Pedagogische civil society of pedagogisch vrijwilligerswerk? Reactie op een foute analyse

Pedagogische civil society of pedagogisch vrijwilligerswerk?

Onderzoekers onder leiding van vrijwilligersprofessor Lucas Meijs bekritiseerden hier gisteren het concept ‘pedagogische civil society’. Maar hun analyse deugt niet, zeggen Micha de Winter, Bob Horjus en Marije Kesselring, die het concept introduceerden.

Omdat de civil society, dat wil zeggen de vrijwillige verbanden die burgers met elkaar vormen, per definitie bestaat uit verschillende groepen die zich van elkaar willen onderscheiden (bijvoorbeeld de sportvereniging, de vakbond, de kerk of een groep buurtvaders), zou het versterken daarvan op pedagogisch gebied de maatschappelijke ongelijkheid tussen kinderen vergroten. Dat lijkt Lucas Meijs en zijn co-auteurs (Eva van Baren, Niek Hoogervorst, Judith Metz en Lonneke Roza) ongewenst, want kinderen hebben in de Nederlandse verzorgingsstaat juist recht op gelijke kansen. Voorwaar een sympathieke, bijna socialistische stellingname die je in deze tijd weinig meer hoort. Maar: tegen welke empirie zetten de onderzoekers zich hiermee eigenlijk af? Welke verkeerde praktijken hebben ze op het oog?

Kinderen krijgen een stem in de pedagogische civil society

In de ontwikkelingsprojecten met betrekking tot de pedagogische civil society waar wij de afgelopen jaren bij betrokken zijn, gaat het in feite steeds om twee belangrijke doelstellingen. In de eerste plaats is dat het versterken van sociale netwerken rondom kinderen en gezinnen, vanuit het gegeven dat wederkerige sociale steun een positieve bijdrage levert aan de kwaliteit van opvoeding en ontwikkeling. In een tijd van voortgaande individualisering en fragmentatie van samenlevingsverbanden blijkt de behoefte daaraan juist weer toe te nemen. Op dit uitgangspunt is bijvoorbeeld het project ‘Allemaal Opvoeders’ gebaseerd: in elf Nederlandse gemeenten is de afgelopen twee jaar geëxperimenteerd met verschillende manieren waarop de contacten tussen ouders onderling, maar ook die met andere buurtbewoners kunnen worden versterkt.

Ook vrijwilligersorganisaties zoals verenigingen, buurtcomités en kerken speelden daarbij soms een rol. In de tweede plaats heeft het versterken van de pedagogische civil society ook een normatief doel. Letterlijk betekent civil society immers de maatschappij van de burgers, en daarbij gaat het om waarden zoals empowerment, zeggenschap, gemeenschapszin en actieve participatie. In projecten zoals de Vreedzame School en de Vreedzame Wijk krijgen kinderen een stem als het gaat om zaken die in hun omgeving van belang zijn, leren ze op democratische wijze beslissingen te nemen en conflicten op te lossen, en participeren ze actief in diezelfde civil society door bijvoorbeeld als wijkmediator op te treden.

Meijs c.s. argumenteren volgens de zogenaamde ‘Strawman-logica’

Zijn dit dan de praktijken die de critici in het vizier hebben? Dat lijkt allerminst het geval, want juist informele en wederkerige ondersteuning beschouwen ze als een belangrijke meerwaarde van de pedagogische civil society, evenals de mogelijkheden die deze schept voor het versterken van kinder- en jeugdparticipatie. Maar waar zou de vergroting van de ongelijkheid onder invloed van de civil society dan moeten plaatsvinden? We citeren: ‘Een voorbeeld hiervan is het ingrijpen ‘achter de voordeur’ wanneer er sprake is van ernstige verwaarlozing of kindermishandeling. Dat uiterste machtsmiddel kan alleen in handen worden gegeven van de democratisch verkozen overheid, en zelfs daar gaat het niet altijd goed. Het overdragen van dit recht aan de civil society is echt vragen om moeilijkheden: wat als een groep vrijdenkers vindt dat kinderen prima in staat zijn om hun eigen grenzen aan te geven, en niet ingrijpt in een seksuele relatie tussen een vader en een minderjarige dochter?’

Hier gebeurt iets grappigs. Voor zover ons bekend zijn er de afgelopen jaren door geen enkel weldenkend mens, door geen enkele rationele politieke stroming of instantie voorstellen gedaan die ook maar in de buurt komen van een overdracht van dergelijke bevoegdheden aan burgercomités, particuliere verenigingen, vrijdenkers of andere delen van de civil society. In tegendeel, zelfs in deze tijd waarin vrijwel alle bevoegdheden en budgetten voor de jeugdzorg gedecentraliseerd worden, zal juist de verantwoordelijkheid voor de jeugdbescherming – uit het oogpunt van rechtsgelijkheid – op landelijk niveau worden gehandhaafd. Het lijkt er dus op of Meijs c.s. argumenteren volgens de zogenaamde ‘Strawman-logica’: een bekende redeneerfout waarin je eerst een karikatuur maakt van het te bestrijden doel, en vervolgens die karikatuur gaat bestrijden.

De vraag is natuurlijk met welk doel deze ‘logical fallacy’ wordt ingezet. Uiteindelijk komt, op de valreep, de aap uit de mouw. Het – oneigenlijke – ongelijkheidsargument wordt gebruikt om het concept pedagogische civil society te reduceren tot informele onderlinge hulp en vrijwillige inzet bij pedagogische kwesties. De auteurs stellen voor om voortaan te spreken over pedagogisch vrijwilligerswerk, niet meer en niet minder. Helaas leggen de auteurs niet uit waarom deze andere labeling de gedroomde garantie is tegen ongewenste ongelijkheid, en blijft de lezer in het ongewisse welk probleem hier nu door wordt opgelost.

Democratisch burgerschap vereisen educatieve gemeenschappen

Wij denken dat er wel degelijk een heel belangrijk verschil bestaat tussen pedagogisch vrijwilligerswerk en de pedagogische civil society. Wie zich vrijwillig inzet voor kinderen en jongeren in de samenleving doet heel belangrijk werk. Tienduizenden jongeren en volwassenen bewijzen dat voortdurend bij scouting, sport- en speeltuinverenigingen, kinderboerderijen en zelfs in de jeugdbescherming – maar dan in de vorm van vrijwillig mentorschap. Maar dat onmisbare vrijwilligerswerk is slechts één aspect van een goed functionerende pedagogische civil society waarin burgers met elkaar gestalte geven aan wat John Dewey honderd jaar geleden de ‘democratic way of life’ noemde.

Wie democratisch burgerschap als een belangrijk doel van de opvoeding ziet, moet tegelijkertijd gestalte geven aan educatieve gemeenschappen waarin diezelfde democratie wordt voorgeleefd. Bijvoorbeeld via gemeenschappelijke inspanningen – en soms ook strijd – voor de veiligheid van kinderen op straat of de jeugdvriendelijkheid van de buurt. Of via het faciliteren van kinder- en jongerenparticipatie als methode om recht te doen aan de belangen van de jeugd, en hen zo te laten zien dat ze er ook daadwerkelijk toe doen in de samenleving. Een pedagogische civil society is geen harmoniemodel. Individuele verschillen en sociale ongelijkheid leiden voortdurend tot botsingen, juist ook als het om opvoeding en onderwijs gaat. De pedagogische civil society behoort een omgeving te zijn waarin de bijbehorende conflicten en spanningen op een humane, democratische manier tegemoet worden getreden. Die eis kan je aan vrijwilligerswerk niet zo maar stellen.

Micha de Winter, Bob Horjus en Marije Kesselring zijn werkzaam bij de Universiteit Utrecht.

Deel met anderen
Dit artikel behandelt het vraagstuk Civil society, Opvoeding. Bewaar de permalink. Volg reacties op dit artikel via RSS feed van dit artikel. Reageer of laat een trackback achter.

2 reacties

  1. Geplaatst 27 juni 2012 om 18:47 Permalink

    Interessante discussie over de rol en mogelijkheden van de pedagogische civil society.
    Wat mij opvalt in de bijdrage van Lucas Meijs en collega’s is dat het er bij de tekortkomingen van de civil society op lijkt of je moet kiezen tussen de civil society en de overheid. De democratische driehoek (Zuiderveld) bestaat idealiter toch uit een overheid (wetten en regels), de markt (handel) en de civil society – de burgermaatschappij – (vrijwillige zingevende verbanden van burgers aan de hand waarvan mensen hun individuele en collectieve identiteit ontlenen). Met de civil society houdt een overheid, die ongelijkheid tegen gaat, niet op te bestaan. Zij biedt burgers alleen de mogelijkheid en verantwoordelijkheid om op te komen voor wat zij belangrijk vinden.
    Hier zit volgens mij juist het knelpunt van het concept van de pedagogische civil society. Is er in Nederland wel een traditie voor dergelijke burgerinitiatieven als tegenbeweging en vindt men dit wenselijk?
    Als ik naar de diverse voorbeelden kijk van Allemaal Opvoeders dan valt op dat de betrokkenheid van beroepskrachten in deze initiatieven groot is. Vanuit dat perspectief vind ik de term pedagogisch vrijwilligerswerk (rond het CJG) logisch.
    Micha de Winter en collega’s zien echter de pedagogische civil society als leergemeenschap voor democratisch burgerschap, dat zij een belangrijk opvoeddoel vinden. Lijkt mij essentieel om dit democratisch burgerschap te expliciteren zodat we binnen de CJG’s maar ook de scholen hier mee aan de slag kunnen om een werkelijke leergemeenschap te vormen. (Zie ook Trouw 26/6/2012 Slant strategy). Zodat de toekomstige generatie burgers een sterke pedagogische civil society vorm kunnen geven.

  2. Saskia Daru
    Geplaatst 6 juli 2012 om 16:35 Permalink

    Fundamenteel sociaal

    De pedagogische civil society zie ik niet als iets dat tegengesteld is aan pedagogisch vrijwilligerswerk, maar een alternatief voor eenzaam ouderschap. Opvoeden gebeurt onvermijdelijk door allerlei mensen om een kind heen.

    Verreweg het meest fascinerende boek dat ik de laatste maanden las was “Een kind heeft vele moeders” van Sarah Blaffer Hrdy. Het bepleit een andere manier van kijken naar de mens. De mens is een fundamenteel sociaal wezen. Meer dan andere primaten en mensachtigen. En dat komt door de manier waarop we duizenden jaren lang onze kinderen hebben grootgebracht.

    Vroegere jager-verzamelaar-moeders maakten actief gebruik van de sociale verbanden in hun gemeenschap. Bij mensapen groeien baby’s de eerste maanden van hun leven op in constant contact met hun moeder; meestal draagt de mensaapmoeder het kind op de buik of de rug. Bij leden van huidige jager-verzamelaars gaan kinderen al snel van hand tot hand.

    Juist doordat anderen een rol spelen in die eerste maanden en jaren, zijn mensenbaby’s uiterst sociaal. Het empatisch vermogen waarmee mensen geboren worden is hiervoor essentieel.

    Waar andere evolutionaire biologen veel oog hadden voor de vele oorlogen die mensen hebben gevoerd, ziet Hrdy ook het sociale. Survival of the fittest niet als een constante strijd, maar als een reden voor samenwerking en empathie. The fittest is in dit geval degene die veel sociale banden heeft. Dat maakt dat diegene in hongersituaties overleeft. Dat kinderen altijd wat te eten hebben.

    Een evolutionaire onderbouwing voor een betrokkenheid van niet alleen de familie, maar ook van anderen. In de huidige samenleving ligt dan voor de hand dat het gaat om betrokkenheid in de buurt, van ouders die je kent via vrijwillige verbanden en dergelijke. We zijn niet geschikt voor eenzaam ouderschap.

Eén trackback

  1. [...] Onderzoekers onder leiding van vrijwilligersprofessor Lucas Meijs bekritiseerden hier gisteren het concept ‘pedagogische civil society’. Maar hun analyse deugt niet, zeggen Micha de Winter, Bob Horjus en Marije Kesselring, die het concept introduceerden.  [...]

Reageer!

Uw e-mailadres wordt nooit gepubliceerd of met derden gedeeld. Verplichte velden zijn gemarkeerd met een *

*
*