Wetenschap moet meer karakter tonen  

Wetenschappers worden voortdurend geprikkeld om zichzelf te profileren en hun successen breed uit te meten. Historicus Herman Paul vindt dat ze ook deugden als moed, bescheidenheid en collegialiteit dienen te cultiveren. Zowel in het alledaagse academische bestaan, als in het onderwijs en bij het begeleiden van promovendi.

Als de negentiende-eeuwse historicus Georg Waitz zijn studenten de essentie van zijn vak wilde bijbrengen, had hij aan een handvol woorden genoeg: toewijding, precisie, kritiek en vasthoudendheid. Waitz’ studenten vormden een select gezelschap uitverkorenen dat op Waitz’ uitnodiging op vrijdagavond bij hem thuiskwam en daar in zijn studeerkamer, omringd door boeken en manuscripten, het historisch métier van de meester afkeek, de befaamde historische Übungen.

Wie alleen maar kennis wilde opdoen, kon een hoorcollege bezoeken. Maar voor het cultiveren van deugden was een andere onderwijsvorm nodig, kleinschalig, informeel en persoonlijk.

Moderne wetenschap is karakterloos

De Übungen veronderstelden sociale codes en praktijken, variërend van een echtgenote die thee met biscuitjes serveerde en zich om de kinderen bekommerde zodat manlief de wetenschap kon dienen tot een vorm van hoger onderwijs die slechts voor de happy few toegankelijk was: jongemannen - pas rond 1900 ook voor jonge vrouwen - met een burgerlijke achtergrond, een gymnasiumopleiding en voldoende financiële armslag. En deugden die werden gecultiveerd in praktijken gestoeld op kleinschaligheid, intimiteit en mannelijkheid.

Moderne wetenschappers schipperen tussen leerstoel en kinderstoel, zwoegen op subsidieaanvragen, vliegen de wereld over om papers en lectures te geven, krijgen jaarlijks honderden nieuwe eerstejaars voor hun neus en maken deel uit van een samenleving die hoog opgeeft van vaardigheden en competenties. Maar ze hebben deugd en karakter uit hun woordenboek geschrapt.

De vraag is of wij kunnen leren van de spiegel die de negentiende eeuw ons voorhoudt, bijvoorbeeld met het oog op actuele discussies over werkdruk aan de universiteit, fraude en questionable research practices in het lab? Er zijn grofweg vier reacties voorstelbaar.

Een vertederde glimlach

De eerste is een vertederde glimlach over het zojuist geschetste prehistorische beeld. Voor  moderne wetenschappers, verwikkeld in verbeten gevechten om hogere output en rankings, lijkt het een openluchtmuseum: een plek waar turf gestoken wordt en graan met sikkels geoogst. In een wereld van techno science, geregeerd door economische belangen, past het adagium van L.P. Hartley: ‘The past is a foreign country, they do things differently there.’

Erkenning van verschil

Een tweede reactie erkent de grote culturele afstand tussen toen en nu, maar signaleert naast verschil ook overeenkomst. Onze morele taal is een andere en ook de omstandigheden waarin wij ons werk doen lijken niet in de verte op die van Waitz. Maar zowel toen als nu is het wetenschappelijke zelf aan de orde: een professioneel ik, met karakteristieke eigenschappen, attitudes en commitments. Wetenschap is niet alleen een zaak van methoden en technieken, van regels en van procedés, maar ook van mannen en vrouwen die houden van hun werk, die passie hebben voor kennisverwerving en kennisoverdracht en zelfs een beetje werkverslaafd zijn, omdat de wetenschap hen onder de huid is gaan zitten.

Wat wij kunnen leren van negentiende-eeuwse deugden, is het onderliggende principe: een zorg voor het zelf, een cultivering van the scholarly self, die nu heel andere vormen zal aannemen dan toen, maar in een tijd van deeltjesversnellers en big data niet minder belangrijk is dan in een tijd van ganzenveren of kroontjespennen.

Zoeken naar tegenwicht

Reactie nummer drie gaat een stap verder. Niet alleen het wetenschappelijke zelf, ook wetenschappelijke deugden zijn van belang, al was het maar om een tegenwicht te bieden aan een academisch regime – sommigen noemen het ‘neoliberaal’ – dat primair oog heeft voor productiviteit, output en earning power.

De suggestie is niet dat productiviteit en competitie als zodanig slecht zijn, maar wel dat aandacht en zorgvuldigheid gemakkelijk het kind van de rekening worden als output en earning power de voornaamste criteria zijn waarop wetenschappers worden beoordeeld. Concreet denk ik in dit verband aan de slow scholarship movement. Mede geïnspireerd door feministische zorgethiek, komt deze beweging op voor wat wel 21st-century virtues wordt genoemd: deugden als aandacht, betrokkenheid en zorgvuldigheid, in het onderzoek, maar ook op de werkvloer en in de werk-privébalans, die in het huidige academische klimaat gemakkelijk ondersneeuwen.

Ethisch voorbeeld volgen

Een vierde reactie, tot slot, is een ethische. Zoals de filosoof Alasdair MacIntyre betoogt dat de westerse ethiek een dramatische fout beging toen zij ten tijde van de Verlichting de aloude deugdethiek inwisselde voor deontologie en utilitarisme, zo zou een hedendaagse deugdethicus negentiende-eeuwers als Waitz aan ons ten voorbeeld kunnen stellen, omdat zij, anders dan de meesten van ons, inzagen hoezeer wetenschapsbeoefening te allen tijde een beroep doet op intellectuele deugden.

Achterhaald of relevant?

Als ik vertel over mijn onderzoek naar negentiende-eeuwse deugden, kom ik alle vier de reacties tegen. De eerste, sterk historiserende reactie hoor ik met name op bio science parken én, opvallend genoeg, van wetenschapshistorici die als motto boven hun werk de eerdergenoemde uitspraak van Hartley zetten: ‘The past is a foreign country.’

De vierde reactie hoor ik vooral uit de mond van filosofen, die bijna steevast van mij willen weten welke wetenschappelijke deugden voor alle tijden en plaatsen geldig zijn. Die eerste en vierde reacties zijn wat mij betreft niet de meest overtuigende, aangezien ze continuïteit en discontinuïteit tussen heden en verleden wel erg rigoureus tegen elkaar uitspelen.

In de epiloog van mijn boek De deugden van een wetenschapper verken ik de opties 2 en 3 aan de hand van een expertmeeting die ik afgelopen najaar in Leiden belegde. Een zaaltje vol wetenschappers en beleidsmedewerkers dacht een dag lang na over de vraag over wetenschappelijke deugden achterhaald of relevant zijn. Vrijwel alle aanwezigen konden zich vinden in de tweede optie. Wat wetenschap met ons ik doet, hoe ons wetenschappelijke zelf eruit ziet, dat is een vraag die om allerlei redenen relevant is. Dit met het oog op wetenschappelijke integriteit, maar ook ter preventie van burn-out onder promovendi of voor kersverse hoogleraren in een cursus academic leadership.

Wetenschappers moeten deugden cultiveren

Een meerderheid van de aanwezigen voelde ook wel voor 21st-century virtues, de derde optie. De deugden die het meest gemist en daarom het meest gepromoot moeten worden, zijn bescheidenheid (‘het vermogen om je eigen ego klein te houden’), moed (om nee te zeggen) en collegialiteit. Hebben wij wetenschappers een verantwoordelijkheid om deze deugden uit te leven, in woord maar vooral ook metterdaad?

Deugden vergen sociale prakijken: zonder hedendaagse equivalenten van Waitz’ Übungen blijft een pleidooi voor moed of bescheidenheid in de lucht hangen. Sterker nog, als alle academische prikkels erop gericht zijn om onszelf te profileren, onze successen breed uit te meten, wat zijn dan de tegendraadse counter practices die ons leren ons ego klein te houden?

Dé uitdaging voor wetenschappers nu is niet om over moed, bescheidenheid en collegialiteit te spreken. Dé grote uitdaging is om deze eigentijdse deugden te cultiveren in het alledaagse academische bestaan, ook in het onderwijs en in de begeleiding van promovendi.

Herman Paul is universitair hoofddocent Geschiedenis aan de Universiteit Leiden. Dit is een ingekorte versie van een lezing die hij hield op 23 april 2018 in de Openbare Bibliotheek Amsterdam bij verschijning van zijn boek De deugden van een wetenschapper: karakter en toewijding in de geesteswetenschappen, 1850-1940.

Foto: Daniel Farrell (Flickr Creative Commons)

Dit artikel is 648 keer bekeken.

Reacties op dit artikel (1)

  1. In feite gaat het hier om het verschil tussen de cultuur van de wetenschappelijke ‘academie’ en ‘universiteit’.
    Bij academie gaat het vooral ook om wetenschappelijke ‘Bildung’ en ‘Übing’ Een wetenschappelijke en filosofische levenshouding.
    De universiteit is thans een fabriek voor kennisverwerving en wetenschappelijke ‘output’. Vorming en (levens)wijsheid staan hierbij op het tweede plan.
    De wetenschappelijk academie zou moet aansluiten bij het ideaal van het Gymnasium: geestelijke ontwikkeling en kennisverwerking op basis van de principes van de Griekse klassieke oudheid sinds Plato en Aristoteles.
    De hedendaagse universiteit verkeert wetenschappelijk en maatschappelijk gezien in een crises aangezien zij haar onafhankelijkheid als wetenschap niet meer kan garanderen. Als dienstmaagd voor het bedrijfsleven en overheid is zij verworden tot een organisatie met meetbare doelstellingen en output.
    Het artikel geeft aan dat een hernieuwde wetenschappelijke oriëntatie omtrent haar basale waarden en normen hard nodig is en dat veel wetenschappers dat ook wel inzien.

Reageer

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *