Zo voorkom je dat ze Wajonger worden

Vroegtijdige adequate begeleiding van jongeren met een beperking kan instroom in de Wajong voorkomen. Intensieve samenwerking verhoogt hun kansen op werk. Samen met het creëren van nieuwe banen lijkt dit hét recept voor een succesvolle integrale aanpak.

Een toenemend aantal jongeren ondervindt als gevolg van ziekte of aandoening beperkingen in het maatschappelijk functioneren en participeren. De meesten van hen hebben mentale beperkingen, zoals verstandelijke beperkingen, psychische of ontwikkelingsstoornissen. Deze jongeren zijn kwetsbaar op de arbeidsmarkt. Hun kans op het vinden en behouden van werk blijft achter, ondanks maatregelen van de overheid. De meerderheid van de Wajongers  is volledig arbeidsongeschikt verklaard. Een groot deel van hen beschikt echter wel degelijk over arbeidsmogelijkheden en kan, met ondersteuning en vaak in deeltijd, werken. Zij zijn echter niet in staat zelfstandig het minimumloon te verdienen. De afgelopen decennia is het percentage werkende Wajongers ondanks de toenemende druk vanuit de overheid om arbeidsdeelname te vergroten vrijwel constant gebleven.

Uit ons onderzoek blijkt dat volgens de verzekeringsarts 84 procent van de aanvragers van een Wajong-uitkering kan werken.1 Deze arts van UWV stelt de arbeidsmogelijkheden van de aanvrager vast. Hij laat zich daarbij leiden door de hoofddiagnose, het feit of betrokkene een of meerdere aandoeningen heeft of psychische klachten ervaart. Naast de hoofddiagnose had meer dan de helft van de respondenten één of meer nevendiagnoses. Jongeren met een verstandelijke beperking of een psychiatrische aandoening hebben over het algemeen minder arbeidsmogelijkheden dan die met een lichamelijke aandoening. Jongeren met meerdere diagnoses en jongeren die psychische klachten ervaren blijken minder mogelijkheden te hebben dan jongeren zonder deze kenmerken.

Maak al op jonge leeftijd een profiel van kenmerken en kwaliteiten

De overgang van speciaal onderwijs naar werk is bij jongeren met een verstandelijke beperking of een ontwikkelingsstoornis een cruciaal moment in hun leven. Gaat dit niet goed, dan is de kans groot dat zij nooit aan het arbeidsproces zullen deelnemen. De sociale omgeving, zoals ouders en leerkrachten, speelt een belangrijke rol in het vinden van werk. In de eerste achttien maanden na de Wajong-aanvraag, vindt 39 procent van deze jongeren werk. Schoolbegeleiders blijken dit het beste te kunnen voorspellen. De voorspelling wordt nog beter als de mening van ouders erbij wordt betrokken. Het is daarom van belang al op jonge leeftijd een profiel van kenmerken en kwaliteiten van deze leerlingen te maken. Met de samenwerking tussen schoolbegeleiders en ouders kunnen realistische verwachtingen worden geschapen voor de jongere, zodat deze de best mogelijke werkuitkomst kan bereiken. Vroegtijdig adequate begeleiding van de leerling kan instroom in de Wajong voorkomen en verhoogt de kans op werk.

Begeleiden naar werk vanuit realistische verwachtingen

Voor jongeren met een autisme spectrum stoornis (ASS) of een aandachtstekortstoornis (ADD) bleken zowel sociaal-demografische kenmerken (leeftijd, geslacht en leefsituatie) als sociale steun van ouders en een positieve houding van ouders en omgeving ten opzichte van werk van invloed te zijn op het vinden van werk. Ook de verwachtingen van de jongeren zelf met betrekking tot toekomstig werk bleken van belang voor de werkuitkomst. Professionals moeten bij de begeleiding naar werk rekening houden met deze verwachtingen en ook de sociale context erbij betrekken.

Bij jongeren met een lichte verstandelijke beperking spelen met name persoonlijke factoren, zoals motivatie, verwachtingen over toekomstig werk, leefsituatie en geslacht, een rol in het voorspellen van arbeidsparticipatie. Ook hier zijn de verwachtingen van de jongere zelf een belangrijke voorspeller voor zowel werk vinden als behouden; hoe realistischer de verwachtingen des te groter de kans van slagen. Ouders, schoolbegeleiders en re-integratieconsulenten kunnen de jongeren helpen bij het ontwikkelen van realistische verwachtingen over toekomstig werk.

Maatschappij is verantwoordelijk voor Wajongers

Uit het onderzoek blijkt dat de problematiek van de Wajonger multifactorieel is en zowel gebonden is aan de persoon als aan de kenmerken van de relevante context - thuissituatie, school en werksituatie. Beleid dient dus ook gericht te zijn op die verschillende factoren. Een integrale aanpak van de (multi)problematiek door UWV, zorginstellingen, GGZ en school met directe betrokkenheid van Wajonger en ouders is nodig voor het vinden en behouden van werk.

Tot slot hebben werkgevers, gemeenten en andere overheidsinstellingen een essentiële taak in het beschikbaar stellen van geschikte banen voor jongeren met een beperking, met steun van de nationale overheid. Alleen dan krijgen zij de kans om hun werkpotentieel waar te kunnen maken. Het is noodzakelijk tot integraal beleid te komen dat er op is gericht deze jongeren op te nemen als volwaardige burgers in onze maatschappij. De maatschappij als geheel heeft een verantwoordelijkheid voor de participatie van deze jongeren en deze kan niet volledig bij de jongeren met een beperking zelf worden neergelegd.

Anja Holwerda is onderzoeker bij de afdeling Sociale geneeskunde van het UMCG. Zij promoveerde op onderzoek naar de psychosociale factoren die arbeidsparticipatie van jongeren met een Wajong-uitkering beïnvloeden: ‘Work outcome in young adults with disabilities’ (2013).

Zie ook: 'Participatiewet loost wajongers in de bijstand'

 

Noot:

  1. Cohortonderzoek ‘Participatiemogelijkheden in werk van Wajonggerechtigden’ (2008). Doel was inzicht verkrijgen in de kenmerken van Wajongaanvragers voor wat betreft ziektespecifieke, persoonlijke en sociale omgevingsfactoren, alsmede de voorspellende waarde van deze factoren op arbeidsparticipatie te onderzoeken. Op dit onderzoek zijn zowel het proefschrift van Holwerda als het rapport ‘Wat werkt bij Wajongers?’ gebaseerd.

 

Dit artikel is 686 keer bekeken.

Reacties op dit artikel (2)

  1. Eens met het verhaal, ken veel loyale, ambitieuze en competente jongeren met een beperking. Ze hebben alleen niet altijd het juiste pakketje competenties dat momenteel ge-eist worden. Neem bijvoorbeeld stressbestendigheid of prikkelgevoeligheid. Heeft mijns inziens grotendeels te maken met het tijd=geld denken in het bedrijfsleven en helaas ook elders dankzij de marktwerking: maximaliseren van productiviteit, en daar hoort wat trager werken of een behoefte aan begeleiding niet bij. Jammer dat de geldstroom voor extra begeleiding op scholen is opgedroogd bij deze regering. En ik zie nog niet goed voor me hoe werkgevers in het huidige economische tij overgehaald kunnen worden deel te nemen aan een integrale aanpak. A van Schoonderwalt
    Anne Marie van Schoonderwalt

Reageer

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *