Welzijnswerk kan zelf ook fondsen werven

Het welzijnswerk heeft de legitimiteit van zijn bestaan uitbesteed aan de overheid. Eigenlijk is dat dubieus. Welzijnsprofessionals doen er beter aan om zelf financieringsbronnen aan te boren, betoogt Lucas Meijs, die opdracht gaf voor het essay van Nico de Boer en Jos van der Lans.

Met het geven van de opdracht en aanzet tot het essay van Nico de Boer en Jos van der Lans wil de RMO een belangrijke bijdrage leveren aan de ontwikkeling van de welzijnssector. De vele reacties, en met name de heftigheid daarvan, zijn een signaal van de noodzaak van een echte discussie. Kern van de kritiek lijkt te zijn dat welzijn niet zonder overheid kan en dat de burger niet zo goed voor zichzelf kan zorgen.  Maar: wat is dan die rol van overheid?

Naar mijn idee worden in de reacties de drie functies van de overheid in relatie tot welzijnorganisaties onvoldoende gescheiden. De eerste functie is het maken van wetten die organisaties verplichten tot een bepaalde dienstverlening. De tweede functie is die van bestuurder van een organisatie die welzijn levert, waarbij de overheid de interne processen mee vorm geeft. De derde rol is die van financier, rechtstreeks naar organisaties of indirect via de cliënten. Een financier overigens die dat doet als vertegenwoordiger met andermans geld, namelijk van de burgers!

Legitimiteit welzijnswerk is zoek
Van de eerste twee rollen word ik bijzonder zenuwachtig. Een overheid, met daarachter de politiek van de helft plus een, die bepaalt wat goed is voor haar burgers is mij veel te gevaarlijk en al helemaal als dat wordt vastgelegd in wetgeving! Dat leidt al snel tot te veel ingrijpen achter de voordeur, en dan niet alleen bij kwetsbare kinderen.

De derde rol, de overheid als financier is spannender. De markt kan goed zorgen voor welzijn van een individu of een groep als deze groep maar rijk genoeg is om de marktprijs te betalen. Als dat zo is dan kan de markt precies leveren wat iemand wil. Er zullen voldoende aanbieders zijn want er is winst te maken. Maar als een individu of een groep zelf onvoldoende geld heeft dan komt een deel van de rekening bij andere mensen en groepen terecht. Kortom, voor welzijn voor niet-koopkrachtige groepen moeten andere koopkrachtige burgers bereid zijn mee te betalen. Er is een derde partij noodzakelijk die de financiering regelt.

Deze derde partij-financiering betekent dus fondsenwerving bij andere burgers die balanceert tussen efficiëntie en effectiviteit. In alle eerlijkheid, er is geen enkele fondsenwerver zo efficiënt als de belastingdienst, geen bedelbrief zo efficiënt als de blauwe enveloppe, want als burger heb je namelijk geen keuze! Echter, om effectief te zijn moet er wel politieke legitimiteit zijn om burgers te verplichten te betalen voor het welzijn van anderen. En daar doet het pijn. De legitimiteit en dus effectiviteit is makkelijk als een ruime meerderheid van de bevolking het gevoel heeft dat ze er zelf ook van profiteren of minstens dat deze ellende van andere mensen hun ook kan overkomen. Ofwel andersom, problemen van kleine groepen zijn lastig voor politici om te financieren en al helemaal als daar iets verwijtbaars onder zit.  Of nog erger, bezuinigen op deze groepen is een makkelijke boodschap.

En dat verklaart precies wat er onder andere met welzijn gebeurd is. Zoals de RMO in ‘Stem geven aan verankering’ uitwerkt is met het efficiënte uitbesteden van de financiering (van bijvoorbeeld welzijn) aan de overheid ook het onderhouden van de legitimiteit (van bijvoorbeeld welzijn) uitbesteed aan de overheid. En met het weggaan van de legitimiteit neemt de effectiviteit van de fondsenwerving af, want politici kiezen voor de makkelijke weg: niet tegen de publieke opinie stroom in uitleggen dat welzijn wel belangrijk is maar meegaan en schrappen.

En als het niet lukt mensen te overtuigen van het nut van welzijnswerk?
Naast de verplichtende manier van fondsenwerven via belastingen staat de private fondsenwerving, waarbij mensen niet gedwongen, in vrije keuze als moderne burgers hun bijdrage leveren aan het oplossen van de ellende van anderen. Deze private fondsenwerving is verre van efficiënt maar is wel per definitie legitiem voor het donerende individu. Die maakt een eigen, volwassen, bevrijde keuze om mee te betalen. Overigens een keuze die mede gebaseerd is op paternalisme en particularisme, de zogenaamde ‘voluntary failures’.

Nu het dilemma: als het niet lukt om mensen individueel vrijwillig te overtuigen van het nut  van een bepaald welzijnproject, hoe lukt het dan om ze te laten stemmen op een politieke partij die dat wel nuttig vindt? Als het niet lukt om burgers vrijwillig te laten betalen is het dan niet discutabel en dubieus, of misschien zelfs wel arrogant, om daar dan maar de wet en belastingen voor te gebruiken?

De oplossing is dus het vinden van een combinatie. Vrijwillige bijdragen in tijd en geld vormen een bewijs van maatschappelijke legitimiteit waar politici naar willen luisteren. De opdracht aan besturen van en professionals in welzijnsorganisaties is dus om weer zelf te gaan werken aan de legitimiteit van hun werksoort en organisaties. Niet een politicus moet aan burgers uitleggen dat welzijn belangrijk is, dat moet de welzijnprofessional zelf doen! De opdracht aan professionals in het welzijn is dus om zelf private middelen te werven. Niet om daarmee de gaten van overheidsfinanciering te dichten maar om te zorgen dat er niet meer gaten gaan vallen! Vrijwillige donaties in tijd en geld vormen een verzekering tegen veranderend overheidsbeleid omdat ze het ultieme argument zijn dat burgers bereid zijn welzijn te ondersteunen!

Lucas C.P.M. Meijs is bijzonder hoogleraar ‘vrijwilligerswerk, civil society en ondernemingen’ en ‘strategische filantropie’ aan het Erasmus Centre for Strategic Philanthropy en de Rotterdam School of Management, Erasmus University. Hij is tevens raadlid van de Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling (RMO). Vanzelfsprekend is deze column op persoonlijke titel geschreven.

Dit artikel is 2172 keer bekeken.

Reacties op dit artikel (4)

  1. Ik las je tweet: “Eens kijken wat dit oproept?” Helemaal eens met je redenering. Je kunt er nog aan toevoegen dat mensen gemakkelijker bijdragen als het werk dat de organisatie doet hen aanspreekt. Als het nodig is de portfolio of de werkwijze te veranderen om aantrekkelijk te zijn moeten de instellingen zich dus aanpassen.

    Dit kan trouwens ook richting klanten. Veel klanten, ook de minder draagkrachtige, hebben geld te besteden en maken daarin keuzes. Als ze niet betalen voor welzijnsdiensten zijn die te duur of minder de moeite waard. Wat kunnen instellingen met hun diensten doen om ze in de ogen van de afnemers meer de moeite waard te maken?

    Een andere toevoeging, uit Jim Collins’ Good to great and the social sectors: het gaat niet alleen om geld maar ook om andere resources. Delen van dure faciliteiten, gebruik maken van de expertise van bedrijven, aantrekkelijk vrijwilligerswerk voor mensen met competenties die je nodig hebt, zorgen dat je meer een community dan een bedrijf bent enz.

  2. Dus hier komt de nieuwe wetgeving vandaan? Een theorie op theorie op theorie. Vandaar dat het zover van de mensen afstaat en geen harten bindt. Denkt u wel eens zelf na over uw situatie en vraagt u advies aan een ander?

Reageer

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *