#12 – De scepsis voorbij

Serie

Nabij is beter. Decentraal denken en doen

In samenwerking met KING (Kwaliteits Instituut Nederlandse Gemeenten) en de VNG halen Pieter Hilhorst en Jos van der Lans verhalen en ervaringen op over de vraag of de decentralisaties op de werkvloeren van de samenleving daadwerkelijk de vernieuwing op gang brengen die ze hebben beloofd. Elke twee weken rapporteren zij daarover op socialevraagstukken.nl en nodigen zij mensen uit om mee te denken.
Vaak onuitgesproken huist er in menig stadhuis een diepgewortelde scepsis. Willen burgers dit allemaal wel? Kunnen ze het wel aan? Het gesprek daarover verzandt nogal eens in een loopgravengevecht tussen optimisten en ongelovigen. Maak het praktisch, adviseren Pieter Hilhorst en Jos van der Lans. Pas dan kan je die vragen serieus beantwoorden.

Het was een prijzige opleiding met tamelijk ambitieuze jonge ambtenaren. Ze opereerden op strategische functies in het gemeentelijke apparaat, vaak dicht bij het college van B&W. Het waren – zo zou je het kunnen samenvatten - toekomstige leidinggevenden van de decentrale staat die we nu aan het creëren zijn. Daar spraken we die middag ook over. Over de rol van burgers, over eigenaarschap, over andere omgangsvormen tussen professionals en burgers, tussen formele instituties en informele krachten in de samenleving. We spraken over de ambities van de nieuwe verzorgingssteden.

En eigenlijk geloofden ze, een enkeling uitgezonderd, er niet in. Hoe langer het gesprek duurde, hoe sceptischer het gezelschap werd. Het is een soort ongeloof dat we in stadhuizen vaker tegen komen, niet zozeer in de officiële beleidsnota’s (want die preken het nieuwe gedachtegoed), maar in de onderonsjes, de wandelgang, bij de koffieautomaat. Het is een soort ondergrondse ambtelijke aarzeling waar ook onderzoekers van het Nederlandse School voor Openbaar Bestuur (NSOB) en het Planbureau voor de Leefomgeving op stoten toen zij antwoord zochten op de vraag waar de grote verscheidenheid aan uitingen van wat zij ‘de energieke samenleving’ noemen nu op stuk lopen.

Een rubberen muur

In hun rapport Leren door te doen. Overheidsparticipatie in een energieke samenleving onderscheiden zij vijf belemmeringen, die met elkaar een soort rubberen muur vormen waartegen krachten van buiten, maatschappelijke initiatieven, andere praktijken, nieuwe vormen van burgereigenaarschap te hoop lopen. De eerste belemmering wordt gevormd door gevestigde belangen van instituties, die zich bedreigd voelen en de hakken in het zand zetten.

Ambtenaren hebben hier vaak jarenlange contacten mee opgebouwd en zijn hier niet ongevoelig voor. De tweede zit in de aversie van ambtelijke apparaten (en wethouders) voor risico’s en de daaruit voortvloeiende neiging om alles te controleren en te kunnen afrekenen; eisen waar initiatieven van buiten niet op voorhand aan voldoen. De derde belemmering zit in de inrichting van de eigen gemeentelijke organisatie met al zijn verkokeringen en piketpaaltjes, waar initiatieven van burgers door worden opgesloten en ontmanteld. Het vierde obstakel is in een ontoegankelijk web van ongeschreven regels, gewoonten en werkpraktijken, waar krachten van buiten nauwelijks greep op kunnen krijgen. En, tenslotte, zo constateerden de NSOB/PvdL-onderzoekers, stuiten vernieuwingen van buiten op allerhande meer of minder uitgesproken vormen van scepsis en ongeloof.

Dat laatste vormt de bron waaruit de jonge ambtenaren putten toen zij hun aarzelingen de vrije loop lieten. Eigenlijk kent iedereen ze wel. De onderzoekers schudden ze in hun rapport zo uit hun mouwen: ‘Hoezo zouden burgers dat allemaal willen? Is de overheid niet simpelweg verantwoordelijkheid aan het afwentelen? Is het geen een kleine minderheid van hoogopgeleide burgers die via ‘maatschappelijk initiatief’ zijn eigen gelijk regelt? Is het geen modegril, een hype die te onbetrouwbaar is om écht belangrijke taken aan over te laten? Wat te doen met mensen die moeilijk mee kunnen en niet op eigen kracht verder komen? Hoe groot is het democratisch gehalte eigenlijk?’

Ambtelijke binnenwereld en burgerlijke buitenwereld

Het zijn serieuze bedenkingen die – zo weten we inmiddels uit ervaring - moeilijk met overtuigend bewijs of doorslaggevende tegenwerpingen kunnen worden gepareerd. Het is een confrontatie tussen twee gezichtspunten, de ambtelijke binnenwereld versus de buitenwereld van burgers, die ieder een ander perspectief op de werkelijkheid genereren. Nog één keer de NSOB/PvdL-onderzoekers: ‘Buiten is maatwerk nodig, maar binnen is rechtmatigheid en gelijke behandeling een basisbeginsel. Buiten is ruimte de regel, maar binnen moet publiek geld deugdelijk verantwoord worden. Buiten denken we in mogelijkheden, maar binnen geldt toch ook het belang van de beperking; al was het alleen al omdat de middelen beperkt zijn, er wettelijke kaders zijn die ooit met redenen bedacht waren, en de overheid vanuit de beginselen van goed bestuur moet handelen. Wat voor de één geldt is ook voor een gelijke andere aan de orde. Dergelijke principes trekken een wissel op de handelingsmogelijkheden van ambtenaren in hun omgang met de buitenwereld.’

Dat zijn dus reële positieverschillen, die je niet overbrugt door burgers te verwijten dat ze elitair zijn en niet voor de kwetsbare medemens opkomen, maar ook niet door ambtenaren te verwijten dat ze star en bureaucratisch zijn. Het zijn reële bedenkingen, maar ze zijn alleen niet handelingsgericht. In hun bestseller Decisive. How to Make Better Decisions in Life and Work korten de Amerikaanse auteurs Chip and Dan Heath dat af als TBU: True But Useless. Het helpt je niet om te leren herkennen waarom het ene initiatief slaagt en het andere faalt, waarom het ene initiatief een verschil maakt en het andere niet. Maar wat moet je dan wel doen? Hoe voorkom je dat maatschappelijke energie en de kracht van burgers vastloopt in het moeras van scepsis? Dat lukt niet door in zijn algemeenheid het debat aan te gaan, want dat verzandt al snel in een ondoorgrondelijk loopgravengevecht.

Nooit over, altijd met

Er is eigenlijk maar één uitweg: maak het tastbaar, hou het klein, probeer het uit en stel dan opnieuw de vragen en bekijk welke antwoorden er vanuit de praktijk ontstaan. Dan gaat het ergens over. Zo besloot de gemeente Wageningen voor de omgang met ingewikkelde complexe hulpvragen dat er nooit meer over maar altijd met de betrokken burgers gesproken zou worden. Met die regel wil de gemeente recht doen aan het principe dat als mensen zelf verantwoordelijkheid moeten nemen voor de oplossing van hun problemen, het dan niet meer passend is om daarover professionele onderonsjes te organiseren. Dan moeten ze ook volwaardig meepraten.

Die nieuwe regel wordt strikt toegepast. En zie: daar komen alle vragen. Sommige mensen willen niet. Sommige mensen voelen dat ze voor een professioneel tribunaal moeten verschijnen. Hulpverleners worstelen met een dubbele loyaliteit, aan wiens zijde staan ze in het gesprek? Zijn ze vertrouwenspersoon, belangenbehartiger of durven ze zich ook kritisch uit te laten? Wat doen we met mensen die weigeren te verschijnen? Hoe gaan we om met boze burgers die ontevreden zijn omdat ze niet krijgen wat ze vragen? Wat gebeurt er met verzoeken van professionals die toch met elkaar willen overleggen in afwezigheid van hun cliënten?

Dat is allemaal wennen in Wageningen. Het is ook een hoop gedoe. Maar het principe blijft overeind; sterker, (vrijwel) iedereen ziet er het nut van. Maar voor elk probleem wordt een passende oplossing gezocht. En ja, er wordt nog steeds wel eens vergaderd zonder dat de hoofdpersonen aanwezig zijn. Maar toch is er iets wezenlijks veranderd: was het nog niet zo lang geleden uitzonderlijk dat ingewikkelde hulpvragers bij het professionele gesprek aanwezig waren; nu is het uitzonderlijk als dat niet het geval is en moeten daar zwaarwegende argumenten voor worden aangedragen. Daarmee is een standaard veranderd.

Het lijkt maar een klein lokaal voorbeeld. Maar de verandering van de verzorgingsstaat is een keten van kleine voorbeelden, nieuwe standaarden en zoekende experimenten. Er is simpelweg geen andere weg. Er is immers geen handboek of blauwdruk. De discussies die uit deze praktische veranderingen voortvloeien zijn vaak stevig en principieel. Maar ze verzanden niet zo snel in een loopgravendebat, omdat zich in de praktijk juist altijd wel oplossingen voordoen waarmee weer nieuwe stappen vooruit kunnen worden gezet.

Precies dat praktische handelingsperspectief ontbrak in die bijeenkomst met jonge veelbelovende ambtenaren, waar hun bedenkingen vrij spel kregen. Zo’n gesprek oogst dus alleen maar negatieve energie, precies de brandstof die we nu net niet kunnen gebruiken.

Pieter Hilhorst is politicoloog en publicist, tot maart 2014 was hij wethouder in Amsterdam; Jos van der Lans is cultuurpsycholoog en publicist. De grondslag voor deze rubriek vormt hun essaybundel Nabij is beter. Essays over de beloften van de 3 decentralisaties. (Den Haag: KING/VNG, 2013).

Zie ook (hieronder): De ‘tien beloften van de drie decentralisaties’ als placemat.Tienbeloftenvandedecentralisaties
Jos van der Lans neemt deel aan het Nationaal Laboratorium Burgers, beleidsmakers en buitenlui op 6 november.

Bron afbeelding:  Creativecommonskleinlogo