiegelbeeld van ressentiment is paternalisme, het opleggen van goede bedoelingen aan de onderdaan voor zijn of haar eigen bestwil. Waar paternalisme zich richt op de ongelijke aan de onderkant, is het ressentiment gefocust op de ongelijke aan de bovenkant. Ressentiment betekent nivellering, paternalisme verheffing.

Het paternalisme is in de verzorgingsstaat alomtegenwoordig en op drie manieren pedant. Ten eerste pretendeert het kennis van het goede leven en de daarbij horende deugden. In het goede leven zou iedereen gelijke kansen hebben en zijn de uitkomsten van die gelijke kansen zo rechtvaardig mogelijk verdeeld. Daarbij zouden deugden als matiging en solidariteit horen. Ten tweede acht het paternalisme zijn idealen en deugden voorbeeldig voor de te emanciperen onderklasse. En ten slotte is het paternalisme moralistisch. Het zegt niet alleen in het empirische belang van mensen te handelen –voor hun welvaart, gezondheid en veiligheid- maar ook in het normatieve belang.

Samengevat zou je kunnen zeggen dat het paternalisme voorwendt te beschikken over een superieure moraal die van de samenleving een betere samenleving en van de mens een beter mens maakt. Daarmee stuiten we automatisch op het emancipatiedilemma: moeten we mensen willen emanciperen die dat zelf niet willen? Het pedante paternalisme zegt zonder aarzeling ja op die vraag. Emancipatie moet zorgen voor gelijke machtsposities en is vooral een strategie van morele verheffing. Dat zijn geen onschuldige ambities want het paternalisme wil zijn doelen politiek verwerkelijken en via meerderheidsvorming aan de hele samenleving opleggen. Daarmee is de totalitaire verleiding gegeven.

Ongelijkheid en verschil zijn onvermijdelijk

Gelijkheid berust niet alleen op een totalitair verlangen, ze is ook empirisch onhoudbaar. Ongelijkheid en verschil tussen mensen zijn namelijk van alle tijden en vanwege permanente verandering onvermijdelijk. De Franse filosoof Gilles Deleuze betoogt dat we allemaal minderheden zijn en particularistische opvattingen hebben. Zijn differentiedenken is geen loflied op de individualisering, maar stelt dat de verschillen ons verbinden en geleding aanbrengen in de maatschappelijke werkelijkheden: plooien. Volgens Deleuze zijn er geen twee dingen op dezelfde wijze geplooid, en is er geen regelmatige plooi voor hetzelfde ding. Omdat er alleen maar verschillen en ongelijkheden zijn, is er geen universaliteit, niet één hogere waarheid of betekenis.

Deleuze gaat uit van fundamentele meervoudigheid. Dat komt ook in het beeld van de geplooide werkelijkheid naar voren. De fragmenten van de wereld (subculturen, leefstijlen, religies, etniciteiten) zijn al plooiend met elkaar verbonden, zonder hun eigen vorm, soort of waarde te verliezen. In die vorm, soort en waarde is er ook geen herleidbaarheid tot elkaar en geen schikking (onder/boven) in een groter geheel. Dat is niet per definitie een vredige verbinding: er is conflict, strijd, geweld.

Het gladstrijken van de plooien kan geen oplossing zijn. Termen als gelijkheid en gelijkwaardigheid helpen evenmin. In zijn onderscheiden delen is de wereld namelijk niet begrijpelijk. De variëteit van de wereld vraagt om specificiteit en meervoudigheid, om differentie in denken, zien én handelen. Meervoudigheid betaalt zich terug in stabiliteit en veerkracht en voorkomt dat we een enkelvoudige identiteit aan de samenleving opleggen. Natuurlijk kunnen we in een samenleving iets delen, namelijk onze verschillen. En precies daarop zou het publieke domein gericht moeten zijn, op de vormgeving van pluraliteit. De duurzaamheid van het verschil –hoe veranderlijk ook-moet kunnen worden gegarandeerd en dat kan alleen door de pluraliteit te volgen. Niet alleen maatschappelijk maar ook politiek moet daarom radicaal voor de vormgeving van verschil worden gekozen.

Pleidooi voor een politiek van verschil

Als we het universalisme afwijzen, moeten we ook een totalitair begrip van emancipatie opgeven. De politiek kan en mag geen beeld van de goede of geëmancipeerde mens vastleggen in statelijke arrangementen en programma’s. De tragiek van de verzorgingsstaat is er mede in gelegen dat de politiek dat decennialang wel heeft geprobeerd met als gevolg: regeldichtheid, bureaucratie en controleketens. En toch blijft de mens maar ontsnappen met ongeëmancipeerd, ongezond, onveilig of onverlicht gedrag.

Het emancipatiedilemma dat zo sterk met staatspaternalisme is verbonden, is slechts oplosbaar als we emancipatie overlaten aan de samenleving, met alle verschil en ongelijkheid. De politiek moet geen beelden van de geëmancipeerde mens articuleren, laat staan verplichtend opleggen. De daarmee geïmpliceerde radicale vrijheid berust wel op twee belangrijke noties: die van de wederzijdsheid (de vrijheid komt iedereen toe) en de openheid (geen minderheid mag duurzaam meerderheid willen zijn).

Wat we nodig hebben, is een politiek van verschil. Een politiek waarin de schoonheid en de vrijheid van het verschil worden erkend en de staat zich terughoudend opstelt. De rechtvaardigheid van verschil en van verschil maken is gelegen in de tolerantie voor meer- en veel zinnigheid. En omdat ze vitaliteit produceren in de meer- en veelsoortigheid die ze nastreven. Een politiek van verschil is in de eerste en laatste instantie niet gericht op verwezenlijking van een inhoudelijk politiek primaat maar wil vooral de negatieve vrijheid verwezenlijken.

De vrijheid dus die de burger tegen de staat beschermt en die fundamenteel is voor het verschil, voor de meervoudigheid. De negatieve vrijheid verwerkelijkt het verschil en beteugelt politiek en staat. Een politiek van verschil creëert voorwaarden die eigen verantwoordelijkheid van burgers en dus van ons als minderheden mogelijk moeten maken. Geen paternalisme, geen grenzeloze beleidsambities, geen beelden van een goede samenleving van geëmancipeerde burgers, maar een repertoire waarin de mogelijkheden om verschil te maken maximaal zijn. Dat alleen biedt een uitweg uit de tragedie van de verzorgingsstaat die met de beste bedoelingen is vastgelopen in bureaucratie, regelzucht en rationele beheersing.

Paul Frissen is decaan en bestuursvoorzitter van de Nederlandse School voor Openbaar Bestuur in Den Haag, hoogleraar Bestuurskunde aan Tilburg University en lid van de Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling. Dit artikel is een ingekorte en bewerkte versie van zijn essay dat deze week verscheen in het Tijdschrift voor Sociale Vraagstukken.

Reacties op dit artikel (2)

  1. Gelijkheid is een fundamentele, Nederlandse waarde. Wij zuchten eronder, maar kunnen haar niet afschaffen of beduidend afzwakken. O.m. de gender-affaire uit 1996 ondersteunt deze these.

    In 1996 raakte in Nederland bekend dat (ook daar?) gender-optie tot de orde van de reële mogelijkheden zou gaan behoren. Wat betreft de aard van het geslacht van hun te verwekken kind zouden ouders nog dieper het Rijk van de Vrijheid intrekken. Een private kliniek daarvoor begon zich in te richten, of was reeds zover, toen een morele barrière opdoemde. Wat bleek was dat na bekendwording van de mogelijkheid van geslachtskeus de regering zich er niet enthousiast over toonde, en daarbij volgens opiniepeilingen nu eens het volk op haar hand had. ‘Men’ was tegen op grond van het beginsel van gelijkheid. Zoiets van ‘je mag geen jongetjes of meisjes voortrekken, want dat is niet eerlijk’, en: ‘jongetjes of meisjes zijn ons even lief, het maakt niet uit’, en dergelijke zielloze uitingen. Een nationaal-cultureel gegeven!

    Maatschappelijk was de algehele stemming tegen rationele planning van vrije ouders van het geslacht van hun kinderen, en bij implicatie pro toeval en natuur. Gods water over Gods akker. Je zou uit die lichte beroering – een soort roes van Gelijkheid – kunnen opmaken dat het mensen eerder zou mogen worden verboden enig kind zonder permissie van de authoriteiten te verwekken – zoiets bepleitte geloof ik Plato in zijn Republiek – dan toegestaan zelf (cultureel) te bepalen of het een jongen of een meisje zal worden.

    Sedert 1996 is die Nederlandse hang aan / naar gelijkheid onverminderd gebleven. Onze mislukte integratie van non-Westerse massa´s op ons eigen territoir bewijst het. Wij mogen geen (verschillende) groepen zien. We zijn allemaal gelijk. Dat moet.

Reageer

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *