Werken aan de wijk gaat niet vanzelf

De aanslagen in Parijs hebben de discussie aangewakkerd over de aanpak van radicalisering in wijken en buurten. Van sociaal werkers, buurtteams, wijkagenten en bewoners wordt veel verwacht. Maar een doordachte aanpak kan alleen ontwikkeld worden op basis van kwalitatief onderzoek.

Vorige week werd bekend dat de resultaten van een belangrijke studie over werken in de wijk niet kloppen. De vermaarde Amerikaanse politicoloog Robert Putnam concludeerde acht jaar geleden dat een gemengde etnische samenstelling van de wijk leidt tot onderling wantrouwen. Naar deze stelling is sindsdien veel onderzoek gedaan. Op basis van dit onderzoek wordt de stelling van Putnam verworpen: etnische diversiteit leidt niet tot onderling wantrouwen, sommige etnische groepen staan sowieso wat wantrouwiger tegenover de buurt. Dit heeft Putnam over het hoofd gezien. Is het erg dat onderzoeksresultaten bij nader inzien niet blijken te kloppen? Nee, natuurlijk niet. Juist door nader onderzoek ontstaat een genuanceerd beeld, in dit geval over etniciteit en wantrouwen in de buurt, een belangrijk gegeven om te betrekken bij het bestrijden van radicalisering. Zo worden we langzaam wijzer.

De wijk als broeinest voor radicalisering?

Een algemene trend van radicaliserende jeugd in de grote steden van Europa roept de vraag op wat werkt bij het tegengaan van radicalisering. Is de wijk of de buurt eigenlijk wel een goed aanknopingspunt voor het tegengaan van radicalisering? Kan radicalisering bestreden worden door het buurtteam, de wijkagent, de lokale hulpverlener, de actieve bewoners? De Belgische wijk Molenbeek wordt nu aangewezen als een ideaal broeinest voor radicalisering; hier ontmoetten de daders van de Parijse aanslag elkaar voordat enkelen van hen naar Syrië afreisden. De wijk is – volgens (ex-)bewoner en antropoloog Teun Voeten – rommelig gebouwd, anoniem en de politiek grijpt niet in omdat zij het probleem niet durft te adresseren. De Parijse buitenwijken zijn eveneens anoniem en delen van de wijk vormen getto’s waar wantrouwen tegen andere bevolkingsgroepen makkelijk de kop op kan steken. In Nederland lijken de omstandigheden om radicalisering in de wijken te bestrijden beter. Het gaat om kwalitatief hoogwaardige, gemengde wijken waar verschillende bevolkingsgroepen relatief veel contact met elkaar hebben. Maar is dat voldoende? Wat is er nodig om wantrouwen en radicalisering te voorkomen?

Etnische menging leidt nog niet tot saamhorigheid

Onderzoek zoals dat van Putnam en zijn opvolgers dragen bij aan de kennis over wat werkt. Etnische menging leidt op zich niet tot wantrouwen tussen groepen. Het is dus goed om menging in wijken na te streven. Maar dat is niet voldoende, zo leert het gemengde Molenbeek. Het probleem is dat sommige bevolkingsgroepen sowieso meer tot wantrouwen neigen. En dat geldt op dit moment in het bijzonder voor kleine groepen moslim-jongeren. Hoe betrekken we deze jongeren blijvend bij de samenleving? Alleen menging is niet voldoende.

Van werkers in de wijk wordt veel verwacht. Zij moeten zorgen voor het in stand houden van het weefsel van de wijk. Door slimme vormen van contactleggingskunde en informatie-inwinning moet kennis over de buurt en haar bewoners worden vergaard. Vervolgens moeten mogelijke gevaarlijke tendensen in een vroeg stadium worden onderkend en aangepakt. Daarvoor is vertrouwen nodig. Vertrouwen tussen organisaties en burgers die actief zijn in de buurt. Vertrouwen komt te voet en gaat te paard, zo blijkt uit veel onderzoek naar werken in de wijk. We vragen dus nogal wat van actieve bewoners en werkers in de wijk.

Kennis moet de basis zijn voor preventie en beveiliging

Parijs houdt de gemoederen terecht bezig. Overheden op alle niveaus moeten tot actie overgaan. Zowel op het terrein van preventie als op het terrein van beveiliging. Maar dat neemt niet weg dat die actie zoveel mogelijk gebaseerd moet zijn op kennis over duurzame buurtontwikkeling. We weten daar al veel vanaf. Het gaat erom deze kennis slim toe te passen op radicaliserende jongeren. Hoe sporen we hen op? Hoe reageren we op tekenen van radicalisering? Hoe winnen we vertrouwen? Hoe betrekken we deze jongeren van jongs af aan bij hun directe omgeving?

Tegelijkertijd is verder onderzoek nodig. Hoe werkt een wijk? Wat zijn de randvoorwaarden voor werkers en actieve bewoners om gewelddadige vormen van radicalisering te kunnen voorkomen? Daar valt – in navolging van Putnam – nog een wereld te winnen.

Peter Rensen is projectleider Effectieve sociale interventies bij Movisie.

Afbeeldingsbron:
Creativecommons

Reacties op dit artikel (2)

  1. Ik mis in dit stuk het punt van de grote doorstroom in dergelijke wijken. Het is lastig om een duidelijk beeld te verkrijgen als onderzoeker, maar nog lastiger voor de buurtwerker die ‘community-building’ als doel heeft, als bewoners steeds doorverhuizen. Dit in- en uitstromen van mensen kan een negatief effect hebben op de sociale verbindingen in een wijk. De mobiliteit kan wel positief zijn voor de mensen die verhuizen. Bovendien maakt dit het onwaarschijnlijker dat er een geïsoleerde gemeenschap ontstaat in een wijk. Alhoewel de mobiliteit natuurlijk per groep inwoners kan verschillen. Zodoende kan er alsnog een ernstig gemarginaliseerde groep bestaan die wel ‘achterblijft’ in de wijk, zowel letterlijk als figuurlijk. Deze groep op zich kan dan wel geïsoleerd raken, wat het lastiger maakt om radicalisering te signaleren en te voorkomen.
    Er zal meer onderzoek moeten komen naar de effecten van isolement en uitsluiting (minder kansen) en op radicalisering. Op basis van dergelijk onderzoek kunnen gerichte interventies plaatsvinden. Deze interventies zullen per wijk verschillend moeten zijn, omdat geen enkele wijk hetzelfde is.

  2. Bruno Latour liep ooit eens een laboratorium binnen en zette de exacte wetenschappen op z’n kop. Ik zou willen dat het eens andersom zou gebeuren. Huur eens een wiskundige in en laat die informatiestroom binnen de netwerkstructuur rondom radicaliserende jongeren in kaart brengen en sec berekenen. De politie heeft na decennia van ‘common sense’ (ofwel stompzinnig) drugshandelaren oppakken, op advies van een wiskundige /netwerkspecialist wietnetwerken opgerold door te focussen op de essentiële schakels in deze netwerken; degenen die de meterkasten voor de wietplantages bouwen.
    Nu denken sociaal wetenschappers te weten dat ze ‘de wijk’ beter moeten begrijpen. Ik vind dat nogal een vooringenomen stelling. Als je de radicaliserende jongere beschouwt als ‘black box’ met een input en een output, in wat voor netwerk zit dit individu dan, waarmee resoneert het radicaliserende individu? In welke mate is dit virtueel, hoe belangrijk zijn de peers in het netwerk voor versterking, hoeveel ruis is er en wat is het effect van die ruis?
    De facebookrellen in Haren zijn voor een wiskundige of evolutiebioloog gewoon te herleiden tot informatie die foutloos gekopieerd wordt omdat de nodes van het netwerk (blijkbaar) resoneren.
    Resonantie vindt plaats daar waar de impedantie minimaal is. En impedantie is heel iets anders dan weerstand. Voor minimale impedantie moeten de resonantiefrequenties gelijk zijn; vergelijk het met ritsen op de snelweg. Je moet letterlijk ‘gelijkgestemd’ zijn. En dit kun je in een model vatten en berekenen, maar sociaal wetenschappers kunnen dit zo ver ik weet niet.

Reageer

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *